vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Assen zaaknummer / rolnummer: C/19/121582 / HA ZA 18-12 Vonnis van 26 juni 2019 in de zaak van 1 [eiser] , wonende te [woonplaats] ,
(2010), nrs. 304-305, GS Vermogensrecht, art. 3:227 BW, aant. 3.1.3 en de conclusie van A-G De Bock 7 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:662). De aan Rabobank verstrekte hypotheekrechten kwalificeerden blijkens de hypotheekakten als een bankhypotheek als hiervoor bedoeld. De stelling van [eisers] dat een bankhypotheek naar haar aard niet overdraagbaar is op een derde, is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het karakter van de bankhypotheek staat niet aan overdracht in de weg (zie in deze zin HR 16 september 1988, NJ 1989/10). De stelling van [eisers] wordt dan ook gepasseerd. 4.29. De rechtbank volgt [eisers] evenmin in zijn stelling dat de hypotheekrechten niet aan [gedaagden] zouden zijn overgedragen. Voor zover [eisers] van mening is dat de akte die ten grondslag ligt aan de overdracht van de vorderingen (en de daarmee verbonden hypotheekrechten) niet voldoet aan de eisen van artikel 6:159 BW, miskent [eisers] dat Rabobank haar vorderingen op [eisers] aan [gedaagden] heeft overgedragen op grond van cessie als bedoeld in artikel 3:94 BW (en dus niet op grond van contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW). Met de overdracht van de vorderingen heeft [gedaagden] ook de hypotheekrechten verkregen (artikel 6:142 BW). Voor zover [eisers] van mening is dat de hypotheekrechten niet (kunnen) zijn overgegaan omdat Rabobank nog een vordering op [eisers] had, is dit feitelijk onjuist. [eisers] heeft in dit kader verwezen naar de rangregelingprocedure. In die procedure heeft de rechter-commissaris Rabobank bericht dat zij haar vorderingen op [eisers] binnen veertien dagen kon indienen. Rabobank heeft geen vorderingen ingediend. Nu ook verder niet is gebleken van enige vordering van Rabobank op [eisers] , ontbeert de stelling feitelijke grond. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het beëindigen van de (krediet)relatie tussen Rabobank en [eisers] geen vereiste is voor overgang van het hypotheekrecht (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:154), zodat de stelling van [eisers] ook is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. 4.30. Volgens [eisers] heeft de vernietiging van de koopovereenkomst niet het (rechts)gevolg dat de hypotheekrechten zijn gaan herleven. De rechtbank volgt [eisers] ook hierin niet. [gedaagde 3] verkreeg door middel van cessie de hypotheekrechten op het onroerend goed. Vervolgens kreeg [gedaagde 3] op 20 juni 2012 het onroerend goed geleverd. Als gevolg daarvan kwam het eigendom van het onroerend goed en de daarop gevestigde hypotheekrechten in één hand, te weten die van [gedaagde 3] , als gevolg waarvan de hypotheekrechten op grond van vermenging tenietgingen (artikel 3:81 lid 2 aanhef en sub e BW). De koopovereenkomst is echter bij vonnis van 6 oktober 2015 vernietigd. Vernietiging heeft terugwerkende kracht, in die zin dat de titel die aan de overdracht van het onroerend goed ten grondslag lag (koop) nimmer heeft bestaan (artikel 3:53 lid 1 BW). Met andere woorden, de overdracht van het onroerend goed aan [gedaagde 3] wordt geacht nimmer plaats te hebben gevonden (zie ook HR 13 april 2001, NJ 2001/326). Dit betekent dan ook dat het onroerend goed en de hypotheekrechten nimmer in één hand zijn geweest, zodat ook van vermenging geen sprake was. De hypotheekrechten zijn dan ook niet door vermenging teniet gegaan en worden geacht altijd te hebben bestaan. Dat de hypotheekrechten bij akte zijn geroyeerd doet daar niets aan af; de akte van royement heeft slechts een administratieve functie en heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van het hypotheekrecht. Naar het oordeel van de rechtbank bestonden de hypotheekrechten dan ook op moment van de executieveiling. 4.31. De stelling dat de verhypothekeerde schuld op moment van de executieveiling was ingelost, onderbouwt [eisers] met twee tegenvorderingen op [gedaagden] De eerste tegenvordering is volgens [eisers] de door door [gedaagde 3] verschuldigde (en door haar ook erkende) gebruiksvergoeding van het onroerend goed. De tweede tegenvordering betreft de schade als gevolg van de onrechtmatige verkoop van het Materieel Actief. Gelet op deze tegenvorderingen resteerde de facto een vordering van hem op [gedaagden] , aldus [eisers] Ter betwisting van deze stelling heeft [gedaagden] aangevoerd dat de opbrengst van het Materieel Actief de financiële verhouding met [eisers] niet regardeert en dat de hoogte van de door haar verschuldigde gebruiksvergoeding nog dient te worden vastgesteld (en in ieder geval zijn vordering op [eisers] niet overstijgt). De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. Nu de rechtbank de stelling van [eisers] dat de hypotheekrechten niet zijn herleefd na vernietiging van de koopovereenkomst heeft gepasseerd, staat daarmee tevens vast dat [gedaagde 3] een verhypothekeerde vordering had op [eisers] ter hoogte van € 803.378,15, te vermeerderen met de contractuele rente. Ten aanzien van het Materieel Actief staat de onrechtmatigheid van de verkoop daarvan (nog) niet vast. Voorts is tot op heden niet, althans onvoldoende gebleken dat deze opbrengst ten goede is gekomen aan [gedaagde 3] . Van een verrekenbare vordering is naar het oordeel van de rechtbank om deze redenen onvoldoende gebleken. Daarbij komt dat deze vordering en de vordering op grond van gebruiksvergoeding (waarvan de rechtbank de omvang heeft vastgesteld), de hoofdvordering van [gedaagden] op moment van de executieveiling niet overtrof. De rechtbank passeert dan ook het betoog van [eisers] dat zijn verhypothekeerde schuld aan [gedaagde 3] op het moment van de executieveiling was ingelost. 4.32. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de sub 4 primair gevorderde verklaringen van recht afwijzen. 4.33. Nu de primaire vorderingen niet slagen, dient de rechtbank tevens de subsidiair gevorderde verklaring voor recht, dat [gedaagde 3] haar bevoegdheden als hypotheekhouder en executant misbruikte en op die grond aansprakelijk is voor de aldus door [eisers] geleden schade, te beoordelen. [eisers] betoogt dat het in dat kader aankomt op een belangenafweging, waarbij de belangen van [eisers] evident waren en prevelaren boven die van [gedaagden] Volgens [eisers] heeft [gedaagden] zelfs niet toegelicht waarom (op dat moment) geëxecuteerd diende te worden. Het standpunt van [gedaagden] is dat de hypotheekhouder geen bijzonder belang bij executie hoeft te stellen. Het is juist de hypotheekgever die een bijzonder belang dient te stellen op grond waarvan de executie niet door zou moeten gaan, aldus [gedaagden] Dit bijzondere belang heeft [eisers] niet gesteld. [gedaagden] stelt voorts dat voor het aannemen van misbruik van recht zwaarwegende omstandigheden aanwezig moeten zijn. Deze omstandigheden zijn door [eisers] evenmin gesteld. 4.34. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De uitoefening van de bevoegdheid om tot executoriale verkoop over te gaan, wordt begrensd door het leerstuk van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. Voor de vraag wanneer sprake is van misbruik van bevoegdheid door de hypotheekhouder moet aansluiting worden gezocht bij de vereisten die gelden voor een geslaagd beroep op misbruik van beslag- en executierecht. Gezien de in de wet geformuleerde bevoegdheid van de hypotheekhouder om tot parate executie over te gaan, moet worden aangenomen dat slechts onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van misbruik daarvan. Het staat de hypotheekhouder in beginsel vrij om te bepalen dat zij tot executoriale verkoop overgaat en om te bepalen op welk moment en op welke wijze zij dat doet. De hypotheekhouder moet bij de uitoefening van die bevoegdheid evenwel de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens de schuldenaar in acht nemen. Misbruik kan onder meer worden aangenomen indien de hypotheekhouder - mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad - geen redelijk te respecteren belang heeft bij de parate executie, en ingeval er door de parate executie aan de zijde van de schuldenaar een noodsituatie zal ontstaan. Of de hypotheekhouder gelet op de hoogte van de betalingsachterstand en de restschuld, jegens de schuldenaar voldoende coulance in acht heeft genomen, is niet de norm waaraan getoetst dient te worden, maar slechts een omstandigheid die een rol speelt bij de belangenafweging die binnen het hiervoor geschetste toetsingskader dient plaats te vinden (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5728). 4.35. Naar het oordeel van de rechtbank is van de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden niet, althans onvoldoende gebleken. Niet gesteld en ook niet is gebleken dat [gedaagde 3] (voldoende) andere mogelijkheden tot haar beschikking had om haar vordering op [eisers] voldaan te krijgen. Evenmin is het bestaan of de omvang van de (met de hypotheekrechten bezwaarde) vordering ter discussie gesteld. Reeds hieruit volgt dat [gedaagde 3] belang had bij de parate executie van het onroerend goed. Voorts is niet, althans onvoldoende gebleken dat er aan zijde van [eisers] een noodsituatie is ontstaan dan wel zou kunnen zijn ontstaan. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat [eisers] reeds vanaf moment van opzegging van de financiering door Rabobank rekening had kunnen (en dienen
- te)houden met de mogelijkheid dat het onroerend goed zou worden uitgewonnen teneinde zijn schulden aan Rabobank (en later [gedaagden] ) te kunnen voldoen. De subsidiaire vordering sub 4 strandt dus eveneens en zal worden afgewezen. Met betrekking tot vordering sub 5 (inzake de schade als gevolg van de parate executie) 4.36. [eiser] c.s, vordert veroordeling van [gedaagde 3] tot betaling van schade als gevolg van de onrechtmatige executie van het onroerend goed. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van vordering sub 4, volgt dat van een onrechtmatige executie geen sprake was. Hiermee ontvalt de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding. De vordering zal dan ook worden afgewezen. Met betrekking tot vordering sub 6 (inzake de aan [gedaagde 3] betaalde rente) 4.37. [eisers] vordert veroordeling van [gedaagde 3] tot (terug)betaling van contractuele rente inzake de vordering waarvoor op 25 januari 2018 het onroerend goed werd geveild. [eisers] baseert zijn vordering primair op artikel 6:109 BW, subsidiair op artikelen 6:2 en 6:248 BW en meer subsidiair op artikel 6:258 BW en artikel 3:13 BW. Hij stelt in dat kader dat de betreffende vordering reeds was ingelost door feitelijke toe-eigening en tegeldemaking van het Materieel Actief, dat de rente in geen verhouding staat tot de hoofdsom, dat eenieder in de periode van 20 juni 2012 tot 6 oktober 2015 in de veronderstelling verkeerde dat de vordering door verrekening was ingelost, dat het - als gevolg van vernietiging van de koopovereenkomst - met terugwerkende kracht in rekening brengen van de contractuele rente geen recht doet en een ongewenst en onvoorzien bijgevolg zou zijn van de vernietiging. Het verweer van [gedaagden] komt in de kern erop neer dat hij betwist dat artikel 6:109 BW toepasselijk is op de verschuldigdheid van contractuele rente, dat er grond voor matiging zou zijn, dat de aanspraak op contractuele rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat de herleving van de verplichting tot betaling van contractuele rente een onvoorzienbaar gevolg was van de (door [eisers] ) gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst. 4.38. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:109 BW geeft de rechter de mogelijkheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. De betaling van contractuele rente kwalificeert niet als een verplichting tot schadevergoeding, maar betreft (de nakoming van) een verbintenis voortvloeiende uit een overeenkomst. Artikel 6:109 BW is ten aanzien van de onderhavige vordering dus niet van toepassing. 4.39. Ten aanzien van het beroep van [eisers] op artikelen 6:2 en 6:248 BW stelt de rechtbank voorop dat in het algemeen geldt dat bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid dient te worden betracht (vergelijk HR 9 januari 1998, NJ 1998/363 en HR 25 februari 2000, NJ 2000/471). Bij de beoordeling neemt de rechtbank de volgende omstandigheden als uitgangspunt. [eisers] heeft vernietiging van de gehele koopovereenkomst van 13 april 2012 gevorderd, hetgeen door de kantonrechter bij vonnis van 6 oktober 2015 ook is toegewezen. De vernietiging van de koopovereenkomst heeft tot gevolg dat de koopsom van het onroerend goed nimmer door [eisers] aan [gedaagde 3] was verschuldigd, dat de koopsom dus ook nimmer met de schuld van [eisers] aan [gedaagde 3] is (en kon worden) verrekend en dat de nevenverplichtingen met betrekking tot de schuld van [eisers] aan [gedaagde 3] (waaronder de verplichting tot betaling van de overeengekomen rente) - met terugwerkende kracht - zijn blijven bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (geweest) dat [gedaagde 3] bij [eisers] aanspraak (heeft ge)maakt op de contractuele rente, ook niet over de periode dat partijen uitgingen van de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst van het onroerend goed. In dat kader wijst de rechtbank er op dat het herleven van de verplichting tot betaling van contractuele rente aan [gedaagde 3] een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend - en daarmee voorzienbaar - gevolg was van de door [eisers] zelf gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst van het onroerend goed. Tegenover de verschuldigdheid van de contractuele rente staat bovendien dat [eisers] - zoals hiervoor is overwogen - recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode dat partijen uitgingen van rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst. De rechtbank passeert derhalve het beroep van [eisers] op artikelen 6:2 en 6:248 BW. Uit het voorgaande volgt dat het beroep op artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) evenmin slaagt. 4.40. Dat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid door [gedaagde 3] , is door [eisers] niet nader toegelicht. [eisers] voldoet in zoverre niet aan de op hem rustende stelplicht, zodat de rechtbank het beroep op artikel 3:13 BW reeds om die reden passeert. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat - zoals hiervoor ook overwogen - het herleven van de verplichting tot betaling van contractuele rente aan [gedaagde 3] een uit de wet voortvloeiend gevolg was van de door [eisers] zelf gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst van het onroerend goed. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [gedaagde 3] met het uitoefenen van haar -als gevolg van de vernietiging toekomende - bevoegdheid om aanspraak te maken op de contractuele rente misbruik van recht (heeft ge)maakt. 4.41. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vordering sub 6 afwijzen. Met betrekking tot vordering sub 7 (inzake de aan [gedaagde 1] betaalde rente) 4.42. [eisers] vordert veroordeling van [gedaagde 1] tot (terug)betaling van de contractuele rente in verband met de geldleningsovereenkomst van 31 augustus 2010, althans een verklaring voor recht dat [eisers] geen of slechts beperkt rente is verschuldigd in verband met die geldleningsovereenkomst. Ter onderbouwing van deze vordering heeft [eisers] dezelfde feiten en omstandigheden aangevoerd als hij in het kader van de vordering onder sub 6 naar voren heeft gebracht. Hetgeen de rechtbank hiervoor in het kader van de vordering onder sub 6 heeft overwogen, geldt evenzo voor de onderhavige vordering. Met verwijzing naar die overwegingen zal de rechtbank ook de vordering sub 7 afwijzen. Met betrekking tot vordering sub 1 (inzake de verklaring voor recht dat [gedaagden] niets meer te vorderen heeft van [eisers] ) 4.43. De rechtbank stelt voorop dat het belang van [eisers] om een einde te maken aan onzekerheid over de vraag of [gedaagden] jegens hem nog vorderingen geldend kan maken, in beginsel een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW is voor de door [eisers] gevorderde verklaring voor recht (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). Het procesrecht dient er immers ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1701). 4.44. Voorts overweegt de rechtbank dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast op [eisers] als eiser rusten (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). Op [gedaagden] als gedaagde rust de verplichting om de stellingen van [eisers] zodanig gemotiveerd te betwisten dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van [eisers] kan worden afgeleid. Daartoe kan [gedaagden] ermee volstaan duidelijk te maken op welk punt hij nog een vordering pretendeert te hebben. Niet kan worden gevergd dat [gedaagden] die vordering in reconventie instelt, op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken. Waar enkel stilzitten in het algemeen geen rechtsverwerking meebrengt, zal aan een schuldeiser die draalt met het instellen van zijn vordering, alleen op die grond niet snel zijn vordering kunnen worden ontnomen. Het is immers in beginsel aan de schuldeiser om te bepalen of en wanneer hij zijn vordering in rechte geldend maakt (zie in deze zin ook A-G Wissink in zijn conclusie bij HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). 4.45. [gedaagden] heeft als verweer aangevoerd vorderingen op [eisers] te hebben. Op basis van de stellingen van [gedaagden] stelt de rechtbank de volgende rangschikking op, waarbij zij opmerkt dat [gedaagden] niet duidelijk heeft aangegeven welke entiteit op welke (rechts)persoon een vordering meent te hebben: een vordering van [gedaagde 3] op grond van de door cessie overgenomen (verhypothekeerde) vordering van Rabobank ter hoogte van € 803.378,15, te vermeerderen met € 223.881,90 aan de rente over die schuld (in totaal € 1.027.260,05); een vordering van [gedaagde 1] van € 100.000,00 uit hoofde van de met [eiser] en [naam 1] gesloten leningsovereenkomst van 31 augustus 2010, te vermeerderen met € 120.349,18 aan rente over die schuld (in totaal € 220.349,18); een vordering van [gedaagde 4] van in totaal € 211.650,00, zijnde het bedrag dat [gedaagde 4] in de periode 3 november 2010 tot en met 26 april 2011 aan Aannemingsbedrijf [eiser] ter beschikking heeft gesteld; een vordering van [gedaagden] op [eisers] wegens betaalde eigenaarslasten inzake het onroerend goed (zoals (gebruikelijk) onderhoud en zakelijke lasten) ter hoogte van € 54.102,01; en vordering van [gedaagden] wegens gemaakte kosten in verband met investeringen in het onroerend goed ter hoogte van € 254.100,00; een vordering van [gedaagden] wegens kosten in verband met het in de lucht houden van de activiteiten van [eisers] , waaronder door [gedaagden] betaalde lonen; een vordering van [gedaagden] wegens kosten in verband met de door [eisers] in gebruik genomen Mercedes Benz ter hoogte van € 16.286,42; een vordering van [gedaagden] wegens kosten in verband met herstel en vervangen camera's aan het onroerend goed ter hoogte van € 9.289,91; een vordering van [gedaagden] wegens kosten in verband met schoonmaken van het onroerend goed ter hoogte van € 3.544,05. 4.46. [eisers] heeft de vorderingen sub a en b van [gedaagde 3] en [gedaagde 1] erkend. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de vordering sub a geheel is voldaan uit de executieopbrengst van het onroerend goed. 4.47. Ten aanzien van vordering sub c is tussen partijen niet in geschil dat de bedragen ter beschikking zijn gesteld aan Aannemingsbedrijf [eiser] . Een eventuele vordering in verband met deze ter beschikking gestelde bedragen regardeert dan ook enkel Aannemingsbedrijf [eiser] (en niet [eisers] ). Ook een eventuele verrekening in verband met deze ter beschikking gestelde bedragen kan [eisers] niet worden tegengeworpen. Voor zover [gedaagden] meent dat [eiser] hoofdelijk medeschuldenaar is ten aanzien van deze vordering als gevolg van de schuldigverklaring van 20 juni 2012 geldt dat de schuldigverklaring niet is afgegeven aan [gedaagde 4] , maar aan [gedaagde 3] . De schuldigverklaring kan [gedaagde 4] dan ook niet baten. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schuldigverklaring niet los kan worden gezien van de wegens misbruik van omstandigheden vernietigde koopovereenkomst van 13 april 2012 en de daarop volgende notariële akte van levering van 20 juni 2012. De rechtbank is om die reden van oordeel dat het beroep van [eisers] op vernietiging van de schuldigverklaring om dezelfde redenen dient te slagen als de redenen die ten grondslag lagen aan de vernietiging van de hiervoor bedoelde koopovereenkomst en akte van levering. Ook om die reden kan [gedaagde 4] niet met succes een beroep doen op de schuldigverklaring. 4.48. Vordering sub d (inzake de betaalde eigenaarslasten) is hiervoor onder 4.24 door de rechtbank deels als vaststaand aangemerkt. Dit deel van de vordering is echter reeds verdisconteerd in de vordering inzake en het recht op de gebruiksvergoeding van [eisers] (vordering sub 3 van [eisers] ), zoals eveneens blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen. De vordering van [gedaagden] is voor dat deel dan ook niet (meer) aan de orde. Met betrekking tot het restant van de vordering, betreffende de overdrachtsbelasting, de kosten inzake de leveringsakte en de kadastrale inschrijving, geldt het volgende. Deze kosten zien alle op de overdracht van het onroerend goed per 20 juni 2012 aan [gedaagde 3] . [gedaagden] heeft niet gemotiveerd op welke juridische grondslag deze kosten voor rekening van [eisers] zouden moeten komen. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank aan (ook) dit deel van de vordering voorbij. 4.49. Ten aanzien van vordering sub e (investeringskosten) heeft de rechtbank reeds hiervoor onder 4.24 overwogen dat moet aangenomen worden dat [gedaagde 3] zelf baat heeft gehad bij de pandverbeteringen, nu zij het onroerend goed zelf als hypotheekhouder heeft verkocht. Dat [gedaagde 3] een vordering toekomt in verband met deze pandverbeteringen, is dan ook niet gebleken. De rechtbank passeert dan ook deze door [gedaagden] gestelde vordering. 4.50. Ten aanzien van vordering sub f (kosten in de lucht houden activiteiten [eisers] ) stelt de rechtbank vast dat [gedaagden] niet heeft toegelicht, ook niet na daarop te zijn gewezen door [eisers] , wat de (juridische) grondslag van deze vordering is. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank aan de vordering voorbij. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, nu deze vordering ziet op kosten voor het in de lucht houden van de activiteiten van [eisers] , de vordering enkel Aannemingsbedrijf [eiser] lijkt te regarderen. Zo heeft [eisers] onweersproken aangevoerd dat enkel Aannemingsbedrijf [eiser] personeel had en begrijpt de rechtbank uit de stellingen van beide partijen dat de onderneming door Aannemingsbedrijf [eiser] werd gevoerd. Dit betekent dat de vordering in het faillissement van Aannemingsbedrijf [eiser] valt en dat de kosten niet op [eisers] kunnen worden verhaald. 4.51. Ook ten aanzien van de vordering sub g (de kosten in verband met de door [eisers] in gebruik genomen Mercedes Benz) heeft [gedaagde 4] evenmin toegelicht wat de (juridische) grondslag van deze vordering is. Voorts heeft [gedaagde 4] niet geconcretiseerd welke (rechts)persoon als schuldenaar dient te worden beschouwd. Om deze redenen is ook deze vordering niet aan te merken als een gemotiveerde betwisting. 4.52. Ter onderbouwing van de vordering sub h (de kosten inzake het herstel en de vervanging van beveiligingscamera'
- s)heeft [gedaagden] verwezen naar een e-mail van de zijde van [eisers] van 4 juli 2017. In die e-mail zou [eisers] eigenrichting hebben bevestigd en nieuwe eigenrichting hebben aangekondigd. Gelet op het feit [eisers] met terugwerkende kracht altijd eigenaar is geweest van het onroerend goed (tot in ieder geval ultimo 2017), als gevolg van het vonnis van 6 oktober 2015 waarin de koopovereenkomst en de leveringshandeling inzake het onroerend goed zijn vernietigd, en hij onbetwist heeft gesteld dat de camera's op grond van natrekking onderdeel uitmaakten van het onroerend goed, biedt de door [gedaagden] overgelegde e-mail onvoldoende onderbouwing voor de gestelde vordering. [gedaagden] heeft naar het oordeel van de rechtbank de beweerde vordering op [eisers] wegens kosten inzake het herstel en de vervanging van beveiligingscamera's onvoldoende aannemelijk gemaakt om te kwalificeren als gemotiveerde betwisting. Het vorenstaande geldt ook voor vordering sub i (de kosten in verband met schoonmaken van het onroerend goed). Niet valt in te zien dat [eisers] met het schrijven van teksten op het onroerend goed, waarvan hijzelf eigenaar was, onrechtmatig jegens [gedaagden] zou zijn. Dit klemt te meer, nu de rechtbank uit het door [gedaagden] overgelegde krantenartikel afleidt dat de beweerdelijke vernielingen van het onroerend goed dateren van na de rechterlijke vernietiging van de koopovereenkomst. 4.53. Uit het voorgaande volgt dat enkel vordering sub b nog ter hoogte van € 220.349,18 resteert. [gedaagden] heeft bij de verdeling van het restant van de netto-opbrengst van de executoriale verkoop van het onroerend goed een bedrag van € 259.061,80 ontvangen. Met dit bedrag is vordering sub b van [gedaagden] geheel voldaan. Aldus resteert geen vordering meer van [gedaagden] op [eisers] De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden] niets meer van [eisers] te vorderen heeft, zal gelet hierop worden toegewezen. Resumé 4.54. De rechtbank zal [eisers] in de gelegenheid stellen om bij akte te specificeren welke goederen aan [eiseres 4] of [eiseres 2] toebehoorden en per goed zijn stelling te onderbouwen - met verwijzing naar producties - dat het betreffende goed van [eiseres 4] of [eiseres 2] is. [gedaagden] zal in de gelegenheid worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of en in hoeverre de vordering sub 2 dient te worden toegewezen. 4.55. Met betrekking tot de overige vorderingen geldt het volgende. De rechtbank zal bij eindvonnis [eiseres 1] niet-ontvankelijk verklaren en de vorderingen voor zover deze tegen [gedaagde 2] zijn ingesteld afwijzen. Zij zal de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden] , althans de onderscheiden entiteiten behorende tot [gedaagden] niets meer van [eisers] te vorderen heeft, toewijzen. Voorts zal de rechtbank [gedaagden] bij eindvonnis veroordelen tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 383.748,20, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan gebruiksvergoeding inzake het onroerend goed. De overige vorderingen van [eisers] zal de rechtbank bij eindvonnis afwijzen. 5De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 7 augustus 2019 voor akte aan de zijde van [eisers] voor uitlating als omschreven in 4.13; 5.2. houdt voor het overige iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, mr. A. van der Meer en mr. G. Kattenberg en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019. type: coll: