RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/3599 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 november 2018 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde eiser]), en de heffingsambtenaar van de gemeente Winsum, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde verweerder 1] en [gemachtigde verweerder 2]). Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2017 heeft verweerder aan eiser bij wijze van kennisgeving een factuur bekendgemaakt, waarbij leges ter zake van een omgevingsvergunning zijn geheven ten bedrage van € [bedrag 3],-. Bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. In 2008 heeft eiser bij de gemeente Winsum een omgevingsvergunning (hierna ook: bouwvergunning) aangevraagd betreffende de voorgenomen nieuwbouw van een ligboxenstal aan de [adres] te [plaats]. Deze aanvraag is na verloop van tijd door de gemeente ingetrokken. Er zijn geen leges geheven ter zake van deze aanvraag. 1.2. Het College van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Winsum (hierna: het college van B & W) heeft in 2013 met nummer [nummer 1] aan eiser een bouwvergunning verleend voor de bouw van het eerste deel van een ligboxenstal aan de [adres] te [plaats] (hierna ook: de 2013-vergunning). Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van die vergunning heeft verweerder met dagtekening 2 september 2014 bij kennisgeving leges van eiser geheven ten bedrage van € [bedrag 1]. De grondslag voor de heffing was € [grondslag 1]. De lengte van het eerste deel van de ligboxenstal was volgens de vergunning 90 meter. 1.3. Het college van B & W heeft naar aanleiding van een nieuwe aanvraag die (in verband met aardbevingsbestendig bouwen) zag op de bouw van de gehele ligboxenstal ineens (in plaats van in 2 delen), in 2015 met nummer [nummer 2] aan eiser een bouwvergunning verleend (hierna ook: de 2015-vergunning). Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van die vergunning heeft verweerder met dagtekening 27 augustus 2015 bij kennisgeving leges van eiser geheven ten bedrage van € [bedrag 2]. De bruto grondslag voor de heffing was € [grondslag 2], waarop de grondslag voor de aanvraag van de 2013-vergunning als bedoeld onder 1.2 in mindering is gekomen. De lengte van de gehele ligboxenstal was volgens de vergunning 134 meter. 1.4. Namens het college van B & W is op 27 september 2016 een zogeheten bouwstop opgelegd in verband met het overtreden van de 2015-vergunning. De toezichthouder van de gemeente heeft de bouw stilgelegd, omdat er in afwijking van de 2015-vergunning werd gebouwd. Blijkens de brief van 6 oktober 2016 (bijlage 10 van het verweerschrift) kon de bouwstop worden opgeheven door een nieuwe aanvraag in te dienen. In die brief stond onder meer vermeld:“Wij zijn van mening dat er sprake is van een gewijzigde situatie waarvoor een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning moet worden ingediend. Na overleg met de portefeuillehouder is de bouwstop opgeheven onder de volgende voorwaarde:- binnen veertien dagen na het opheffen van de bouwstop (op 29 september 2016) moet een volledig ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning zijn ingediend via het omgevingsloket”. 1.5. Eiser heeft vervolgens op 3 oktober 2016 een nieuwe aanvraag ingediend en naar aanleiding daarvan heeft het college van B & W aan eiser met nummer [nummer 3] een bouwvergunning verleend voor de bouw van de ligboxenstal (hierna ook: de 2017-vergunning). Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van die vergunning heeft verweerder met dagtekening 9 mei 2017 bij kennisgeving leges van eiser geheven ten bedrage van € [bedrag 3]. De grondslag voor de heffing was € [grondslag 3]. De lengte van de ligboxenstal was volgens de vergunning 84 meter. 1.6. Bijlage 4 bij bijlage 6 bij het verweerschrift betreft een stuk gedateerd 27 oktober 2016, waar bovenaan staat vermeld "Deelgoedkeuring 2 stal (gewijzigde stal), oktober 2016". Het onderwerp is: “Het bouwen van een (gewijzigde) ligboxenstal op het perceel [adres] in [plaats]”. De gemeente schrijft vervolgens in deze brief onder 'Notitie': “Dit betreft een gewijzigd bouwplan voor de stal. De eerder afgegeven beoordeling voor de stal vervalt hiermee”. 1.7. In de tarieventabel behorende bij de legesverordening 2016 van de gemeente Winsum (hierna: de tarieventabel) is een post opgenomen waarin het tarief van de leges staat vermeld voor gevallen waarin het een 'geringe wijziging' betreft. Dit is post 2.7.1 en de tekst daarvan is de volgende:“Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: € 140,80”. Geschil en beoordeling 2. In geschil is de vraag of het in behandeling nemen van de aanvraag van de 2017-vergunning onder post 2.3.2.1.3 van de tarieventabel valt, zoals verweerder voorstaat, of dat het in behandeling nemen van de aanvraag van de 2017-vergunning onder post 2.7.1 van de tarieventabel valt, zoals eiser betoogt. Voor het geval dat de rechtbank zal oordelen dat post 2.7.1 van de tarieventabel niet van toepassing is, heeft eiser gesteld dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden en dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Voor het geval dat de rechtbank eiser op alle punten in het ongelijk stelt, is niet in geschil dat de leges correct zijn geheven. 3. De rechtbank stelt voorop dat in dit kader een zelfstandige, fiscale beoordeling moet worden verricht. Het gaat immers om de toepassing van de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel en niet om een beoordeling van de begrippen en voorschriften uit hoofde van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna ook: Wabo). De heffingsambtenaar past fiscale regels toe. Bij de heffing van leges moet dus door een fiscale bril worden gekeken en niet, althans niet alleen, door de bril van de Wabo. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven deze opvatting te delen. 4. In aansluiting daarop overweegt de rechtbank het volgende. Waar het gaat om leges ter zake van omgevingsvergunningen wordt weliswaar herhaaldelijk geput uit het begrippenkader van de Wabo, maar dat betekent niet dat alle begrippen uit de tarieventabel uitsluitend of zoveel mogelijk conform de Wabo moeten worden uitgelegd. Ter illustratie wijst de rechtbank op post 2.3.2.1 van de tarieventabel, waarin uitdrukkelijk staat: '(…) een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo'. In een dergelijk geval is het duidelijk dat het begrippenkader één op één overeen komt. Dat is echter anders waar het gaat om de toepassing van post 2.7.1. Daarin staat immers geen enkele verwijzing naar de Wabo (zie 1.7). De beoordeling of er sprake is van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project moet daarom plaatsvinden vanuit het perspectief van de heffing van leges. Die heffing vindt haar rechtvaardiging doordat de kosten van het gemeentelijk apparaat dat belast is met het in goede banen leiden van bouwactiviteiten, min of meer worden omgeslagen over de burgers en bedrijven die dergelijke kosten veroorzaken (het profijtbeginsel). 5. Verweerder heeft gesteld dat de leges ter zake van de aanvraag van de 2017-vergunning zijn aangekondigd in de verleende omgevingsvergunning. Als eiser het niet met die leges eens was, had hij bezwaar kunnen maken. Door dat niet te doen, heeft eiser zich kennelijk neergelegd bij de beoordeling dat er sprake is van een nieuwe aanvraag die valt onder post 2.3.2.1.3 van de tarieventabel. Dat standpunt acht de rechtbank, zeker in het licht van het hiervoor onder 3 en 4 overwogene, onjuist. De verlening van de vergunning vindt niet plaats door de heffingsambtenaar, maar door een ander bestuursorgaan (het college van B & W). De berekende leges die in de verleende omgevingsvergunning van 25 april 2017 staan, zijn bij wijze van aankondiging opgenomen als serviceverlening door het college van B & W. In de begeleidende brief staat zelfs expliciet: 'Voor betaling van dit bedrag ontvangt u een gespecificeerde nota van de heffingsambtenaar. Tegen de in rekening gebrachte kosten kunt u eventueel bezwaar aantekenen bij de gemeente'. Ook het college van B & W zelf verwijst eiser dus naar de heffingsambtenaar, als hij in discussie wil over de hoogte van de leges. Het doet dus niet ter zake dat eiser niet tegen deze 'aankondiging' van de verwachte hoogte van de leges in de verleende omgevingsvergunning in rechte is opgekomen. In de rechtsgang tegen de omgevingsvergunning zou overigens ook geen plaats zijn voor een fiscale beoordeling van te heffen of geheven leges, aangezien de fiscale regels uit de Gemeentewet en de AWR daar geen rol spelen. 6. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de 2013-vergunning, de 2015-vergunning en de (aanvraag van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.