RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/403 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 maart 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. G.P. Wempe), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, verweerder (gemachtigden: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. Spoelstra). Procesverloop Bij besluit van 20 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen en het aanleggen van een nieuwe inrit en het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [adres] . Bij besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op 30 oktober 2015 hebben [derde belanghebbende] (hierna vergunninghouder) voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen en het aanleggen van een nieuwe inrit en het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het [adres] . 2. De ontwerpvergunning heeft van 10 maart tot en met 20 april 2016 ter inzage gelegen. Eiser heeft een zienswijze hiertegen ingediend. 3. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen en het aanleggen van een nieuwe inrit en het plaatsen van twee dichte mestzakken en het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het [adres] . 4. Eiser voert aan dat het bouwplan in strijd is met de Verordening Romte Fryslân 2014 (hierna Verordening), nu het de uitbreiding van een intensieve veehouderij betreft. Er is derhalve strijd met artikel 6.1.1 van de Verordening, omdat niet is gebleken dat dit niet grondgebonden agrarisch bedrijf om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden, dan wel waarom deze uitbreiding niet kan plaatsvinden binnen bestaande bouwpercelen voor agrarische bedrijven of voormalig agrarische bedrijven in het landelijke gebied. 4.1. Artikel 6.1.1 van de Verordening luidt: “Een ruimtelijk plan kan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwperceel bevatten indien: a. het bouwperceel is bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, of voor een bestaande niet grondgebonden veehouderij die om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden, en b. redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande bouwpercelen voor agrarische bedrijven of voormalige agrarische bedrijven in het landelijk gebied, met dien verstande dat met betrekking tot de oppervlakte van het bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven artikel 6.1.2, eerste en tweede lid, en voor niet grondgebonden veehouderijen artikel 6.1.3, eerste lid, van toepassing is. 4.2. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Dantumadiel” en dit perceel daarin de bestemming “Agrarisch –Agrarisch bedrijf met de functieduiding “intensieve veehouderij” en de bestemming “Agrarisch –Woudenlandschap” heeft. Het onderhavige bouwplan is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van de bestemming “Agrarisch – Woudenlandschap”. Verweerder heeft meegewerkt aan het bouwplan door de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank stelt voorts vast dat het plan zich uitstrekt over een reeds bestaand agrarisch bouwperceel. Het gegeven dat de uitbreiding deels strijd oplevert met de op het betreffende agrarisch bouwperceel gelegen bestemming maakt dit niet anders. Nu de aanvraag niet ziet op een bouwplan dat een nieuw agrarisch bouwperceel bevat, levert dit naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met artikel 6.1.1 van de Verordening. 5. Eiser meent dat de uitbreiding van het bouwvlak in strijd is met artikel 6.1.3. van de Verordening. Eiser stelt dat volgens artikel 6.1.3 van de Verordening een uitbreiding van het bouwvlak enkel kan plaatsvinden onder de daarin gestelde voorwaarden. In de huidige situatie en onder het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Dantumadiel” heeft het bedrijf een bedrijfsperceel van circa 0,6 hectare. Daarom komt het bedrijf niet in aanmerking voor een uitbreiding groter dan 1,5 hectare, immers het bouwvlak is nog lang geen 1,5 hectare of meer. Tevens is gelet op de omvang van de nieuwe situatie geenszins sprake van een uitbreiding die beperkt in omvang is. Na de uitbreiding is het totale bedrijfsperceel 2,6 hectare. 5.1. Artikel 6.1.3 eerste lid van de Verordening luidt: “1. In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha, met dien verstande dat in geval op het bouwperceel bedrijfsactiviteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, van een extra oppervlak tot maximaal 0,5 ha mag worden uitgegaan.” 5.2. Niet in geschil is dat het hier gaat om de uitbreiding van een niet grondgebonden veehouderij. Naar het oordeel van de rechtbank is hier tevens – zoals in rechtsoverweging 4.2. reeds vermeld - sprake van een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij, zoals bedoeld in artikel 6.1.3 van de Verordening, zodat een uitbreiding tot maximaal 1,5 hectare is toegestaan. 5.3. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de omvang van het bouwperceel na uitbreiding beperkt blijft tot 1.49 hectare. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de vaststelling van de oppervlakte van het bouwperceel echter niet juist is. Zo is ter zitting aangevoerd dat ten onrechte de beplanting niet is meegenomen en de taluds. Daarbij is verwezen naar de toelichting opgenomen in de Verordening. De rechtbank stelt vast dat in de toelichting bij de Verordening in het kader van de vaststelling van het bouwperceel is opgenomen dat binnen het agrarisch bouwperceel de bebouwing (waaronder bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en silo’
- s)en de verharding van het agrarisch bedrijf liggen. Beplanting niet. Uitgangspunt is echter dat de gemeente bij de begrenzing van een agrarisch bouwperceel uitgaat van logische grenzen. Dit kan soms betekenen dat ook een beplantingssingel bij een bedrijf in het bouwperceel wordt opgenomen. Van belang wordt geacht dat de verharding en voorzieningen (zoals silo’
- s)ten behoeve van het bedrijf binnen het agrarisch bouwperceel komen te liggen. De verharding betreft in ieder geval de verharding rondom de bedrijfsgebouwen (de manoeuvreerruimte voor landbouwvoertuigen). Erfverharding ten behoeve van de bedrijfswoning evenals de tuin behoeven daar niet onder te vallen, net zo min als de toegangsweg/ landbouwweg naar een bedrijf. Bij voorzieningen gaat het om (bouw)werken zoals silo’s die logistiek en functioneel bij de concentratie van bedrijfsgebouwen op het erf horen. Waar het om gaat is dat de gemeente de begrenzing van een agrarisch bouwperceel baseert op zorgvuldig maatwerk en daarbij deze aspecten betrekt. Ter zitting heeft de gemachtigde vervolgens erkend dat de betreffende beplanting waarnaar wordt verwezen terecht buiten de omvang van het bouwperceel is gelaten gelet op de toelichting bij de Verordening. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op juiste en goede gronden is gekomen tot een totale oppervlakte van 1,49 hectare na de uitbreiding met in achtneming van hetgeen daarover in de Verordening en de toelichting bij de Verordening is opgenomen. Dit betekent dat het bouwplan valt binnen de toepassing van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening. 5.4. Gelet op het feit dat het in artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening, genoemde maximum van 1,5 hectare naar het oordeel van de rechtbank niet wordt overschreden, is hetgeen eiser heeft aangevoerd over de voorwaarden die gesteld worden in het tweede lid van dit artikel niet relevant, nu het tweede lid ziet op het toestaan van een groter bouwperceel dan 1,5 hectare. De rechtbank laat deze gronden derhalve onbesproken. 6. Ten aanzien van het aspect geur merkt eiser op dat de emissiepunthoogtes in de V-stacksberekeningen niet overeenkomen met de aangehouden hoogtes in de fijnstofberekening (Isla3a) en het akoestisch onderzoek. Zo is de V-stacksberekening de hoogte 5,5 meter voor stal 1 en 2 en 8,5 meter voor stal 3 en 4. In de Isla3a berekening is voor stal 1 de hoogte 5,0 meter, stal 2 5,2 meter en stal 3 en 4 8, 0 meter en is de hoogte in het akoestisch onderzoek 5,0 meter voor stal 1 en 2 en 8,40 meter voor stal 3 en 4. Bij de aanvraag ontbreekt elke informatie waaruit blijkt welke gegevens worden aangehouden voor de V-stacksberekening volgens eiser. Er zijn namelijk geen tekeningen overgelegd zodat de uitgevoerde berekeningen niet zijn te verifiëren. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de V-stacksberekening ziet op een verspreidingsmodel. Volgens verweerder is bij het akoestisch onderzoek de bronhoogte 10 cm boven de behuizing van de ventilatoren. Voor V-stacks en Isla3a zijn andere modelleringsvoorwaarden, vandaar het verschil in emissiehoogte. Uit de aanvraag zijn echter de betreffende gegevens duidelijk op te maken. 6.2. De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag een geuronderzoek is gevoegd als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. Daarin is ogenomen dat de geurbelasting op de woningen in de nabije omgeving van het bedrijf is berekend met het programma V-stacks vergunning. De uitkomst van deze berekeningen is opgenomen, alsmede een onderbouwing hiervan. De rechtbank stelt tevens vast dat bij het geuronderzoek geen nadere tekeningen zijn overgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat dit niet maakt dat het geuronderzoek onjuist, onvolledig of niet verifieerbaar is. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat eiser niet de uitkomst heeft betwist of een tegenrapport heeft ingebracht. 7. Eiser meent dat er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit. Zo is in het aanvraagformulier aangegeven dat er binnen de inrichting geen gebruik wordt gemaakt van brijvoer. Echter uit de aanvraag blijkt dat er wel een voerkeuken aanwezig is en dat tevens brijvoerproducten (wei en vetten) aan de voeding worden toegevoegd. In het besluit is dan ook ten onrechte niet nader getoetst op het punt brijvoer. 7.1. De rechtbank stelt vast dat paragraaf 3.5.9 van het Activiteitenbesluit van toepassing is op het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen. Ingevolge artikel 1.1 is een bijvoedermiddel: plantaardig restproduct uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding en -verwerking, uitgezonderd voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens. Verweerder heeft gesteld dat dit hier nu niet aan de orde is, nu het gaat om het mengen van korrels met wei en vetten. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank is ter zitting voldoende duidelijk geworden dat de kalveren geen brijvoer krijgen. De kalveren krijgen kunstmelk dat door vergunninghouder zelf wordt gemengd. De melk bestaat uit melkpoeder dat wordt aangevuld met water. Vervolgens worden de wei en de vetten toegevoegd aan de melk. Verweerder heeft melding gemaakt van korrels, maar het gaat volgens vergunninghouder om een melkpoeder. De wei en vetten worden aangevoerd, maar het gaat dan niet om restproducten die overblijven, maar om volwaardige producten, die nodig zijn voor het voeren van de kalveren. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende gebleken dat de wei en vetten geen brijvoer betreffen, omdat het hier gaat om grondstoffen ter bereiding van een bijvoedermiddel. 8. Eiser kan zich niet vinden in hetgeen is opgenomen in het akoestisch rapport van WNP Raadgevende ingenieurs. In het rapport wordt verondersteld dat het verkeer zich via de nieuwe toegangsweg van en naar de inrichting zal begeven. Er zijn geen voorschriften opgenomen waarmee dit kan worden bewerkstelligd waardoor het aannemelijk is dat hieraan in de praktijk geen invulling zal worden gegeven. 8.1. De rechtbank stelt vast dat op pagina vijf van het akoestisch rapport is opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van de westelijke in- en uitrit na de uitbreiding. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het gebruik van de westelijke in- en uitrit aangewezen, gelet op het feit dat het akoestisch onderzoek deel uitmaakt van de aanvraag en daarmee dus ook van de verleende omgevingsvergunning. 9. Gelet op de omvang van de activiteiten is het volgens eiser aannemelijk dat de geluidsbelasting alsmede de fijnstofbelasting in de huidige situatie lager zal liggen dan in de nieuwe situatie. Inpassing is daarom niet mogelijk op grond van de Verordening waarin is vermeld dat de milieusituatie niet mag verslechteren. 9.1. De rechtbank ziet hierin een verwijzing naar artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening. De rechtbank stelt vast dat een vermindering van de milieubelasting invulling kan geven aan de voorwaarde opgenomen in artikel 6.1.3, tweede lid, dat de nieuwe situatie een maatschappelijk voordeel moet opleveren. Artikel 6.1.3. tweede lid, van de Verordening ziet echter op het toestaan van een agrarisch bouwperceel groter dan 1,5 hectare, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde is in de onderhavige situatie. 10. Eiser heeft gesteld dat het redelijk is om aan te nemen dat bij het verlaten van de inrichting transportbewegingen nog altijd tot de inrichting behoren. In dat kader dient in het akoestisch onderzoek dan ook nader gemotiveerd te worden wat de geluidsbelasting is op de omliggende woningen. 10.1. Verweerder heeft uiteengezet dat hij het geluid van de vrachtwagens heeft beoordeeld conform de circulaire: ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). Deze circulaire handelt over verkeer van en naar de inrichting, voor zover dat zich buiten het terrein van de inrichting bevindt. Te denken valt bijvoorbeeld aan een in- of uitrit naar het bedrijf of aan een zijweg van een hoofdverkeersader waar slechts vrachtwagens komen die het bedrijf aandoen. Deze circulaire wordt toegepast voor de geluidnormering van verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting. Volgens verweerder is nu sprake van indirecte hinder. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven deze beroepsgrond, nadat kennis is genomen van de uitleg van verweerder, alsnog te laten vallen, zodat dit punt geen bespreking meer behoeft. 11. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte de aanvoer en opslag van mest alsmede het mixen van de mest niet zijn beschouwd in het kader van het akoestisch onderzoek. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat deze beroepsgrond niet langer wordt gehandhaafd. 12. Volgens eiser is in het onderzoek geen aandacht geschonken aan tonaal en laagfrequent geluid afkomstig van de ventilatoren. 12.1. Verweerder stelt dat op 31 mei 2013 een bezoek is gebracht aan de inrichting, waarbij de situatie ter plaatse is geïnventariseerd en geluidmetingen zijn uitgevoerd. Er zijn toen geen bronnen van geluid met een tonaal of laagfrequent karakter waargenomen. De rechtbank stelt vast dat hiervan een rapport is opgemaakt, dat niet inhoudelijk is betwist. In de nieuwe situatie zullen ventilatoren worden gebruikt die stiller zijn dan de huidige. De fabrikant van de ventilator heeft bevestigd dat de ventilatoren geen tonaal geluid produceren. Indien er sprake is van een tonaal geluid, dan duidt dit op een onjuiste afstelling of installatie van de ventilatoren dan wel op een defect. Dit betreffen dan situaties waarin gehandhaafd kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de ventilatoren en is niet gebleken dat deze een tonaal of laagfrequent geluid produceren. 13. Ten aanzien van het aspect geluid merkt eiser op dat de emissiepunthoogtes in het akoestisch onderzoek niet overeenkomen met de aangehouden hoogtes in de fijnstofberekening (Isla3a) en de V-stacksberekening. Zo is de V-stacksberekening de hoogte 5,5 meter voor stal 1 en 2 en 8,5 meter voor stal 3 en 4. In de Isla3a berekening is voor stal 1 de hoogte 5,0 meter, stal 2 5,2 meter en stal 3 en 4 8,0 meter en is de hoogte in het akoestisch onderzoek 5,0 meter voor stal 1 en 2 en 8,40 meter voor stal 3 en 4. Bij de aanvraag ontbreekt elke informatie waaruit blijkt welke gegevens worden aangehouden voor de V-stacksberekening volgens eiser. Er zijn namelijk geen tekeningen overgelegd zodat de uitgevoerde berekeningen niet zijn te verifiëren. 13.1. Bij het akoestisch onderzoek heeft verweerder als de bronhoogte 10 cm boven de behuizing van de ventilatoren aangehouden. Voor V-stacks en Isla3a zijn andere modelleringsvoorwaarden, vandaar het verschil in emissiehoogte. De rechtbank stelt vast dat bij het akoestisch onderzoek geen nadere tekeningen zijn overgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat dit niet maakt dat het akoestisch onderzoek onjuist, onvolledig of niet verifieerbaar is. 14. Ten aanzien van fijnstof heeft eiser aangevoerd dat bij de aanvraag een berekening is toegevoegd die is uitgevoerd met het berekeningsprogramma Isla3a, versie 2012-1, rekenhart release 5 juli 2012. Ten tijde van de beslissing was echter versie 2015-1, rekenhart release 12 mei 2015 van toepassing. Door verweerder wordt dit erkend. Verweerder heeft een nieuwe recente berekening gemaakt op 5 april 2017. Deze berekening is door de rechtbank ontvangen op 15 juni 2017. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de berekening met de verouderde versie bij de omgevingsvergunning is gevoegd en derhalve wel onderdeel uitmaakt van deze vergunning, in tegenstelling tot het door verweerder ingenomen standpunt. De rechtbank is van oordeel dat toezending van de nieuwe berekening conform berekeningsprogramma Isla3a, versie 2015-1, rekenhart release 12 mei 2015, niet maakt dat deze onderdeel is geworden van de omgevingsvergunning. De rechtbank stelt echter tevens vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitkomst van deze nieuwe berekening niet leidt tot een ander resultaat. Eiser heeft ter zitting aangegeven voorts geen reden te zien om de uitkomst inhoudelijk te betwisten en heeft vervolgens deze beroepsgrond laten vallen. 15. Bij de berekening is volgens eiser ten onrechte uitgegaan van het refertejaar 2013. Dit terwijl de sinds kort aangelegde centrale As zal zorgen voor een hogere achtergrondwaarde. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de toepassing van het Nieuw Nationaal Model. Eiser heeft hierin aanleiding gezien om ter zitting deze beroepsgrond niet langer te handhaven. 16. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard zijn standpunt in het kader van niet verifieerbare gegevens omtrent de vaststelling van de fijnstofbelasting niet te handhaven. 17. Volgens eiser wordt in de ruimtelijke onderbouwing opgemerkt dat de investeringen verder gaan dan de gangbare norm voor milieu, dierwelzijn en energie. In de vergunning en de ruimtelijke onderbouwing blijkt echter niet concreet op welke wijze aan deze bewering invulling wordt gegeven. Het besluit is dan ook in strijd met de Verordening. 17.1. Verweerder heeft nader gemotiveerd dat hiermee wordt verwezen naar het feit dat de vergunninghouder wil voldoen aan de investeringsregeling duurzame stallen. Dit maakt dat de investeringen verder gaan dan in het kader van de vergunningverlening was vereist. Deze uitleg acht de rechtbank voldoende. Voor zover eiser nu heeft betoogd dat onvoldoende is gebleken dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening, is de rechtbank, zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 5.4, van oordeel dat het tweede lid in de onderhavige situatie niet van toepassing is. 18. De beroepsgrond van eiser inhoudende dat zou zijn getoetst aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, in plaats aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft de gemachtigde van eiser ter zitting laten vallen. Dit betekent dat hetgeen hierover is aangevoerd geen verdere bespreking behoeft. 19. Eiser stelt dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat er geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit is echter wel aangewezen op grond van de Friese archeologische Monumentenkaart Extra, indien de ingreep meer dan 5000 m2 bedraagt. De daarin opgenomen vrijstelling is hier niet van toepassing, omdat het hier geen kleinschalige uitbreiding betreft van agrarische activiteiten. 19.1. Verweerder heeft zich thans op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen archeologisch onderzoek was uitgevoerd. Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen eiser naar voren heeft gebracht alsnog aanleiding gezien om een archeologisch onderzoek noodzakelijk te achten. Er heeft vervolgens een karterend booronderzoek d.d. 18 mei 2017 door Argeoboor plaatsgevonden in opdracht van vergunninghouder. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitkomst van het onderzoek de vergunningverlening niet in de weg staat. De gemachtigde heeft deze beroepsgrond daarom ter zitting laten vallen. 20. Eiser verwijst naar de brieven van de provincie d.d. 18 november 2014 en 18 november 2015 in het kader van vooroverleg over een eerder ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning en de huidige aanvraag. De rechtbank begrijpt dit standpunt van eiser aldus dat wordt betoogd dat door de provincie niet wordt ingestemd met een uitbreiding van meer dan 1,5 hectare. De rechtbank is echter van oordeel dat in de nieuwe situatie het bouwperceel een omvang heeft van 1,49 hectare, zodat dit geen strijd oplevert met het standpunt van de provincie zoals verwoord in de bovengenoemde brieven. 21. Eiser geeft tenslotte aan dat in de milieuvergunningen van 1993 en 2006 is opgemerkt dat het bedrijf onderdeel uitmaakt van de knelpuntenlijst 1993. Eiser vindt dat hiervoor onvoldoende aandacht is bij onderhavige vergunningverlening. Naar het oordeel van de rechtbank ligt thans echter enkel de aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van twee vleeskalverenstallen, het renoveren van twee bestaande vleeskalverenstallen en het aanleggen van een nieuwe inrit en het plaatsen van twee dichte mestzakken voor. Het enkele feit dat het bedrijf onderdeel uitmaakt van de knelpuntenlijst van 1993 staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan vergunningverlening in de weg. 22. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet echter, gelet op de door verweerder nader verrichte onderzoeken en gegeven motiveringen naar aanleiding van het door eiser ingestelde beroep, aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, en mr. R.L. Vucsán en mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.E. Melissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.