vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/185763 / HA ZA 18-157 Vonnis van 29 mei 2019 in de zaak van 1 [eiser 1] [achternaam] , wonende te Vlagtwedde, 2. [eiser 2] [achternaam], wonende te Oude Pekela, eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. P. van Wijngaarden te Groningen, tegen [gedaagde] [voornaam] [achternaam], wonende te Vlagtwedde, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. P. Stehouwer te Groningen. Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 10 oktober 2018; het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2019; de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte overlegging producties; de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.3. Bij fax d.d. 31 januari 2019 is namens [eiser 1] en [eiser 2] gereageerd op de inhoud van het proces-verbaal van comparitie, dat buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt. Nu namens [gedaagde] geen bezwaar tegen de gevraagde aanvulling is gemaakt en de rechtbank de geplaatste kanttekening onderschrijft, dient genoemd proces-verbaal op de in de daaraan gehechte reactie van [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven wijze als aangevuld en/of gecorrigeerd te worden beschouwd. 2De feiten 2.1. Partijen zijn de kinderen van de heer [voorletter(s)] [achternaam] en mevrouw [voorletter(s)] [achternaam] , die in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. 2.2. Vader is overleden op [datum] . Hij heeft bij testament d.d. 24 juli 1986 over zijn nalatenschap beschikt. Hierin heeft hij het vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap aan moeder gelegateerd en heeft hij partijen tot zijn enige erfgenamen benoemd. 2.3. Bij notariële akte d.d. 23 december 2005 is tot verdeling van de gemeenschap van goederen en de nalatenschap van vader overgegaan. Daarbij is het totale bedrijfsvermogen (landbouwbedrijf) en het totale privévermogen, waaruit de gemeenschap bestond, aan moeder toebedeeld, onder (onder meer) de verplichting voor haar om aan ieder van partijen € 191,915,11 uit te keren wegens overbedeling. Ter zake van die uitkering is vervolgens een schuldregeling getroffen, inhoudende dat moeder aan ieder van partijen voornoemd bedrag wegens geleend geld schuldig erkent, waarbij de opeisbaarheid is uitgesteld (onder meer tot aan het overlijden van moeder). 2.4. Na het overlijden van vader hebben moeder en [gedaagde] het landbouwbedrijf in de vorm van een maatschap voortgezet. Moeder is per 1 januari 2009 uitgetreden. Bij notariële akte d.d. 23 maart 2012 zijn ter uitvoering van de tussen moeder en [gedaagde] overeengekomen bedrijfsoverdracht (een koopovereenkomst), de bedrijfsgebouwen met woning, landerijen en verdere toebehoren (suikerquotum, toeslagrechten en aandelen Avebe) aan [gedaagde] toegedeeld c.q. geleverd. In de akte is voorts, voor zover van belang, het volgende bepaald: OVERNAMESOM (KOOPPRIJS), VERREKENING DIVERSE BEDRAGEN De koopprijs (overnamesom) van het verkochte, vallende onder het ondernemingsvermogen, bedraagt (…) minus de belastinglatentie (…), zodat het verkochte een totale overnamewaarde heeft van zevenhonderd zesentachtig duizend negenhonderd zevenenvijftig euro (€ 786.957,00). Voormelde overnamewaarde (…) wordt door partijen verlaagd met een bedrag van zeshonderd zesendertig duizend negenhonderd zevenenvijftig euro (€ 636.957,00), welk laatstgemeld bedrag door partijen wordt aangemerkt als een verlaging van de overname som (wordt gezien als schenking) als bedoeld in artikel 35b en 35c van de Successiewet, zodat de overnamesom van het verkochte éénhonderd vijftig duizend euro (€ 150.000,00) bedraagt. Voormelde bedragen blijken uit een door Accon/AVM, (mede) gevestigd te Veendam, opgemaakt opstelling bedrijfsoverdracht, welke opstelling in kopie aan deze akte zal worden gehecht (…). (…) De overnamesom van de onroerende zaak (…) (opm. rechtbank: de woning), bedraagt eenhonderd zeventien duizend euro € 117.000,00). 1. De comparanten verklaren vervolgens dat zij zijn overeengekomen om gemelde koopsommen (…) om te zetten in even zo grote schulden wegens geldlening. (…) 2.5. Moeder heeft op enig moment (een deel van) de overnamesom van de woning aan [gedaagde] geschonken/kwijtgescholden. 2.6. Moeder is overleden op 12 augustus 2017. Zij heeft bij testament d.d. 19 december 2003 over haar nalatenschap beschikt. Hierin heeft zij, voor zover van belang, [gedaagde] tot haar enige erfgenaam benoemd en [eiser 1] en [eiser 2] (en hun afstammelingen) onterfd. 2.7. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op 2 c.q. 3 oktober 2017 verklaard een beroep op hun legitieme portie te doen. 2.8. [gedaagde] heeft op 18 oktober 2017 een volmacht tot beneficiaire aanvaarding ondertekend. Op 7 augustus 2018 heeft zij een verklaring van aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving ter griffie afgelegd. 2.9. In een memo d.d. 8 februari 2018 heeft [naam] van Countus Accountants + Adviseurs (een door [gedaagde] ingeschakelde adviseur) een overzicht van de samenstelling van de nalatenschap van moeder opgenomen. Volgens dat overzicht is het saldo van de nalatenschap van moeder negatief (-/- € 69.140,00), en bedragen de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] (rekening houdende met schenkingen en een claim van [gedaagde] ex artikel 4:36 BW) nihil. 3De vorderingen in conventie 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder te voldoen, bij wijze van voorschot, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 250.000,00, derhalve in totaal aan [eiser 1] en [eiser 2] te voldoen € 500.000,00, althans een in goede justitie te bepalen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; II. [gedaagde] te veroordelen om ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] een boedelbeschrijving te maken, zodat [eiser 1] en [eiser 2] over alle noodzakelijke gegevens beschikken die nodig zijn om hun legitieme portie te berekenen; III. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] en [eiser 2] elk te voldoen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het bedrag ter hoogte van de legitimaire aanspraak, zoals die na de boedelbeschrijving zal blijken te zijn, verminderd met de in het onder I gevorderde voorschot begrepen legitimaire aanspraak van elk € 58.584,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover van de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, met bepaling dat indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente hierover tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. [gedaagde] voert verweer, met conclusie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen deze te ontzeggen, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure. in reconventie 3.3. [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat in de transactie die is vervat in de akte van levering d.d. 23 maart 2012, verleden ten overstaan van notaris [naam] , géén schenking of gift is besloten die bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking dient te worden genomen. 3.4. [eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer, met conclusie [gedaagde] niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4De standpunten van partijen [eiser 1] en [eiser 2] 4.1. [eiser 1] en [eiser 2] leggen - samengevat - het volgende aan hun vorderingen in conventie en hun verweer in reconventie ten grondslag. 4.2. Tot de schulden van de nalatenschap van moeder behoren de (door haar overlijden opeisbaar geworden) schulden uit geldlening van € 191.915,11 per kind, alsmede de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] . Bij de berekening daarvan dienen de giften aan [gedaagde] in aanmerking te worden genomen, bestaande uit de verlaging van de overnamesom met een bedrag van € 636.957,00 - blijkens uit de leveringsakte d.d. 23 maart 2012 - en de latere kwijtschelding van de koopsom voor de woning te Vlagtwedde ten bedrage van € 100.000,00. Uitgaande van de overige gegevens uit het overzicht van Countus (r.o. 2.9), voor zover zij zich daarmee wel kunnen verenigen, berekenen [eiser 1] en [eiser 2] hun legitimaire aanspraak als volgt: Bezittingen € 163.986 Schulden Vorderingen erfgenamen nls vader € 575.745 IB 2016 en 2017 € 2.594 Nalatenschap € - 414.353 Correcties voor legitimaire massa Schenkingen € 768.258 Nog onbekende schenkingen pm Legitimaire massa € 353.905 Legitimaire aanspraak is 1/6, oftewel € 58.984 4.3. Gelet op de omvang van de nalatenschap (een negatief saldo) hebben [eiser 1] en [eiser 2] een vordering op [gedaagde] , in haar hoedanigheid van begiftigde. Zij kunnen de giften die aan haar zijn gedaan, inkorten voor zover deze afbreuk doen aan hun legitieme portie (artikel 4:89 BW). Vooruitlopend op het door [eiser 1] en [eiser 2] tevens gevorderde opmaken van een (aangepaste) boedelbeschrijving en de overlegging van stukken ter berekening van hun legitieme porties, vorderen zij een voorschot van € 250.000,00 per persoon. Het voorschot ziet, afgerond, op de schulden uit geldlening (€ 191.957 per persoon) en de voorlopig berekende legitieme portie (€ 58.984 per persoon). 4.4. [eiser 1] en [eiser 2] betwisten dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, om een beroep op hun legitieme portie te doen. Het verhaal over de verzorging van moeder is erg eenzijdig, en het is niet zo dat [gedaagde] alles alleen heeft moeten doen. In elk geval komt aan [gedaagde] geen vordering uit hoofde van artikel 4:36 BW toe. 4.5. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde] een (nieuwe) boedelbeschrijving opmaakt. In het verlengde daarvan vorderden [eiser 1] en [eiser 2] dat alle bankafschriften van de bankrekening van moeder, de in de verdelingsakte d.d. 23 december 2005 en de leveringsakte d.d. 23 maart 2012 genoemde documenten worden overgelegd, opdat zij kunnen beoordelen of [gedaagde] nog meer schenkingen van moeder heeft ontvangen dan wel gelden uit het vermogen van moeder heeft onttrokken. Ter comparitie hebben [eiser 1] en [eiser 2] verklaard te hebben vernomen dat er na het overlijden van vader landbouwgrond is verkocht, en dat zij vermoeden dat die opbrengst niet aan moeder ten goede is gekomen. 4.6. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft [gedaagde] de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard door de inboedel tot zich te nemen, door schulden te erkennen (door middel van het overzicht van Countus) en door een claim ex artikel 4:36 BW in te dienen. De akte van beneficiaire aanvaarding is van latere datum en sorteert dan ook geen effect. Mocht het voorgaande anders zijn, dan beroepen [eiser 1] en [eiser 2] zich op de actio pauliana, omdat zij door het afleggen van de verklaring van beneficiaire aanvaarding als schuldeisers zijn benadeeld. [gedaagde] 4.7. [gedaagde] legt - samengevat - het volgende aan haar verweer in conventie en haar vordering in reconventie ten grondslag. 4.8. [gedaagde] erkent dat de schulden uit geldlening € 191.957,00 per kind bedragen (en dat het overzicht van Countus in zoverre onjuist is). Voorts erkent zij dat bij de berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] de kwijtschelding van de koopprijs voor de woning als gift in aanmerking moet worden genomen. Van andere giften of schenkingen is geen sprake geweest. Zo is bijvoorbeeld de opbrengst van het verkochte areaal gebruikt om de notariskosten en successierechten te betalen en investeringen en aflossingen te doen. Ook in de leveringsakte d.d. 23 maart 2012 ligt geen gift of schenking besloten. De gebezigde formulering heeft een fiscale achtergrond. De overnamesom is bijgesteld omdat [gedaagde] het bedrijf anders niet rendabel zou kunnen exploiteren. Het is in de agrarische sector gebruikelijk dat maatschappen tussen ouders en kinderen worden afgewikkeld tegen deze zogenaamde agrarische waarde. Ingevolge vaste jurisprudentie zijn dergelijke bedrijfsoverdrachten niet aan te merken als een gift of schenking. Met moeder is ook nooit gesproken over een schenking in het kader van de bedrijfsoverdracht. 4.9. Volgens [gedaagde] zijn alle boedelbestanddelen van de nalatenschap en de noodzakelijke gegevens voor de berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] al bekend, zodat het opstellen van een nieuwe boedelbeschrijving niet nodig is. 4.10. Volgens [gedaagde] heeft zij de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard, zodat zij niet met haar privévermogen aansprakelijk is voor de schulden daarvan. Zij betwist dat zij voorafgaande aan het afleggen van de verklaring ter griffie daden van beheer heeft verricht. Bovendien stond het haar vrij om tot beneficiaire aanvaarding over te gaan; het valt niet in te zien dat er sprake van paulianeus handelen is. 4.11. [gedaagde] stelt zich tot slot op het standpunt dat zij jarenlang, belangeloos, moeder thuis heeft verzorgd. In verband daarmee heeft zij bij moeder ingewoond; na het overlijden van moeder is [gedaagde] in de voormalige ouderlijke woning blijven wonen. Het indienen van een vordering ex artikel 4:36 BW is vanwege de negatieve nalatenschap weliswaar niet mogelijk, maar het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij [eiser 1] en [eiser 2] enig bedrag zou moeten uitkeren, terwijl zij nooit gecompenseerd is voor haar jarenlange inspanningen. 5De beoordeling in conventie De legitieme portie 5.1. De rechtbank stelt het volgende voorop. De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW; buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder l zijn ontstaan (artikel 4:65 BW). Bij de berekening van de legitieme portie worden in aanmerking genomen de door erflater gedane giften aan (onder andere) afstammelingen, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is (artikel 4:67 aanhef en onder d BW). De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme portie wordt berekend gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a BW genoemde, door de erflater achtergelaten personen (artikel 4:64 BW). De waarde van giften, door de erflaatster aan de legitimaris gedaan, en hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering op zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 4:71 BW). Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak. 5.2. Partijen zijn de enige (drie) afstammelingen van moeder, dus het breukdeel is in dit geval een/zesde. 5.3. [eiser 1] en [eiser 2] hebben, als gevolg van hun onterving, geen verkrijging krachtens erfrecht. Verder is gesteld noch gebleken is dat aan hen giften zijn gedaan, die in mindering op hun legitieme porties zouden moeten worden gebracht. 5.4. De rechtbank zal voor wat betreft de waarde van de goederen van de nalatenschap aansluiting zoeken bij het overzicht van Countus. Partijen zijn het er immers (kennelijk) over eens dat het eerste gedeelte van dat overzicht volledig weergeeft welke bezittingen en schulden tot de nalatenschap behoren, en dat de daar vermelde bedragen - behalve de schulden uit geldlening - juist zijn. Ook is niet in geschil dat deze laatstbedoelde schulden(3 × € 191.957 =) € 575.745,00 bedraagt. Uit het voorgaande volgt dat de waarde van de goederen van de nalatenschap op € 414.353,00 negatief kan worden gesteld. 5.5. Vervolgens rijst de vraag welke giften aan [gedaagde] , als afstammeling-legitimaris, in aanmerking moeten worden genomen. 5.6. [gedaagde] erkent dat de kwijtschelding van de koopprijs van de woning, ten bedrage van € 100.000,00, een in aanmerking te nemen gift is. Dat bedrag zal daarom in elk geval bij de berekening van de legitieme portie worden meegenomen. In het overzicht van Countus zijn ook aan [gedaagde] gedane jaarlijkse schenkingen vermeld. De rechtbank zal deze jaarlijkse giften evenwel buiten beschouwing laten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zelf hun vorderingen daar namelijk niet op gebaseerd; ten overvloede wordt overwogen dat het hier bovendien gaat om giften die mogelijk op grond van artikel 4:69 lid 1 sub b BW buiten beschouwing dienen te blijven. 5.7. Aan het vermoeden van [eiser 1] en [eiser 2] dat de verkoopopbrengst van het na het overlijden van vader verkochte areaal niet aan moeder ten goede is gekomen, gaat de rechtbank voorbij. De door hen ingenomen stellingen zijn namelijk voor het eerst ter comparitie en zonder enige nadere onderbouwing naar voren gebracht, en tegen de door [gedaagde] ter zitting gegeven uitleg over de besteding van het geld hebben zij vervolgens niets (substantieels) ingebracht. Bij de berekening van de legitieme portie zal hier dan ook geen rekening mee gehouden worden. 5.8. De kern van het geschil betreft de vraag of in de leveringsakte van 23 maart 2012 een schenking besloten ligt (namelijk de verlaging van de overnamesom met een bedrag van € 636.957,00), of dat deze op grond van de zogenaamde voortzettingsjurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172) buiten beschouwing gelaten moet worden. Blijkens deze jurisprudentie dient bij de beantwoording van de vraag of een gift betrokken moet worden bij de berekening van de legitieme portie, mede in aanmerking te worden genomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.