Rechtbank Noord-Nederland – ECLI:NL:RBNNE:2018:1983
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/830179-16 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 mei 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2018.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. ten Boer.
Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 1 december 2015 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer,in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten verdachtes recht op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door na te laten om aan de gemeente Hoogezand-Sappemeer te verstrekken: ten aanzien van de periode 1 april 2009 tot en met 31 december 2011:
Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde, nu naar zijn mening niet is te bewijzen dat verdachte opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De officier van justitie heeft veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de toekenningsbeslissing d.d.
15 oktober 2009 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer staat vermeld aan welke verplichtingen verdachte moest voldoen om voor een uitkering in aanmerking te kunnen komen. Desondanks heeft verdachte verzuimd om zijn administratie goed bij te houden en te bewaren waardoor hij niet (meer) volledig aan zijn inlichtingenverplichting kon voldoen.
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu naar zijn mening niet kan worden bewezen dat verdachte de inlichtingenverplichting heeft geschonden; opzettelijk noch in de overtredingsvariant. Verdachte heeft na de toekenning van zijn uitkering in 2009 zes jaren lang niets van de gemeente gehoord en mocht er daarom op vertrouwen dat hij in voldoende mate steeds aan zijn inlichtingenverplichting voldeed. Deze gedachte wordt ondersteund door de uitspraak van de bestuursrechter van 19 juni 2017 en het verslag van de Adviescommissie bezwaar- en beroep Sociale voorzieningen van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, waaruit is af te leiden dat verdachte voor wat betreft het leveren van door de gemeente gevraagde stukken binnen het kader van het toelaatbare is gebleven.
Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank past ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Om in aanmerking te komen en te blijven komen voor een uitkering krachtens de WWB/PW, verbindt de WWB/PV aan deze uitkering een aantal verplichtingen. Zo is de belanghebbende verplicht onder andere alle wijzigingen in de persoonlijke, gezins- en financiële situatie door te geven aan BWRI van de gemeente Hoogezand-Sappemeer. BWRI van de gemeente Hoogezand-Sappemeer was niet op de hoogte van het feit dat verdachte inkomsten had uit het maken van schilderijen. In ieder geval niet van de hoeveelheid schilderijen en de daaruit gegenereerde inkomsten. Ook nadat verdachte daarom is gevraagd heeft hij niet alle gevraagde gegevens geleverd aan BWRI waardoor zijn recht op bijstand niet is vast te stellen over de periode van 1 april 2009 tot 1 december 2015.
Naar aanleiding van het onderzoek inzake [verdachte] en de ingeleverde stukken is - samengevat - het volgende gebleken.
De toekenning aan verdachte van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan met ingang van 1 april 2009.
Daarbij is verdachte het volgende meegedeeld: "Wij verrekenen uw inkomsten uit de verkoop van schilderijen, die zijn gemaakt na 1 april 2009, per maand met uw uitkering, minus de onkosten die behoren bij het verkochte product. U moet de inkomsten en onkosten staven met bewijsstukken. U moet maandelijks een overzicht verstrekken met daarin de volgende gegevens:
Als er een contante verkoop was geweest dan kocht ik van dat geld nieuwe spullen. Wat ik contant kreeg daar heb ik geen nota's van. Als ze van tevoren hadden gezegd dat ze deze informatie allemaal wilden hebben, dan had ik ze dat kunnen geven. Ik heb geen agenda's bewaard. Ik heb de beslissing van de gemeente van 15 oktober 2009 wel ontvangen maar niet gelezen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte over de ten laste gelegde periode heeft verzuimd complete en deugdelijke overzichten van zijn inkomsten en onkosten, onderbouwd met bewijsstukken, zoals nota's, te verstrekken. Evenmin heeft verdachte een overzicht van gewerkte uren kunnen tonen.
De rechtbank overweegt dat een persoon die een uitkering krachtens de sociale zekerheidswetgeving ontvangt, geacht moet worden op de hoogte te zijn van zijn wettelijke verplichting om te allen tijde gegevens, die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van zijn recht op een uitkering, tijdig aan de betrokken uitkeringsinstantie door te geven, ook als daarom niet expliciet wordt gevraagd.
Verdachte is bij de hiervoor genoemde toekenningsbeslissing van 15 oktober 2009 van deze verplichtingen op de hoogte gesteld. De omstandigheid dat verdachte daar geen kennis van heeft genomen door de beslissing niet te lezen, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, maakt niet dat deze niet op hem van toepassing waren. Tevens maakt de omstandigheid dat de uitkerende instantie langere tijd niet naar alle gegevens heeft gevraagd, zoals door de raadsman is gesteld, niet dat verdachte daarom zijn administratie niet (meer) op orde behoefde te houden. Het verweer van de raadsman treft daarom geen doel.
De raadsman heeft verder gewezen op hetgeen de bestuursrechter en de Adviescommissie bezwaar- en beroep Sociale voorzieningen van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, ten aanzien van de zaak hebben overwogen. Het beoordelingskader van de strafrechter is evenwel een ander dan dat van de bestuursrechter, zodat de strafrechter niet gebonden is aan eerdere beslissingen van de bestuursrechter. Het is enkel aan de strafrechter om te beoordelen of het ten laste gelegde op grond van wettig en overtuigend bewijs kan worden bewezen. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer.
Bewezenverklaring De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 1 december 2015 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte nagelaten om aan de gemeente Hoogezand-Sappemeer te verstrekken: ten aanzien van de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2011:
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: subsidiair: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl deze gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gelet op zijn standpunt ten aanzien van de bewijsvraag geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft als bijstandsontvanger gedurende een periode van ruim zes en een half jaar nagelaten de inlichtingenverplichting op grond van de Wet Werk en Bijstand op juiste wijze na te leven. Hij heeft, hoewel hij daartoe behoorlijk op de hoogte is gesteld, geen deugdelijke overzichten bijgehouden van zijn inkomsten en uitgaven als kunstschilder, terwijl deze gegevens van belang waren voor het vaststellen van zijn recht op bijstand. Dit nalatig handelen van verdachte draagt bij aan ondermijning van het stelsel van sociale voorzieningen en het vertrouwen dat men daarin moet kunnen stellen.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Gelet op de blanco documentatie van verdachte en op de ouderdom van de zaak alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarvan ter terechtzitting en uit het reclasseringsrapport is gebleken, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2018.