RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 18/1362 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 april 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ). Procesverloop Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 27 oktober 2017 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.527. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 66 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft deze zaak en de zaak van eiser met zaaknummer 16/3972 (over het jaar 2013) aanvankelijk gevoegd, maar deze later procesrechtelijk weer gesplitst. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door zijn collega’s [bijstand] en door [bijstand] van de Sociale Verzekeringsbank (Svb). Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde het gehele jaar 2015 in Nederland. 1.2. Eiser werkte gedurende heel 2015 in loondienst voor [werkgever] te Liechtenstein ( [werkgever] ). 1.3. Eiser heeft in het jaar 2015 in het internationale vervoer over de Europese binnenwateren gewerkt en heeft zijn werkzaamheden uitgevoerd op het binnenvaartschip [schip] , dat hoofdzakelijk heeft gevaren in het stroomgebied van de Rijn. 1.4. Op [datum] is door de Liechtensteinse autoriteiten aan eiser een A1-verklaring afgegeven, waarin staat dat gedurende de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2015 het Liechtensteinse sociale verzekeringsrecht op hem van toepassing is. Er is geen A1-verklaring afgegeven door de Svb voor wat betreft het jaar 2015. 1.5. Eiser heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen van € 33.701. In deze aangifte heeft eiser aangegeven dat hij het gehele jaar niet verplicht verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen. 1.6. Verweerder heeft met dagtekening 27 oktober 2017 een definitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.527 en een premie-inkomen van € 9.519, uitgaande van verzekeringsplicht in Nederland in de periode 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2015. Bij brief met dagtekening 22 oktober 2017, door verweerder ontvangen op 25 oktober 2017, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015. Geschil en beoordeling 2. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2015 verplicht verzekerd en dus premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. 3. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend. 4. Niet in geschil is dat eiser in de periode waarop de Liechtensteinse A1-verklaring ziet (1 januari 2015 tot en met 31 juli 2015, zie 1.4), niet is verzekerd en dus ook niet premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Nu voor de in geschil zijn de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2015 geen A1-verklaring is afgegeven (door de Svb, noch door de Liechtensteinse autoriteiten), dient middels een materiële beoordeling op grond van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (de Verordening) vastgesteld te worden of eiser in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Ter zitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat het geschil aldus moet worden beslecht. 5. Ter zitting hebben partijen desgevraagd eveneens bevestigd dat als feitelijk uitgangspunt heeft te gelden dat eiser (ook) in de in geschil zijnde periode 21,87 % van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Dit percentage heeft verweerder vastgesteld op grond van een analyse van het vaartijdenboek van de [schip] . 6. Tenslotte is door partijen ter zitting desgevraagd bevestigd dat niet in geschil is dat de zetel van de werkgever (ook) voor wat betreft de beoordeling op grond van de Verordening in Liechtenstein is gelegen. 7. Het geschil is dus beperkt tot alleen het antwoord op de vraag of eiser in de periode 1 augustus tot en met 31 december 2015 een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in woonland Nederland. Luidt het antwoord bevestigend, dan wijst artikel 13, eerste lid, sub a van de Verordening de Nederlandse wetgeving als toepasselijk aan, zodat eiser dan verzekerd en premieplichtig is in Nederland. Luidt het antwoord ontkennend, dan wijst artikel 13, eerste lid, sub b van de Verordening de Liechtensteinse wetgeving als toepasselijk aan, zodat eiser dan verzekerd en premieplichtig is in Liechtenstein. Vooraf: omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar 8. De rechtbank ziet zich gelet op de vaststaande feiten allereerst voor de vraag gesteld of het bezwaar terecht ontvankelijk is geacht. 9. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. 10. De aanslag IB/PVV 2015 is gedagtekend 27 oktober 2017. Het met dagtekening 22 oktober 2017 ingediende bezwaarschrift is al op 25 oktober 2017 door verweerder ontvangen, dus voor aanvang van de bezwaartermijn. Een dergelijk prematuur bezwaar is in beginsel niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kon in dit geval de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar echter achterwege blijven. De rechtbank komt tot dit oordeel nu aannemelijk is geworden dat de aanslag IB/PVV 2015 al vóór 22 oktober 2015 was vastgesteld en dus tot stand was gekomen. Zoals de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift heeft geschreven, had eiser het aanslagbiljet op dat moment niet alleen reeds ontvangen, maar ook al ter hand gesteld aan de gemachtigde. Als bijlage bij het bezwaarschrift heeft de gemachtigde bovendien een afschrift van dat aanslagbiljet gevoegd, iets wat onmogelijk zou zijn als het nog niet tot stand was gekomen. Daarmee is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a van de Awb. Het bezwaar is terecht ontvankelijk geacht. Verzekerings- en premieplicht 11. De toepasselijke wetgeving dient vastgesteld te worden op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (zie 4 en 7). 12. Artikel 13 van de Verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.