← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2019:195

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/930210-16 (feit 1 op de dagvaarding) ter terechtzitting is het eerder ter berechting gevoegde parketnummer 18/920084-17 afgesplitst (feiten 2, 3, 4 en ad informandum gevoegd feit op de dagvaarding) Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende [straatnaam] , [woonplaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 december

  1. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous. Tenlastelegging Aan verdachte is onder parketnummer 18/930210-16 ten laste gelegd dat:
  2. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks deperiode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015, in de gemeenteMeppel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid,bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/ofaanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne,zijnde cocaïne (telkens) een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet enals bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtensartikel 3a, vijfde lid van die wet; Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat naast de betrouwbare en voor verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] , onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is. Verdachte staat namelijk niet vermeld in het door [getuige 1] bijgehouden drugs gerelateerde kasboek en de verklaring van [getuige 2] is maar zijdelings belastend voor verdachte. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er weliswaar een voor verdachte belastende verklaring van [getuige 1] in het dossier aanwezig is, maar dat het steunbewijs ontbreekt. Verdachte ontkent het feit en de tapgesprekken, de stelselmatig ingewonnen informatie, de verklaring van [getuige 2] en de observaties leveren geen steunbewijs op. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman, het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat naast de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] onvoldoende steunbewijs voorhanden is. Uit het dossier blijkt weliswaar van een verdenking tegen verdachte, zo is er naast de verklaringen van voornoemde [getuige 1] ook een verklaring van [getuige 2] , maar de rechtbank acht de verklaring van deze [getuige 2] op essentiële onderdelen onduidelijk, zodat deze niet als (steun)bewijs kan dienen. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder
  3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.