← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2019:1474

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/830291-18 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/208598-17 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 april 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] , thans gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 april

  1. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Diest, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
  2. zij op of omstreeks 25 november 2018, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans om aan die [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes meermalen, althans eenmaal, stekende en/of prikkende bewegingen naar en/of in de richting van de borst, althans (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
  3. zij op of omstreeks 25 november 2018, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: - een mes te tonen aan en/of te richten op het lichaam van, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en/of - (daarbij) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "I kill you, i kill everybody", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - met een mes meermalen, althans eenmaal, stekende en/of prikkende bewegingen naar en/of in de richting van de borst, althans (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] te maken;
  4. zij op of omstreeks 25 november 2018, in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te slaan en/of te krabben; Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 3 april
  5. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Feit 1 is wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de aangifte van [slachtoffer 1], de getuigenverklaringen van [getuige] en de getuigenverklaring van [slachtoffer 2]. Aangever en getuige [getuige] verklaren dat verdachte met kracht weerstand bood aan aangever [slachtoffer 1] die probeerde haar het mes af te pakken. Nu verdachte met kracht het mes in de richting van het lichaam van aangever probeerde te drukken terwijl zij schreeuwde: ‘I kill everybody’ acht de officier van justitie bewezen dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer. Feit 2 is wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en daarnaast de verschillende getuigenverklaringen uit het dossier. Feit 3 is wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de aangifte van aangever [slachtoffer 2] en de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige]. Daarnaast is er de medische verklaring en zijn er de foto’s van het letsel. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, 2 en
  6. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de tenlastelegging staat de gemeente Groningen als pleegplaats genoemd terwijl de feiten gepleegd zijn te Beerta. Daarom kunnen de tenlastegelegde feiten niet bewezen worden. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat voor feit 1 vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft een scene geschopt en heeft zich misdragen, maar niet bewezen kan worden dat zij met het mes aangever gericht heeft aangevallen. De raadsman verzoekt de rechtbank subsidiair om rekening te houden met de context waarin de feiten gepleegd zijn. Verdachte woonde in een woonvorm met allemaal mensen met vergelijkbare problematiek, dat is een reden om het gebeurde te relativeren. De raadsman verzoekt bij bewezenverklaring van de feiten een gevangenisstraf op te leggen van even lange duur als de voorlopige hechtenis met daarnaast een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport, inclusief de geadviseerde klinische opname. De raadsman verzoekt de vordering tenuitvoerlegging niet ontvankelijk te verklaren nu hij heeft betoogd dat vrijspraak moet volgen. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen dan verzoekt de raadsman de vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen met een jaar. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden in Beerta, welke plaats is gelegen in de gemeente Oldambt, en niet in de gemeente Groningen zoals ten laste is gelegd. Daarmee kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van voornoemde feiten. Vordering na voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk vonnis van 18 januari 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 februari
  7. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 15 maart 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Nu de rechtbank tot een vrijspraak komt voor de tenlastegelegde feiten, wijst de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging af. Uitspraak De rechtbank: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte. Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/208598-17: Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 18 januari
  8. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april
  9. Mr. E.P. van Sloten is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.