beslissing RECHTBANK NOORD NEDERLAND Wrakingskamer zaaknummer: C/18/186377/ PR RK 18/262 Beslissing van 26 september 2018 op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door: [naam] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoekster, strekkende tot de wraking van mr. H.J. Bastin, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.
- Verzoekster heeft op 8 augustus 2018 ter zitting mondeling de wraking verzocht van de rechter (mr. H.J. Bastin) in de bij deze rechtbank, afdeling bestuursrecht, aanhangige zaak met zaaknummer 18/
- 1.
- De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.
- Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank (wrakingskamer) van 12 september
- Verzoekster is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De gewraakte rechter is verschenen. 2De beoordeling 2.1 Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.
- Verzoekster baseert het verzoek tot wraking op een eerdere uitspraak van mr. H.J. Bastin ten aanzien van Noorderzon. Verder is verzoekster van mening dat vooringenomenheid blijkt uit uitspraken die de rechter ter zitting heeft gedaan. 2.
- De rechtbank stelt voorop dat een rechter alleen gewraakt kan worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. 2.
- De rechtbank stelt vast dat verzoekster het niet eens is met een eerdere uitspraak van mr. Bastin in een procedure ten aanzien van het evenement Noorderzon. De onderhavige wrakingsprocedure ziet echter niet op een beoordeling van de inhoudelijke juistheid van die uitspraak. Voor een beoordeling van de juistheid van die uitspraak dient het middel hoger beroep. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. De enkele omstandigheid dat verzoekster het niet eens is met de inhoud van die uitspraak is daarvoor onvoldoende. Dat mr. Bastin op grond van de eerdere uitspraak in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure vooringenomen is, is gesteld noch gebleken. 2.
- Verzoekster heeft aan het verzoek voorts ten grondslag gelegd dat de rechter bepaalde uitlatingen ter zitting heeft gedaan waaruit vooringenomenheid blijkt. Zo heeft de rechter opgemerkt dat het Noorderplantsoen geen natuurgebied is, maar de bestemming "groen" heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat de rechter vooringenomen is. De rechter heeft verzoekster slechts het kader voorgelegd, waarbinnen de aanvraag om een evenementenvergunning te verlenen getoetst dient te worden. Ook uit een eventuele opmerking over de bomen, die door de rechter overigens weersproken wordt, of andere door de rechter gedane opmerkingen kan niet worden afgeleid dat er sprake is van vooringenomenheid van de rechter of dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. 2.
- De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid in deze of toekomstige zaken schade zou kunnen lijden en derhalve geen grond voor wraking vormen. Het verzoek tot wraking dient daarom afgewezen te worden. 2.7.
- Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb geeft de rechtbank de bevoegdheid om in geval van misbruik te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen. Volgens de tweede volzin van dit artikellid wordt hiervan in de beslissing melding gemaakt. 2.7.
- De rechtbank is van oordeel dat verzoekster met het indienen van drie opeenvolgende wrakingsverzoeken in de onderhavige procedure, misbruik heeft gemaakt van het rechtsmiddel van wraking. 2.7.
- De rechtbank wijst verzoekster erop dat bij een volgend verzoek om wraking van de behandelende rechter toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb ertoe zal leiden dat een dergelijk verzoek om die reden niet in behandeling zal worden genomen. 3De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek tot wraking van de rechter af; - beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden; - beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek; - bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen. Deze beslissing is gegeven door de mr. P.G. Wijtsma, voorzitter en mrs. M. Griffioen en P. Molema, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.