← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2019:2800

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rolnummer: 7140433 \ CV EXPL 18-7389 Vonnis van de kantonrechter d.d. 30 april 2019 inzake [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, gemachtigde: Florijn Incasso B.V. (Concessum), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. J. Boersma werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1Procesverloop 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de conclusie van antwoord met producties; de conclusie van repliek met producties; de conclusie van dupliek met een productie; akte uitlating productie aan de zijde van [eiser] . 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Tussen partijen kan, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, van het volgende worden uitgegaan. 2.
  4. [gedaagde] exploiteert een onderneming waarbij zij zich onder andere bezig houdt met de aanhuur van woningen. 2.
  5. [eiser] heeft zich op 7 december 2011 ingeschreven bij [gedaagde] als woningzoekende. 2.
  6. Op 7 december 2011 heeft mevrouw [naam] mede namens [eiser] de volgende e-mail aan [gedaagde] verstuurd: '(…) Afgelopen maandag (5 december) heeft mijn vriend telefonisch een afspraak gemaakt voor het bezichtigen van [adres] op vrijdag 9 december om 15.00 uur. (…)' 2.
  7. [eiser] heeft de woning aan de [adres] op 9 december 2011 bezichtigd. 2.
  8. Op 12 december 2011 is de woning aan [eiser] toegekend. 2.
  9. [eiser] heeft op 12 december 2011 een e-mail aan een derde verstuurd waarin het volgende is opgenomen: '(…) Onderwerp: huis Dit is de link: http://www.pararius.nl/appartement-te-huur/Groningen/ [adres] /657653/fotos.(..) ' 2.
  10. [gedaagde] heeft een factuur aan [eiser] verstuurd ten aanzien van de bemiddelingskosten van een bedrag van € 624,75 inclusief btw. [eiser] heeft de factuur op 16 december 2011 betaald. 2.
  11. De huurovereenkomst ten aanzien van de [adres] is op 20 december 2011 tot stand gekomen. 2.
  12. Namens [eiser] heeft Terugvorderen.nl op 27 oktober 2016 een brief gestuurd aan [gedaagde] en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de betaalde bemiddelingskosten. 2.
  13. [gedaagde] is hiertoe niet overgegaan en daarom is [eiser] deze procedure gestart. Punt heeft [eiser] gemachtigd om de bemiddelingskosten van [gedaagde] terug te vorderen. 3De vorderingen en het verweer 3.
  14. [eiser] vordert betaling van een bedrag van € 624,75 aan hoofdsom, € 93,71 aan buitengerechtelijke incassokosten alsmede betaling van de verschuldigde wettelijke rente over voornoemde bedragen. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] twee heren heeft gediend door zowel met hem als met de verhuurder een overeenkomst van opdracht te zijn aangegaan. Er is sprake van dubbele lastgeving. Primair vordert [eiser] op grond van artikel 7:417 lid 4 BW terugbetaling van de door hem betaalde bemiddelingskosten van € 624,
  15. Daarbij verwijst [eiser] naar onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099). Subsidiair legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat er sprake is van een niet redelijk voordeel in de zin van artikel 7:264 BW. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] rente is verschuldigd omdat zij in verzuim is met betalen en dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd is, omdat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. 3.
  16. [gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert aan - samengevat weergegeven - dat de vordering is verjaard. Voorts voert [gedaagde] aan dat er geen sprake is van dubbele lastgeving en dat de woning niet op het internet heeft gestaan. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat er evenmin sprake is van een niet redelijk voordeel omdat de verrichte werkzaamheden in een redelijke verhouding staan ten aanzien van de hoogte van de betaalde bemiddelingskosten. 3.
  17. De stellingen van partijen worden bij de beoordeling - voor zover van belang - nader uiteengezet. 4De beoordeling 4.
  18. In deze zaak moet worden beoordeeld of er zowel tussen [eiser] en [gedaagde] als tussen [gedaagde] en de verhuurder van de door [eiser] gehuurde woning een bemiddelingsovereenkomst heeft bestaan. 4.
  19. Niet in geschil is dat tussen onderhavige partijen een bemiddelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:425 BW tot stand is gekomen. Op grond van die overeenkomst is [eiser] gehouden om de bemiddelingskosten van € 624,75 aan [gedaagde] te voldoen. Om die reden heeft [eiser] in beginsel voornoemd bedrag niet onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. 4.
  20. [gedaagde] heeft echter geen recht op een vergoeding indien zij naast de overeenkomst met [eiser] als huurder tevens een overeenkomst heeft gesloten met de verhuurder van de woning. Is dat in onderhavige situatie het geval, dan had [gedaagde] - gelet op artikel 7:417 lid 4 BW - geen bemiddelingskosten bij [eiser] in rekening mogen brengen en is in zoverre dat bedrag onverschuldigd betaald. In artikel 7:417 lid 4 BW is namelijk bepaald dat indien één van de lastgevers een persoon is als bedoeld in artikel 7:408 lid 3 BW (een natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf), en de rechtshandeling strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, de lasthebber geen recht heeft op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken. Deze bepaling wordt ook wel 'het dienen van twee heren' genoemd. verjaring? 4.
  21. Voordat beoordeeld wordt of [gedaagde] twee heren heeft gediend, dient haar meest verstrekkende verweer te worden beoordeeld. [gedaagde] heeft namelijk aangevoerd dat de vordering is verjaard. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verjaringstermijn van drie jaar zoals genoemd in artikel 3:52 lid 1 sub d BW en op de in artikel 3:309 BW genoemde verjaringstermijn van vijf jaar. 4.
  22. [eiser] heeft haar vordering primair gebaseerd op de in artikel 7:417 lid 4 BW bedoelde dubbele lastgeving. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [gedaagde] geen recht op loon als zij ook een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten met de verhuurder. Een afwijkend beding, hetgeen dat in dit geval aan de orde is, is ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar. Een vordering tot vernietiging moet op grond van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW binnen drie jaar nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen aan de belanghebbende ten dienste is komen te staan, ingesteld te worden. In onderhavig geval heeft [eiser] de bemiddelingskosten betaald op 16 december
  23. [eiser] heeft pas op respectievelijk 29 januari 2016, 3 februari 2016 en 26 oktober 2016 [gedaagde] brieven gestuurd. [gedaagde] heeft echter onweersproken gesteld dat [eiser] heeft nagelaten aan te voeren waarom [eiser] niet op elk moment vanaf 17 december 2011 de vernietigingsgrond heeft kunnen inroepen. Los van de vraag of voornoemde brieven als een stuitingshandeling kunnen worden aangemerkt, is de kantonrechter van oordeel dat de vordering - voor zover deze is gebaseerd op artikel 7:417 lid 4 BW - reeds is verjaard doordat de verjaringstermijn van drie jaar reeds voor 29 januari 2016 was verstreken. 4.
  24. Subsidiair heeft [eiser] zijn vordering gebaseerd op artikel 7:264 BW, namelijk dat er sprake is van een onredelijk voordeel aan de zijde van [gedaagde] . Indien dit vast komt te staan, dan is het beding op grond waarvan [eiser] de bemiddelingskosten heeft betaald nietig. Hierdoor vervalt de grondslag van de betaling door [eiser] en is er sprake van onverschuldigde betaling. Gelet op artikel 3:309 BW geldt voor een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling een verjaringstermijn van vijf jaar. In onderhavig geval heeft [eiser] de bemiddelingskosten op 16 december 2011 betaald. De verjaringstermijn is begonnen te lopen op de dag nadat [eiser] de bemiddelingskosten heeft betaald, zijnde 17 december
  25. [eiser] heeft op respectievelijk 29 januari 2016, 3 februari 2016 en 27 oktober 2016 [gedaagde] brieven gestuurd. [gedaagde] voert echter aan dat de verjaringstermijn niet tijdig is gestuit omdat de brieven ten eerste niet kunnen worden aangemerkt als een stuitingshandeling en ten tweede omdat er vervolgens niet binnen zes maanden een daad van rechtsvervolging is ingesteld. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat de brief van 27 oktober 2016 wel als een stuitingshandeling kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. In deze aanmaning maakt [eiser] ondubbelzinnig duidelijk dat hij aanspraak maakt op terugbetaling van de reeds betaalde bemiddelingskosten omdat hij van mening is dat [gedaagde] twee heren heeft gediend. Het verweer dat er na deze aanmaning tot betaling niet binnen zes maanden een dagvaarding is uitgebracht en dat het daarom niet als een stuitingshandeling kan worden aangemerkt, slaagt niet. Dit is gelet op lid 2 van voornoemd artikel enkel vereist indien er sprake is van een andere rechtsvordering dan tot nakoming van een verbintenis. En dat is in dit geval niet aan de orde zodat dat vereiste niet van toepassing is. Derhalve is de verjaringstermijn door [eiser] tijdig gestuit en is de vordering niet verjaard. inhoudelijk 4.
  26. Nu het bemiddelingskostenbeding niet binnen de daarvoor geldende termijn van drie jaar is vernietigd, moet de vraag worden beantwoord of het beding desondanks van rechtswege nietig is in de zin van artikel 7:264 lid 2 BW. Te gelden heeft dat indien op grond van artikel 7:417 lid 4 BW vast komt te staan dat de huurder van een woonruimte geen bemiddelingskosten verschuldigd is, daarmee ook vast staat dat dergelijke kosten volgens artikel 7:264 BW een niet redelijk voordeel voor [gedaagde] opleveren en dat die kosten niet ten laste van [eiser] kunnen worden gebracht. In zoverre vullen de artikelen 7:417 lid 4 en 7:264 BW elkaar aan (zie Kamerstukken II, 2015/16, 34207, nr. 5). 4.
  27. Derhalve moet alsnog worden beoordeeld of [gedaagde] twee heren heeft gediend in de zin van artikel 7:417 lid 4 BW. Op de voet van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet [eiser] stellen en zonodig bewijzen dat een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [gedaagde] en de verhuurder van de woning. Dat is anders indien er sprake is van een situatie zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099) heeft omschreven. In dat geval geldt een bewijsvermoeden. De hoofdvraag in deze procedure was of een overeenkomst met de verhuurder mag worden aangenomen wanneer deze om niet een woning op de website van de bemiddelaar plaatst, in welk geval artikel 7:417 lid 4 BW van toepassing moet worden geacht en – kort gezegd – een consument niet gehouden kan worden loon aan een bemiddelaar te voldoen. Hierop heeft de Hoge Raad bevestigend geantwoord. Dat de bemiddelaar de verhuurder geen loon heeft betaald, maakt hierbij niet uit. 4.
  28. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het appartement aan de [adres] op de website www.pararius.nl werd aangeboden en dat daarbij enkel de contactgegevens van [gedaagde] stonden weergegeven. Om een bezichtiging te kunnen plannen moest [eiser] zich inschrijven bij [gedaagde] , aldus [eiser] . Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] diverse e-mails overgelegd waaronder een e-mail (zie 2.7) met daarin een link waaruit kan worden afgeleid dat het gaat om een te huur aangeboden appartement aan de [adres] op de website www.pararius.nl. [gedaagde] betwist dat zij de woning op internet heeft geplaatst en voert tevens aan dat de door [eiser] overgelegde link niet meer werkt. 4.
  29. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de woning op de website www.pararius.nl stond weergegeven en dat de gang van zaken is geweest zoals door [eiser] is gesteld. Uit de e-mail van 12 december 2011 (zie 2.4) blijkt namelijk dat [eiser] op 5 december 2011 reeds contact met [gedaagde] heeft opgenomen om het appartement aan de [adres] te bezichtigen. Zonder nadere toelichting die [gedaagde] niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat [gedaagde] naar aanleiding van de inschrijving van [eiser] op 7 december 2011 actief opzoek is gegaan naar een woning. Bovendien heeft [gedaagde] in het geheel niet aangevoerd op welke wijze zij dan wel een woning voor [eiser] heeft gevonden. De betekent dan ook dat, nu als onvoldoende weersproken vast staat dat de woning op een website stond, het bewijsvermoeden zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van toepassing is. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. 4.
  30. De conclusie van het bovenstaande is dat de kantonrechter van oordeel is dat er zowel tussen [gedaagde] als [eiser] als tussen [gedaagde] en verhuurder een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. En dat er dus sprake is van dubbele lastgeving is in de zin van 7:417 lid 4 BW. Zoals reeds eerder is overwogen in rechtsoverweging 4.7 levert het bedingen van loon bij [eiser] een niet redelijk voordeel op voor [gedaagde] in de zin van artikel 7:264 BW. Het overeengekomen beding tot betaling van de bemiddelingskosten is dan ook nietig. [eiser] heeft de bemiddelingskosten van € 624,75 onverschuldigd betaald en daarom zal de vordering worden toegewezen. De hierover gevorderde rente zal eveneens worden toegewezen. Met dien verstande dat de rente zal worden toegewezen vanaf 10 november 2016, zijnde de einddatum van de in de brief van 27 oktober 2016 genoemde betalingstermijn. 4.
  31. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zijnde € 93,
  32. 4.
  33. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 624,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te rekenen vanaf 10 november 2016, zijnde de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele betaling; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 93,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te rekenen vanaf 8 augustus 2018 tot aan de dag der algehele betaling; veroordeelt [gedaagde] tevens tot betaling van de proceskosten welke aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 107,27 aan explootkosten, € 226,00 aan griffierecht en € 240,00 aan salaris van de gemachtigde; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Aldus gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2019 in tegenwoordigheid van de griffier. c 412

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.