RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/930246-14 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , wonende aan de [straatnaam] , [woonplaats] , Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 31 december 2013, te Assen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een oogbol ruptuur (met als gevolg een chirurgische verwijdering van de inhoud van de oogbol, en aldus blijvend gezichtsverlies) heeft toegebracht, door opzettelijk zwaar vuurwerk (een vlinderbom) naar en/of in de richting van die [slachtoffer] te gooien; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 31 december 2013, te Assen grovelijk, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig zwaar vuurwerk (een vlinderbom) naar en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten een oogbol ruptuur (met als gevolg een chirurgische verwijdering van de inhoud van de oogbol, en aldus blijvend gezichtsverlies), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze is ontstaan. Beoordeling van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat hij op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging heeft dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk heeft gegooid dat het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Het standpunt van de verdediging De raadsman is eveneens van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Op basis van de verklaringen in het dossier kan niet overtuigend worden bewezen dat verdachte het vuurwerk heeft gegooid dat het letsel bij [slachtoffer] heeft teweeggebracht. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet zonder meer kan worden afgeleid dat het vuurwerk dat het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt door verdachte is gegooid. Een alternatief scenario, inhoudende dat het vuurwerk door een ander is gegooid, valt op grond van de diverse verklaringen uit het dossier niet uit te sluiten. De rechtbank zal verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dan ook integraal vrijspreken van het ten laste gelegde. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. A. Fokkema, en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2017.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.