RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Assen zaak-/rolnummer.: 7287716 AR VERZ 18-64 en 7291649 AR VERZ 18-65 beschikking van de kantonrechter van 21 december 2018 [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64, alsmede verwerende partij in de zaak met zaaknummer 7291649 AR VERZ 18-65, gemachtigde: mr. L. Sandberg te Hoogeveen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOLKESTEIJN INFRASTRUCTUUR B.V., gevestigd te Hoogeveen, verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64, alsmede verzoekende partij in de zaak met zaaknummer 7291649 AR VERZ 18-65, gemachtigde: mr. M.M.J.M. Hagenaars- de Gauw te Utrecht. Partijen zullen hierna [verzoeker] en Bolkesteijn worden genoemd. 1Het procesverloop In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 1.
- [verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2018, verzocht om, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. De opzegging van de arbeidsovereenkomst per 22 augustus 2018 te vernietigen; II. Bolkesteijn te veroordelen om [verzoeker] toe te laten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden als opperman/stratenmaker op de gebruikelijke tijdstippen en voorwaarden, althans op het moment dat [verzoeker] niet meer arbeidsongeschikt is, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte daarvan, gedurende welke Bolkesteijn in gebreke blijft aan deze veroordeling volledig te voldoen; III. Bolkesteijn te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 1.131,36 bruto wegens het vanaf 13 augustus 2018 tot de datum van het ontslag achterstallig loon vermeerderd met de wettelijke en overeengekomen toeslagen (€ 896,00 x 8% + € 163,68 conform cao); IV. Bolkesteijn te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen ingaande 22 augustus 2018 tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd: a. de somma van € 2.240,00 bruto als loon te betalen per vier weken bij nabetaling, vermeerderd met de wettelijke overhevelingstoeslag; b. de somma van € 358,00 bruto aan vakantiebijslag, zijnde het openstaande bedrag per 12 augustus 2018, te betalen op de bij de wet aangegeven tijdstippen; c. de overige wettelijke en overeengekomen toeslagen te betalen op de tijdstippen bij overeenkomst of wet aangegeven, meer in het bijzonder: - € 163,68 per vier weken conform UTA, - € 14,52 per vier weken aan pensioenaanvulling, - € 113,94 per vier weken aan pensioen, - € 15,40 per vier weken aan pensioen aanvulling 55, - € 1,05 per vier weken aan arbeidsongeschiktheidspensioen, - € 3,14 per vier weken in verband met aanvullingsfonds, waarvan de sub 2 t/m 6 genoemde bedragen dienen te worden voldaan ten behoeve van [verzoeker] aan BPF Bouw, dan wel de partijen waaraan genoemde bedragen conform arbeidsovereenkomst c.q. cao dienen te worden voldaan en voor wat deze laatste bedragen betreft op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan gedurende welke Bolkesteijn in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; d. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub III en IV a en b gevorderde; e. de wettelijke rente over sub III en IV a tot en met d gevorderde bedragen, voor wat betreft de bedragen welke opeisbaar zijn op het tijdstip van dagvaarding vanaf het tijdstip van opeisbaarheid en voor wat betreft de bedragen welke nadien opeisbaar worden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag der algehele voldoening; V. Bolkesteijn te veroordelen tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie met betrekking tot het bepaalde onder punt III en IV een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat Bolkesteijn na betekening van deze beschikking in strijd met dit gebod handelt. Subsidiair: I. Indien de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig zal zijn geëindigd op 22 augustus 2018, Bolkesteijn te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen: a. het primair sub III genoemde achterstallig loon c.a. ten bedrage van € 1.131,36; b. een bedrag van € 358,40 ter zake van vakantiebijslag; c. een bedrag van € 4.636,80 in verband met onregelmatige opzegging; d. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub a en b gevorderde; e. de wettelijke rente over de sub a tot en met d gevorderde bedragen vanaf datum opeisbaarheid, subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening; f. de transitievergoeding, berekend conform punt 16 van het verzoekschrift; g. een billijke vergoeding ad € 20.000,- bruto; h. Bolkesteijn te veroordelen tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie met betrekking tot het bepaalde onder punt a,b,c,f en g, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat Bolkesteijn na betekening van deze beschikking in strijd met dit gebod handelt; Primair en subsidiair: I. Bolkesteijn te veroordelen tot het betalen van al hetgeen [verzoeker] recht op heeft uit hoofde van reistijdvergoeding alsmede overurenvergoeding in de periode 22 april 2014 tot en met 22 augustus 2018, onder overlegging van een deugdelijke onderbouwing middels afgifte van alle urenstaten waaruit de gewerkte uren per locatie van verzoeker blijken, alsmede Bolkesteijn te veroordelen tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat Bolkesteijn na betekening van deze beschikking in strijd met deze geboden handelt; II. Bolkesteijn te veroordelen in de kosten van dit geding, een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [verzoeker] daaronder begrepen. 1.
- Bolkesteijn heeft op 13 november 2018 een verweerschrift ingediend en een zelfstandig verzoek gedaan om bij beschikking indien en voor zover de opzegging vernietigd wordt de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) te ontbinden zonder rekening te houden met een opzegtermijn en zonder toewijzing van een vergoeding, alsmede [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen. In de zaak met zaaknummer 7291649 AR VERZ 18-65 1.
- Bolkesteijn heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2018, welk verzoek zij ter zitting heeft gewijzigd, verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan Bolkesteijn van een gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 3.486,88, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. 1.
- [verzoeker] heeft op 12 november 2018 een verweerschrift ingediend. 1.
- Op 22 november 2018 heeft een zitting plaatsgevonden waarbij bovenstaande verzoeken zijn behandeld. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht. In de zaken met zaaknummers 7287716 AR VERZ 18-64 en 7291649 AR VERZ 18-65 2De feiten 2.
- Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de stukken, staat in dit geding het volgende vast. 2.
- [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 10 februari 2016 in dienst getreden bij Bolkesteijn als Grondwerker voor 32 uur per week. 2.
- In de arbeidsovereenkomst staat in artikel 1.5 vermeld dat de CAO voor de Bouw en Infra van toepassing is indien en voor zover deze algemeen verbindend is verklaard en dat indien de CAO niet algemeen verbindend is verklaard, eventueel afwijkende bepalingen zoals deze in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen weer in werking treden. 2.
- Op 22 augustus 2018 heeft op het kantoor van Bolkesteijn een gesprek plaatsgevonden tussen de heren [A] en [B] en [verzoeker] . Daarbij is door Bolkesteijn aangegeven dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] door middel van een beëindigingsovereenkomst dan wel een ontslagprocedure wil beëindigen. Bolkesteijn heeft tijdens het gesprek aangegeven dat [verzoeker] de bedrijfsbus in diende te leveren. [verzoeker] is na het gesprek vertrokken. Er heeft geen ondertekening van de beëindigingsovereenkomst plaats gevonden. 2.
- De heer [A] en de heer [B] zijn na het gesprek naar de woning van [verzoeker] gereden om de bedrijfsbus op te halen. Op dat moment was [verzoeker] niet thuis. Wel waren zijn vader en schoonvader bij de woning aanwezig. De heer [B] is met de bedrijfsbus weggereden. Op het moment dat de heer [A] in zijn bus weg wilde rijden, arriveerde [verzoeker] . Van deze ontmoeting met [verzoeker] heeft de [A] geluidsopnamen gemaakt. 2.
- Op 22 augustus 2018 heeft Bolkestijn [verzoeker] ontslag op staande voet aangezegd. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende vermeld: "Hiermee delen wij u mee dat u met ingang van vandaag op staande voet bent ontslagen. De reden hiervoor is dat u uw werkgever, de heer [A] , fysiek hebt bejegend door hem 4 keer te slaan op zowel armen als hoofd. Van dit feit is afzonderlijk aangifte gedaan bij de politie. Nadat u, kort hiervoor, verteld is dat er voor u ontslag wordt aangevraagd c.q. dat u een vaststellingsovereenkomst kunt tekenen om uw contract te beëindigen wegens diverse omstandigheden zijn uw werkgever en een medewerker naar uw huis gereden om de bus op te halen. Hier hebben bovenstaande feiten plaatsgevonden. Ik ga er vanuit u hiermee te hebben geïnformeerd en verzoek u alle zaken, welke mij toebehoren, binnen een week na heden bij mij in te leveren c.q. in te laten leveren. Indien wij constateren dat na bovenstaande week nog zaken missen zullen wij deze verrekenen met uw nog toekomende loon.". 2.
- Op 22 augustus 2018 heeft de heer [A] aangifte gedaan van mishandeling gepleegd door [verzoeker] . In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer het volgende vermeld: "Opmerking verbalisant: Ik maak foto's van zichtbaar letsel aan het oor en nek. Ik kan geen letsel waarnemen aan kaak of borst of schouder.". 2.
- [verzoeker] heeft zich op 23 augustus 2018 bij Bolkesteijn ziek gemeld 2.
- Op 24 augustus 2018 heeft de huisarts van de heer [A] het volgende geconstateerd: S conflict gehad met werknemer; al langer moeizame S relatie, afgelopen week werknemer op S staande voet ontslagen; woe 22 aug 4x geslagen in S gezicht, aangifte gedaan bij politie, advies S letsel beoordelen bij huisarts. S werknemer heeft meerdere collega's mishandeld/ S getreiterd, ook drugs gebruikt op werk. S letsel: meerdere keren li op gelaat geraakt. pijn S li kaak/ oor/ li schouder 0 schaafwond li oorschelp en li hals, lichte O zwelling/ hematoom oorschelp. pijn bij volledig O openen kaak tpv li temporornandib gewricht. geen O aanwijzing voor fractuur. pijnlijke passieve O abductie li schouder, licht beperkt. E schaafwond/ kneuzingen P gesprek; zn rev 2.
- [verzoeker] heeft bij brief van 11 september 2018 aangegeven niet in te stemmen met de onmiddellijke opzegging en heeft doorbetaling van zijn loon gevorderd. Hij heeft zich bereid verklaard de overeengekomen werkzaamheden te blijven verrichten, althans zich beschikbaar te houden om te worden opgeroepen door de bedrijfsarts. 2.
- Bij brief van 19 september 2018 heeft de officier van justitie [verzoeker] laten weten dat hij wegens onvoldoende bewijs niet over gaat tot vervolging van [verzoeker] . 3De standpunten van partijen In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 3.
- [verzoeker] stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat het aan hem gegeven ontslag op staande voet in strijd is met het bepaalde in artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW). Hij betwist dat hij de heer [A] op 22 augustus 2018 zou hebben geslagen, laat staan dat dit vier maal is gebeurd, zowel op armen als hoofd. Bolkesteijn heeft van zijn stelling op geen enkele wijze bewijs geleverd. 3.
- Bolkesteijn verweert zich tegen het verzoek. Zij voert samengevat aan dat [verzoeker] haar directeur, de heer [A] op 22 augustus 2018 vier keer heeft geslagen op het hoofd en armen. [verzoeker] heeft hiermee een dringende reden voor ontslag gegeven. In 2016 heeft [verzoeker] een officiële schriftelijke waarschuwing gekregen voor intimidatie c.q. respectloos omgaan met collega's en andere personen. Daarbij is aangegeven dat een herhaling van dit gedrag zou kunnen leiden tot een ontslag, al dan niet op staande voet. Op en rond 15 augustus 2018 bleek [verzoeker] zich opnieuw te hebben misdragen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Toen de heer [A] hierover met [verzoeker] in gesprek wilde gaan, heeft [verzoeker] een grote mond opgezet tegen de heer [A] . Dit heeft geleid tot het gesprek op kantoor van 22 augustus
- [verzoeker] is boos bij dit gesprek weggelopen. In de zaak van het voorwaardelijke tegenverzoek 3.
- Primair vordert Bolkestein ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW, omdat er sprake is van verwijtbaar handelen zijdens [verzoeker] door mishandeling van de directeur van Bolkesteijn. [verzoeker] heeft het in hem door Bolkesteijn gestelde vertrouwen onherstelbaar beschadigd door zijn verwijtbaar handelen. Van Bolkesteijn kan in redelijkheid dan ook niet langer worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voort te laten duren. Herplaatsing ligt in geen geval in de rede. Subsidiair is er volgens Bolkesteijn sprake van een verstoorde arbeidsrelatie op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Het herhaald verwijtbaar handelen van [verzoeker] heeft het vertrouwen van Bolkesteijn in hem ernstig geschaad. [verzoeker] heeft bij herhaling blijk gegeven zich niet volgens de normen van het goed werknemerschap te kunnen gedragen. Een schriftelijke waarschuwing met daarin aangegeven dat dergelijk gedrag tot ontslag kan leiden, heeft niet geholpen. Herplaatsing van [verzoeker] is uitgesloten. 3.
- [verzoeker] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat er geen grondslag is voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In de zaak met zaaknummer 7291649 AR VERZ 18-65 3.
- Bolkesteijn is van mening dat [verzoeker] haar een dringende reden voor ontslag heeft gegeven. [verzoeker] is derhalve schadeplichtig op grond van artikel 7:677 lid 2 juncto lid 3 BW. 3.
- [verzoeker] voert verweer strekkende tot afwijzing van dit verzoek. 4Beoordeling In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 4.
- Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de verzoeken en het tegenverzoek dermate verweven dat deze gezamenlijk beoordeeld kunnen worden. De primaire verzoeken 4.
- Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of Bolkesteijn met het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] rechtsgeldig heeft doen eindigen. [verzoeker] betwist dat er sprake is van een dringende reden en dat deze onverwijld is gegeven. 4.
- Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van de partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd ‘zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.’ 4.
- Bij de beoordeling of er sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hierbij moeten de aard en de ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Ook indien de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was. In dat verband overweegt de kantonrechter als volgt. 4.
- Van belang in deze zaak is wat er zich op 22 augustus 2018 op de oprit bij de woning van [verzoeker] heeft afgespeeld. De heren [A] en [B] zijn die dag na een gesprek met [verzoeker] op kantoor, waarbij Bolkesteijn heeft aangegeven de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] te willen ontbinden, naar de woning van [verzoeker] gegaan om de bedrijfsbus van Bolkesteijn op te halen, die nog bij [verzoeker] aan huis stond. Op het moment dat zij bij de woning aan kwamen, was [verzoeker] niet thuis. Wel waren de vader en schoonvader van [verzoeker] bij de woning aanwezig. Op het moment dat [B] met de bedrijfsbus weg rijdt, komt [verzoeker] in zijn auto bij de woning aan. [verzoeker] heeft verklaringen van zijn vader en schoonvader in het geding gebracht van hetgeen zich tussen [verzoeker] en de heer [A] zou hebben afgespeeld, terwijl de heer [A] ter zitting de geluidsopnamen heeft afgespeeld van het incident. Zowel de vader als de schoonvader van [verzoeker] doen in hun verklaringen voorkomen dat de heer [A] die dag boos en dreigend bij de woning van [verzoeker] verschijnt, terwijl uit de geluidsopnamen blijkt dat de heer [A] hen op een rustige toon vraagt waar [verzoeker] is. Tevens geeft de vader van [verzoeker] in zijn verklaring aan dat de heer [A] direct tegen [verzoeker] tekeer ging, terwijl ook hier niet van blijkt uit de geluidsopnamen. Nu de verklaringen van beide mannen op een aantal punten niet overeenkomen met de door Bolkesteijn afgespeelde geluidsfragmenten, zullen deze verklaringen buiten beschouwing worden gelaten. Op de geluidsopnamen is duidelijk te horen dat [verzoeker] agressief op de heer [A] reageert vanwege het feit dat de bedrijfsbus is meegenomen, dat hij in deze toestand op de heer [A] af komt lopen waarna op initiatief van [verzoeker] een schermutseling plaatsvindt. Hoewel hiermee niet vaststaat dat [verzoeker] de heer [A] vier keer heeft geslagen op zowel armen als hoofd, staat hiermee naar het oordeel van de kantonrechter wel vast dat [verzoeker] de heer [A] fysiek heeft bejegend. Dat het hierbij om meer ging dan wat geduw over en weer, kan worden afgeleid uit het letsel dat de heer [A] hierbij heeft opgelopen. Bij de aangifte op het politiebureau heeft de verbalisant zichtbaar letsel aan oor en nek van de heer [A] geconstateerd. Blijkens de uitdraai uit het patiëntendossier van de heer [A] heeft zijn huisarts eveneens letsel geconstateerd als een schaafwond aan de linkeroorschelp en aan de linkerzijde van de hals, een lichte zwelling/hematoom aan de oorschelp, een schaafwond en kneuzingen. 4.
- Dat slechts een gedeelte van de aangevoerde dringende reden hiermee is komen vast te staan, namelijk de fysieke bejegening, kan er niet toe leiden dat er geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Vast is komen te staan dat [verzoeker] de heer [A] fysiek heeft bejegend, hetgeen letsel bij laatstgenoemde heeft veroorzaakt. Dit gedeelte levert op zichzelf beschouwd, ongeacht of [verzoeker] de heer [A] daarbij vier keer op zijn armen en hoofd heeft geslagen, een dringende reden op voor een ontslag op staande voet. Bolkesteijn heeft ook gesteld dat hij [verzoeker] vanwege het fysieke geweld jegens haar directeur heeft ontslagen en dit is gelet op de wijze waarop dit in de ontslagbrief is verwoord ook duidelijk voor [verzoeker] geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter is de onmiddellijke beëindiging van het dienstverband onder gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geweest. De door [verzoeker] gestelde persoonlijke omstandigheden - [verzoeker] stelt dat hij ten tijde van het voorval depressief was en last had van spanningsklachten - leiden niet tot een ander oordeel. Dat hiervan sprake was, is door [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bolkesteijn was hiervan ook niet op de hoogte, zodat zij daarmee geen rekening heeft kunnen houden bij haar beslissing om [verzoeker] op staande voet te ontslaan. Maar ook als [verzoeker] op het moment van het voorval depressief was dan wel te kampen had met spanningsklachten, dan nog was de aangevoerde reden voldoende dringend om het gegeven ontslag te rechtvaardigen. Het verzoek tot vernietiging van het door Bolkesteijn gegeven ontslag op staande voet zal dan ook worden afgewezen. De vorderingen tot betaling van het loon, de wettelijke verhoging en wettelijke rente zullen eveneens worden afgewezen. De subsidiaire verzoeken Achterstallig loon 4.
- [verzoeker] heeft subsidiair verzocht om toekenning van loon over de periode 13 augustus 2018 tot 23 augustus
- Nu de arbeidsovereenkomst op 22 augustus 2018 is opgezegd, ziet de kantonrechter aanleiding om het tot die datum gevorderde loon toe te wijzen. Daarbij zal worden aangesloten bij het door Bolkesteijn berekende bedrag nu [verzoeker] aan zijn verzoek geen berekening ten grondslag heeft gelegd. Dit betekent dat een bedrag van € 1.033,15 bruto zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Bolkestein zal worden veroordeeld om hiervan een deugdelijke bruto/netto specificatie over te leggen. Het verzoek om hieraan een dwangsom te verbinden zal worden afgewezen, nu nergens uit blijkt dat Bolkesteijn deze veroordeling niet na zal komen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om de wettelijke verhoging toe te wijzen. 4.
- Met betrekking tot de door [verzoeker] gevorderde vakantiebijslag overweegt de kantonrechter dat Bolkesteijn heeft aangegeven dat het gevorderde vakantiegeld over 2018 pas in juni 2019 opeisbaar is gezien het bepaalde in artikel 17 van de Wet minimumloon en vakantiebijslag. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. 4.
- [verzoeker] heeft voorts verzocht om Bolkesteijn te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht gegeven is, omdat daarvoor een dringende reden was. Hoewel een dringende reden niet zondermeer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen, in dit geval ook een ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en het verzoek van [verzoeker] zal worden afgewezen. 4.
- Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het subsidiaire verzoek van de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding eveneens worden afgewezen. 4.
- Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging is niet toewijsbaar nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Reisuren en overuren 4.
- [verzoeker] heeft in deze procedure tevens uitbetaling van overuren en reistijdenvergoeding op grond van de cao Bouw en Infra verzocht. Bolkesteijn heeft in dit kader een beroep op rechtsverwerking gedaan, omdat [verzoeker] nooit eerder aanspraak heeft gemaakt op deze vergoedingen. De kantonrechter overweegt dat voor het aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop of stilzitten onvoldoende is. Het verweer van Bolkesteijn wordt dan ook verworpen. 4.
- Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] op 16 februari 2016 bij Bolkesteijn in dienst is getreden, zodat de vordering met betrekking tot de reisuren en overuren slechts met ingang van die datum kunnen worden toegewezen. Verder is van belang dat in artikel 1.5 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de CAO slechts van toepassing is indien en voor zover deze algemeen verbindend is verklaard en eventueel afwijkende bepalingen uit de arbeidsovereenkomst in werking treden indien de CAO niet algemeen verbindend is verklaard. De kantonrechter is met Bolkesteijn van oordeel dat in de periode dat er geen CAO algemeen verbindend is verklaard, de bepalingen uit de CAO hun werking verliezen, nu er geen afwijkende bepalingen in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen. Dit betekent dat, mocht [verzoeker] op grond van de bepalingen al aanspraak kunnen maken op betaling van overuren en een reiskostenvergoeding, dit slechts geldt voor de periodes dat de CAO algemeen verbindend was verklaard. Dit was het geval voor de periodes 8 april 2016 tot en met 31 januari 2017 en van 29 juni 2017 tot en met 1 april
- 4.
- Bolkesteijn heeft de verzoeken met betrekking tot de reisuren en de overuren betwist. Nu Bolkesteijn in het bezit is van de urenadministratie rust op hem een verzwaarde stelplicht en zal hij de relevante gegevens zoals de manurenregistratie in het geding dienen te brengen. [verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld om aan de hand van deze gegevens zijn verzoek concreet te onderbouwen. Gelet op het bepaalde in artikel 686a lid 10 BW zal het verzoek met betrekking tot de overuren en reiskostenvergoeding worden afgesplitst zoals hieronder onder de beslissing volgt. Het tegenverzoek 4.
- Nu het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging wordt afgewezen, en er dus thans geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zal het verzoek van Bolkesteijn wegens het niet zijn ingetreden van de voorwaarde worden afgewezen. Kostenveroordeling 4.
- Gelet op de uitkomst van de zaak, zal [verzoeker] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure ten aanzien van zijn verzoeken worden veroordeeld, terwijl in het tegenverzoek de proceskosten over en weer door de kantonrechter worden gecompenseerd. In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 4.
- Artikel 7:677 lid 2 BW bepaalt dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding is verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 is geoordeeld dat het ontslag op staande voet is gelegen in aan [verzoeker] toe te rekenen, ernstig verwijtbare, gedragingen. Daarmee is sprake van de in dit artikel bedoelde schuld. Het verzoek ligt derhalve voor toewijzing gereed. 4.
- [verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Bolkesteijn begroot op een bedrag van € 476,00 aan griffierecht en € 600 aan salaris gemachtigde. 5De beslissing De kantonrechter: In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 in de zaak van de verzoeken 5.
- veroordeelt Bolkesteijn tot betaling van € 1.033,15 bruto aan achterstallig loon; 5.
- veroordeelt Bolkesteijn tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie van bovenstaand bedrag; 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van Bolkesteijn tot deze uitspraak begroot op een bedrag van € 600,00 aan salaris gemachtigde; 5.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak van het tegenverzoek 5.
- wijst het verzoek af; 5.
- compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt; in de nevenverzoeken van het verzoek van [verzoeker] 5.
- splitst af de nevenverzoeken tot betaling van een reistijdenvergoeding en een overurenvergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:686a lid 10 BW onder zaak-/rolnummer 7370331 AR VERZ 18-72; 5.
- veroordeelt Bolkesteijn om uiterlijk op 21 januari 2018 te overleggen de urenstaten waaruit de gewerkte uren per locatie van [verzoeker] blijken vanaf 16 februari 2016; 5.
- stelt [verzoeker] in de gelegenheid om hier binnen 4 weken op te reageren en een afschrift hiervan aan Bolkesteijn te sturen, waarna Bolkesteijn in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen 4 weken te reageren; 5.
- houdt in deze zaak iedere verdere beslissing aan. In de zaak met zaaknummer 7287716 AR VERZ 18-64 5.
- veroordeelt [verzoeker] tot betaling van een bedrag van € 3.486,88 bruto; 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van Bolkesteijn begroot op een bedrag van € 1.076,00; 5.
- verklaart de beslissing voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018 door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier. c: 353/md