RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: 17/3671 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in de zaak tussen [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, en het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde, verweerder (gemachtigde: J.D.G. de Vries). Procesverloop Bij brief van 23 december 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 oktober 2017 (het bestreden besluit), waarin verweerder zes bezwaren van verzoeker ongegrond heeft verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerk 17/
- Verzoeker heeft de voorzieningenrechter bij brief van 23 oktober 2017 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november
- Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. 2.
- Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. 2.
- De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. 2.
- De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in dit geval in het bijzonder toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang en op de vraag of verzoeker de behandeling van het beroep - gelet op zijn belangen - niet zou kunnen afwachten. 2.
- Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij maandelijks over een inkomen beschikt van € 1217,-- netto. Desgevraagd heeft hij voorts verklaard dat hij geen schuldeisers heeft die op zeer korte termijn invorderingsmaatregelen zullen gaan treffen. 2.4.
- De situatie van verzoeker leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat verzoeker over onvoldoende middelen beschikt om in de elementaire kosten van levensonderhoud te voorzien. Van bijvoorbeeld een dreigende huisuitzetting of afsluiting van water, gas of elektriciteit is niet gebleken. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden inzake zijn financiële positie leveren dan ook geen grond op om te oordelen dat sprake is van een spoedeisend belang. 2.
- Verzoeker heeft er ter zitting verder nog op gewezen dat hij bij zijn ouders in een kleine woning woont, dat zijn partner zwanger is en dat zijn partner en hij een eigen woning kunnen betrekken, maar dat de verhuizing veel kosten met zich meebrengt. 2.5.
- De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden niet een zo zwaarwegend belang dat verzoeker de behandeling van zijn beroep niet zou kunnen afwachten. 2.
- In zijn verzoekschrift heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat verweerder de invordering van € 294,12 opschort, totdat op het connexe beroep is beslist. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij in dit verband een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij dit bedrag niet kan betalen. 2.6.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker hiermee doelt op de vordering die betrekking heeft op de volgens verweerder teveel betaalde uitkering over de maanden maart en april
- Blijkens de brief van verweerder van 19 oktober 2017, die ziet op deze vordering, heeft verweerder verzoeker de gelegenheid geboden om een betalingsregeling te treffen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verzoeker nog steeds de mogelijkheid heeft om een betalingsregeling aan te gaan. 2.6.
- De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. 2.
- Voorts heeft verzoeker in zijn verzoekschrift aan de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat verweerder een aanbetaling van 50% van € 18.200,-- dient te doen op een door verzoeker geclaimde vordering. 2.7.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze geclaimde vordering op voorhand niet voor (gedeeltelijke) toewijzing in aanmerking komt. Daarvoor is hetgeen verzoeker aan zijn vordering ten grondslag legt te complex. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich er niet voor om deze vordering thans in al zijn finesses te beoordelen. De voorzieningenrechter ziet in de claim van verzoeker evenmin een grond voor het oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter zal het verzoek, gelet op het voorgaande, afwijzen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.