← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2018:345

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaak-/rolnummer: 4239407 \ CV EXPL 15-6594 vonnis van de kantonrechter d.d. 6 februari 2018 inzake De besloten vennootschap JACHTHAVEN LAUWERSMEER B.V., gevestigd te Anjum, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. P.S. van Zandbergen, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. B. Korvemaker, Partijen zullen hierna Jachthaven Lauwersmeer en [gedaagde] worden genoemd. Procesverloop 1.

  1. Ingevolge het tussenvonnis van 13 juni 2017 heeft [gedaagde] op 11 juli 2017 nog een akte genomen. De wederpartij heeft desgevraagd geen aanleiding gezien om hierop nog te reageren. 1.
  2. Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Motivering 2.
  3. De kantonrechter neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist bij voormeld tussenvonnis. De verdere beoordeling van het geschil 2.
  4. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat op [gedaagde] de stelplicht en bewijslast rust van haar stelling dat zij geen overnachtingsvergoeding verschuldigd is bij een verblijf van derden in haar chalet(s). In dit verband heeft de kantonrechter het van belang geacht om te beoordelen wat partijen destijds zijn overeengekomen. De kantonrechter heeft [gedaagde] de gelegenheid gegeven zich nader uit te laten, omdat partijen verschillende gedragsregels in het geding hadden gebracht. Aan de ene kant de gedragsregels uit 1992, waarin de verschuldigdheid van een overnachtingsvergoeding wél is opgenomen, en aan de andere kant de gedragsregels uit 1998, waarin is vermeld dat de vergoeding voor verblijf van derden in de onderkomens niet geldt voor eigenaren van een koopkavel. 2.
  5. In haar akte na tussenvonnis heeft [gedaagde] het volgende - samengevat - gesteld. De gedragsregels uit 1992 waren gelet op de inhoud ervan bedoeld voor bezoekers van de jachthaven, degenen die een huurkavel hadden (met daarop een eigen chalet) en degenen die kampeerden op de Groote Siege. De regels voorzagen niet in de situatie waarin - zoals in het geval van [gedaagde] - recreanten een kavel in eigendom zouden kunnen hebben/verkrijgen. Dat is wat er medio jaren '90 gebeurde. [gedaagde] stelt dat zij na de aankoop van haar kavels aan het Westgat 15 en 16 mondeling met de directeur van Jachthaven Oostmahorn is overeengekomen dat een overnachtingsvergoeding niet verschuldigd zou zijn. Omdat de gedragsregels uit 1992 feitelijk niet werden toegepast ten aanzien van kaveleigenaren, zijn er in 1998 nieuwe gedragsregels opgesteld. Dat werden de "Gedragsregels Oostmahorn 1998", waarin onder andere is vastgelegd dat de eigenaren van een koopkavel geen overnachtingsvergoeding (voor gasten) verschuldigd waren. Individuele aanvaarding van deze gedragsregels heeft niet plaatsgevonden, maar in de gedragsregels is de gangbare praktijk vastgelegd dat eigenaren van koopkavels geen vergoeding betaalden. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar standpunt een verklaring overgelegd van de heer [bestuurder], destijds bestuurder van Jachthaven Oostmahorn, die daarin heeft aangegeven dat de afdracht van een overnachtingsvergoeding slechts gangbaar was bij huurkavels. [gedaagde] stelt dat de gedragsregels uit 1998 voor haar dus feitelijk geen gevolgen hebben gehad. Voor zover niet zou kunnen worden geoordeeld dat partijen in 1992 al direct een afwijking van de regels 1992 zijn overeengekomen (hetgeen wel het geval is in de ogen van [gedaagde]), moet de regel 1998 worden gezien als een definitief, formeel afzien van het maken van aanspraak op een overnachtingsvergoeding. [gedaagde] stelt tot slot dat bij dit alles bedacht moet worden dat Jachthaven Oostmahorn in 2011 is gefailleerd, dat de gedragsregels geen zakelijke werking hebben en dat gemaakte afspraken met het faillissement zijn geëindigd. 2.
  6. De kantonrechter ziet in hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd aanleiding om aan te nemen dat de gedragsregels van 1998 de tot dan toe gangbare praktijk hebben vastgelegd dat eigenaars van koopkavels, zoals [gedaagde], geen overnachtingsvergoeding hoefden te betalen. De kantonrechter kent doorslaggevende betekenis toe aan de - niet betwiste - stelling van [gedaagde] dat zij nooit een overnachtingsvergoeding heeft betaald en dat daarop ook nooit aanspraak is gemaakt, welke stelling wordt ondersteund door de verklaring van [bestuurder]. [gedaagde] heeft dan ook voldoende aangetoond dat zij geen overnachtingsvergoeding verschuldigd is geweest. Jachthaven Lauwersmeer heeft in het kader van haar verweer onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen hierover afspraken hebben gemaakt nadat Jachthaven Lauwersmeer parkeigenaar is geworden. De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aan Jachthaven Lauwersmeer geen vergoeding is verschuldigd voor het ontvangen van gasten in haar woningen en de (tijdelijke) verhuur daarvan, is daarom toewijsbaar. Wettelijke rente in conventie 2.
  7. De kantonrechter overweegt in aanvulling op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen (4.26) nog dat de wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd vanaf 18 juni
  8. Proceskosten in conventie en in reconventie 2.
  9. De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in conventie te compenseren nu partijen over en weer op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld. 2.
  10. Jachthaven Lauwersmeer zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op 218,75 (2,5 punten x tarief 0,5 x € 175,00). Slotsom 2.
  11. Met verwijzing naar al hetgeen is overwogen in dit vonnis en in het tussenvonnis van 13 juni 2017 komt de kantonrechter thans tot de volgende eindbeslissing. Beslissing De kantonrechter: in conventie 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Jachthaven Lauwersmeer van een totaalbedrag groot € 1.436,15, (zegge: een duizend vierhonderd zesendertig euro en vijftien cent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2015, tot aan de dag der algehele voldoening; 3.
  13. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  14. compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen; 3.
  15. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd; en in reconventie 3.
  16. verklaart voor recht dat in het tussen partijen overeengekomen jaarlijkse bedrag aan servicekosten reeds een bedrag voor huisvuilafvoer is begrepen, namelijk f 270,00 (omgerekend € 122,52) en dat er bij [gedaagde] alleen dan een extra bedrag voor huisvuilafvoer in rekening gebracht mag worden, indien blijkt dat het door [gedaagde] te betalen gedeelte van de werkelijke huisvuilafvoerkosten dit bedrag te boven gaat; 3.
  17. verklaart voor recht dat het door [gedaagde] te betalen vastrecht voor water is meegenomen in de jaarlijkse vergoeding van oorspronkelijk f 675,00 en dat [gedaagde] geen toeslag over het verbruik van drinkwater verschuldigd is; 3.
  18. verklaart voor recht dat [gedaagde] aan Jachthaven Lauwersmeer geen vergoeding is verschuldigd voor het ontvangen van gasten in haar woningen en voor de (tijdelijke) verhuur daarvan; 3.
  19. veroordeelt Jachthaven Lauwersmeer in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 218,75; 3.
  20. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Aldus gewezen door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier. c 518

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.