RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/133 en LEE 19/134 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant, tegen de uitspraken van de rechtbank van 12 april
- Procesverloop Op 8 september 2017 heeft de rechtbank twee uitspraken gedaan in de zaken LEE 16/4955 en LEE 17/151 tussen opposant en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Opposant heeft tegen de uitspraken van 8 september 2017 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De CRvB heeft op deze hoger beroepen nog niet beslist. Op 3 december 2018 heeft opposant bij de rechtbank een verzoek op grond van artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Bij brief van 4 februari 2019 heeft de rechtbank opposant bericht dat zijn verzoek is geregistreerd als een verzoek om herziening van de uitspraken LEE 16/4955 en LEE 17/
- Bij haar twee uitspraken van 12 april 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van deze verzoeken om herziening kennis te nemen en bepaald dat de verzoeken worden doorgezonden aan de CRvB. Op 13 april 2019 heeft opposant verzet gedaan tegen de uitspraken van 12 april
- Hij heeft aangegeven dat hij wil worden gehoord. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld op de zitting van 25 juni
- Opposant is verschenen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- De rechtbank heeft haar uitspraken van 12 april 2019 zonder zitting gedaan. Zij heeft overwogen dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak onder een aantal voorwaarden kan herzien. Omdat de uitspraken van 8 september 2017 nog niet onherroepelijk waren, nu de hoger beroepen van opposant daartegen nog bij de CRvB liepen, heeft de rechtbank zich in beide zaken onbevoegd verklaard om van het verzoek om herziening kennis te nemen. Verder heeft de rechtbank besloten om het verzoek door te sturen naar de CRvB. 2.1 Opposant heeft in verzet betoogd dat een herziening, ondanks het nog niet onherroepelijk zijn van de uitspraken, toch mogelijk is. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 september 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:
- Daaruit leidt opposant – naar de rechtbank begrijpt – af dat ook zijn verzoek om herziening kan worden ingewilligd. 2.2 Deze verzetsgrond slaagt niet. De uitspaak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is niet in een bestuursrechtelijke zaak als hier aan de orde gedaan, maar in een civiele zaak, waarin de Kantonrechter in rechtsoverweging 2.5 opmerkt dat het Rv de rechtsfiguur “herziening” niet kent. Het bestuursrecht kent de rechtsfiguur “herziening” wél. De Awb heeft daarvoor een eigen regeling, namelijk artikel 8:
- Eén van de voorwaarden is dat de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, onherroepelijk is; dat zijn de uitspraken van 8 september 2017 niet, nu de CRvB nog geen uitspraak heeft gedaan. De overige verzetsgronden van opposant kunnen ook niet slagen, nu deze niets veranderen aan het feit dat de uitspraken van 8 september 2017 nog niet onherroepelijk zijn.
- Toch zal de rechtbank het verzet gegrond verklaren. Opposant heeft voor de zaken LEE 16/4955 en LEE 17/151 griffierecht betaald. In artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht (te vinden op www.rechtspraak.nl) is bepaald dat, als de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift (in eisers geval: verzoekschrift), de griffier geen griffierecht heft. Is wel griffierecht betaald, dan wordt dit terugbetaald. De rechtbank stelt vast dat zij in de uitspraken van 12 april 2019 niet heeft bepaald dat de griffier het griffiegeld aan opposant moet terugbetalen.
- Door de gegrondverklaring van het verzet vervallen de uitspraken van 12 april
- De zaken LEE 19/133 en 19/134 vallen terug in de stand waarin zij zich bevonden. In die zaken zal de rechtbank, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan een beoordeling, meteen uitspraak doen.
- Net als de rechtbank in haar uitspraken van 12 april 2019 is zij van oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om van het verzoek om herziening van de beide uitspraken van 8 september 2017 kennis te nemen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat die uitspraken onherroepelijk zijn. Zij zal het verzoek doorsturen naar de CRvB en bepalen dat de griffier een bedrag van tweemaal € 46,00 aan opposant terugbetaalt.
- De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet in de zaken LEE 19/133 en LEE 19/134 gegrond; verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om herziening; bepaalt dat dit verzoek wordt doorgestuurd aan de CRvB; bepaalt dat de griffier het griffierecht van tweemaal € 46,00 aan opposant terugbetaalt. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.