RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 15/5087 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen [bedrijf] B.V., eiseres te [plaats 1] , (gemachtigde: mr. H. Aukema), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder (gemachtigde: [vertegenwoordiger 1] ). Procesverloop Verweerder heeft bij beschikking gericht aan [bedrijf] B.V., [betrokkene] , [adres] te [plaats 1] , met dagtekening 22 januari 2015, met nummer [nummer] (hierna: de beschikking), besloten tot aansprakelijkstelling van de geadresseerde op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) (hierna: de beschikking) tot een bedrag van € 716.686, zijnde (een deel van) niet betaalde naheffingsaanslagen omzetbelasting, tijdvak 2006, 2007 en 2011 van [bedrijf] B.V. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2015 heeft verweerder het ingediende bezwaar tegen de beschikking ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op de zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 30 mei
- Eiseres heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, door [vertegenwoordiger 2] en door [vertegenwoordiger 3] . Het onderzoek ter zitting is geschorst. Bij brief van 13 juni 2016, gericht aan de gemachtigde van eiseres, heeft de rechtbank nadere vragen gesteld. Bij brief van 28 juni 2016 heeft eiseres' gemachtigde hierop gereageerd. Bij brief van 15 juli 2016 heeft verweerder op zijn beurt gereageerd op de reactie van eiseres. Bij brief van 26 september 2016 heeft eiseres' gemachtigde hier weer op gereageerd. Bij brief van 31 oktober 2016 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij aanleiding heeft gezien de zaken te verwijzen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is hervat op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 5 oktober
- Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [vertegenwoordiger 3] . Overwegingen Feiten
- De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.
- De besloten vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: eiseres) is opgericht op 26 augustus
- Vanaf die datum is [betrokkene] haar enige bestuurder (hierna: bestuurder). 1.
- Eiseres is gevestigd op het adres [adres] te [plaats 1] . Dit is tevens het woonadres van haar bestuurder. 1.3 Na het instellen van het beroep heeft de gemachtigde van eiseres op verzoek van de rechtbank een machtiging overgelegd. Deze machtiging, met dagtekening 25 januari 2016, machtigt de gemachtigde om namens eiseres op te treden. De machtiging is getekend door eiseres' bestuurder. 1.4 In de brief van 28 juni 2016 (zie procesverloop) heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd medegedeeld dat het beroep is ingesteld namens eiseres. Tevens heeft de gemachtigde gesteld dat ook de bezwaren, weergegeven in het bezwaarschrift tegen de beschikking, door hem zijn ingediend namens eiseres. 1.5 De beschikking bevat de volgende adressering (zie procesverloop): [bedrijf] BV [betrokkene] [adres] [plaats 1] 1.6 De tekst van de beschikking luidt, voor zover relevant, voorts als volgt: "Geachte heer [betrokkene] , [bedrijf] B.V. heeft de in bijlage 1 opgenomen belastingaanslagen niet betaald en heeft hiermee niet aan de verplichtingen voldaan. U bent als bestuurder van [bedrijf] B.V. ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Noord Nederland. Daarom beschouw ik u als bestuurder in de zin van artikel 36 van de Invorderingswet
- De betalingsonmacht van [bedrijf] B.V. is niet gemeld. Op grond hiervan bestaat een wettelijke vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bovendien blijkt het kennelijk onbehoorlijk bestuur uit het volgende: (…) …, zulks terwijl u feitelijk de leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen. U bent daarom aansprakelijk voor (een deel van) de niet betaalde belasting van [bedrijf] B.V. Deze aansprakelijkstelling is gebaseerd op artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (…) Ik stel u hierbij aansprakelijk voor een bedrag van € 719.686,
- (…)". Geschil en beoordeling In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 36 van de IW
- Vooraf
- De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag aan wie de beschikking is gericht en door wie het bezwaar en het beroep is ingesteld.
- Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het noemen van de besloten vennootschap in de adressering van de beschikking een slordigheid betreft maar dat uit de tekst van de beschikking blijkt dat deze gericht is aan haar bestuurder.
- Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard dat hij in de procedure van bezwaar en beroep alleen gemachtigd is door eiseres. Hij is in deze procedures niet gemachtigd door eiseres' bestuurder en heeft niet namens en voor de bestuurder bezwaar gemaakt of beroep ingesteld.
- Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het er voor gehouden moet worden dat door eiseres tegen de beschikking bezwaar is gemaakt en dat door eiseres het beroep is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking. 5.
- In het arrest van 12 augustus 2016, nr. 15/02070, ECLI:NL:HR:2016:1903, overweegt de Hoge Raad dat met betrekking tot onjuiste vermeldingen op een aanslagbiljet in de rechtspraak als uitzondering op de regel, dat het aanslagbiljet niet tot een betalingsverplichting leidt, onder meer is aanvaard het geval waarin de op het aanslagbiljet vermelde gegevens redelijkerwijs geen misverstand kunnen oproepen met betrekking tot de vraag voor wie het bestemd is (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975). 5.
- De rechtbank overweegt dat in de adressering van de beschikking zowel de naam van eiseres, als van haar bestuurder is vermeld, terwijl het adres zowel het bedrijfsadres van eiseres is als het woonadres van haar bestuurder (zie 1.
- en 1.2.). Verder overweegt de rechtbank dat aan (de gemachtigde van) eiseres dient te worden toegegeven dat deze adressering tot enige verwarring kan leiden, te meer ook daar het adres van eiseres en het woonadres van haar bestuurder gelijk zijn (1.2.). 5.
- Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter uit de inhoud van de beschikking (zie 1.6.) zonneklaar dat deze is gericht aan eiseres' bestuurder en niet aan eiseres zelf. Het besluit betreft de bestuurdersaansprakelijkheid zoals is bepaald in artikel 36 van de IW
- In de beschikking wordt de bestuurder in zijn hoedanigheid als bestuurder, als feitelijk leidinggevende, in privé, aangesproken. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat zowel eiseres, als haar gemachtigde, bekend is, dan wel had moeten zijn, dat eiseres als zodanig reeds tot betaling van de onderliggende aanslagen is gehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres in alle redelijkheid had moeten begrijpen dat de beschikking aan haar bestuurder is gericht en hem aangaat. 5.
- Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat nu het bezwaarschrift tegen de beschikking uitdrukkelijk is ingediend namens eiseres (4.), verweerder het bezwaar tegen de beschikking niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Eiseres is immers geen belanghebbende, in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan wie krachtens artikel 7:1, eerste lid, Awb in samenhang met artikel 26a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, het recht is toegekend tegen de beschikking bezwaar te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder, eiseres in haar bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. 5.
- Omdat verweerder in de uitspraak op bezwaar beslist heeft op het bezwaar van eiseres, is het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar wel ontvankelijk. 5.
- De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar. Doende hetgeen verweerder had behoren te doen, zal de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Het vorenstaande betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep. 5.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren (zie 5.6.), bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. 5.
- De rechtbank merkt de zaak aan als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht met de gelijktijdig behandelde zaken LEE 15/5088 en LEE 15/
- 5.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 330 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 5 oktober 2017, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1, met gelijke verdeling over de drie eiseressen in de samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €
- Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. T. Tanghe en mr. S.J. Swaters, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.