RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaak-/rolnummer.: 7718518 AR VERZ 19-36 beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671 lid 1 BW d.d. 17 juli 2019 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, SLIGRO FOOD GROUP NEDERLAND B.V., gevestigd te Veghel, verzoekende partij, gemachtigde: mr. D.J.L. Siegers, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verwerende partij, gemachtigde: mr. L. van de Vrugt. Partijen zullen hierna Sligro en [verweerder] worden genoemd. 1Het procesverloop 1.1. Sligro heeft een verzoek gedaan, ingekomen ter griffie op 26 april 2019, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met nevenverzoeken ingediend. 1.2. Op 17 juni 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, Sligro mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Sligro bij faxbericht van 13 juni 2019 nog drie aanvullende producties toegezonden. 1.3. Tot slot is beschikking bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [verweerder] , geboren 15 april 1972, is op 17 maart 1997 in dienst getreden bij Sligro. Tot april 2016 was [verweerder] Manager Binnendienst op de vestiging van Sligro in Drachten. Sinds april 2016 heeft [verweerder] een buitendienstfunctie als Rayon Manager Foodservice, thans genoemd Accountmanager, met laatstelijk een salaris van € 3.520,55 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten. 2.2. In de jaarlijkse functioneringsgesprekken over de functioneringsperiode 2015 en 1 januari 2017 tot 10 november 2017, gehouden op respectievelijk 20 december 2016 en 10 november 2017 heeft [verweerder] voor zijn functioneren als eindoordeel van zijn leidinggevende voldoende tot goed op de diverse competenties gescoord. In 2017 heeft [verweerder] met succes de zogenaamde training 'Sales Funnel' afgerond. Bij brief van 30 maart 2018 is aan [verweerder] een salarisverhoging toegekend wegens zijn 'goede functioneren en ontwikkeling' in 2017. 2.3. De leidinggevende van [verweerder] , de heer [naam leiding gevende] (hierna: [naam leiding gevende] ) heeft in een e-mail van 28 december 2017 aangegeven in 2018 met alle accountmanagers een maandelijkse meereisdag te willen plannen om op die manier de managers, de regio en de klanten beter te leren kennen. In de periode van 21 februari 2018 tot 21 september 2018 is [naam leiding gevende] vier dagen meegereisd met [verweerder] en heeft hij in totaal tien afspraken bijgewoond. 2.4. Op 16 april 2018 heeft [verweerder] gesolliciteerd naar zijn 'oude' functie van Manager Binnendienst. [verweerder] is niet aangenomen voor deze functie. 2.5. In juli 2018 heeft Sligro haar retailtak verkocht, hetgeen een reorganisatie met zich bracht. In oktober 2018 heeft Sligro de zogenaamde FIT regeling ingevoerd, een (re)-organisatieplan voor de back-office binnen het hoofdkantoor van Sligro. Op 11 oktober 2018 zijn [verweerder] en zijn Sales collega's uitgenodigd voor een FIT-bijeenkomst, ter gelegenheid waarvan een toelichting werd gegeven op de consequenties voor de afdeling Sales en waarin werd aangekondigd dat alle medewerkers een gesprek met hun leidinggevende zouden krijgen over het nieuwe functieprofiel en de gevolgen daarvan. Tevens werd tijdens de bijeenkomst aangegeven dat de afdeling Sales van 82 mensen naar 72 mensen zou teruggaan. 2.6. Op 31 oktober 2018 heeft Sligro bij [verweerder] in een gesprek aangegeven dat zij niet tevreden was over zijn functioneren. Bij e-mail van dezelfde dag heeft [verweerder] gevraagd om de kaders waaraan een verbeterplan moet voldoen concreet voor hem op papier te zetten. Tevens vraagt [verweerder] om toezending van het oude- en nieuwe functieprofiel, van de Adviesaanvraag project FIT, de personele regeling van FIT en een kopie van zijn arbeidsovereenkomst. 2.7. [naam leiding gevende] heeft op 1 november 2018 een verslag van het gesprek van 31 oktober 2018 opgesteld en in dit verband onder meer aan [verweerder] geschreven dat hij een verbeterplan van [verweerder] wilde ontvangen, dat [verweerder] op 7 november 2018 diende te bespreken met Sligro. Mocht na een periode van maximaal zes maanden blijken dat [verweerder] onvoldoende verbetering in zijn functioneren heeft laten zien, dan zal het dienstverband worden beëindigd, zo schrijft [naam leiding gevende] . Ten aanzien van de te verbeteren punten schrijft [naam leiding gevende] het volgende: "(…) Wij verwachten van een accountmanager veel meer diepgang in het dagelijkse gesprekken met klanten, waardoor we van prijsverkopers naar toegevoegde waarde voor een klant gaan. Dat houdt in dat we willen werken volgens de Sales Funnel. Hier hoort een pro actieve houding in gesprekken bij, waarbij je de leiding neemt in het gesprek en kansen weet te verzilveren door deze op de juiste manier aan te vliegen. (…) Het niet werken met de Sales Funnel hebben we al vaker besproken, maar ik zie hier nog altijd geen verbetering in. Daarnaast verwachten we van een accountmanager dat hij de regie neemt en houdt tijdens een salesgesprek. Dit heb ik weinig tot niet gezien tijdens onze meereisdagen het afgelopen jaar. Je acteert hierin reactief, terwijl wij juist pro actief het gesprek met de klant aan willen gaan. Ook doorvragen op onderwerpen gebeurt structureel niet. De gesprekken die we hebben gevoerd hebben helaas nog tot geen enkele verbetering geleid. Ten slotte wat structureel verbeterd moet worden is je inleving in de klant; een klant echt begrijpen en vinden waar zijn "pijn" zit. je zit hier op een oppervlakkige stoel, waardoor meerdere klanten het afgelopen jaar ook hebben aangegeven niet met je verder te komen. Ik vertrouw erop dat je voldoende input hebt voor het maken van een gedegen SMART verbeterplan. Mocht je nog vragen hebben zijn wij ten alle tijden bereid deze beantwoorden. Ik verzoek je je dan te richten tot de afdeling HR, [naam betrokkene] .". 2.8. Bij e-mail van 9 november 2018 heeft [verweerder] aan Sligro geschreven dat hem in het gesprek van 31 oktober 2018 de keuze is voorgelegd om ofwel mee te gaan in de herstructurering FIT ofwel zijn dienstverband bij Sligro te beëindigen. Om een weloverwogen keuze te kunnen maken vraagt [verweerder] aan Sligro om een concreet beëindigingsvoorstel aan hem te sturen, waarbij hij benadrukt dat dat niet betekent dat hij instemt met een beëindiging. 2.9. Bij e-mail van 11 november 2018 schrijft Sligro aan [verweerder] dat hij het gesprek van 31 oktober 2018 niet helemaal begrepen heeft want dat hem geen keuze is voorgelegd maar dat zijn functioneren moet worden verbeterd door een verbetertraject. Voorts schrijft Sligro in dit verband: "Dat houdt in dat je een plan maakt waarmee je ons overtuigt de geplande verbeteringen ook waargemaakt worden en voldoende zijn. Aanstaande dinsdag hebben we een afspraak waarin je ons vertelt hoe dit er uit gaat zien." Sligro geeft verder aan dat na afloop van het verbetertraject zal worden beoordeeld of de verbeteringen voldoende zijn en dat het dienstverband zal eindigen indien dit niet het geval is. Ten slotte verwijst Sligro naar de vindplaats van de personele regeling FIT. 2.10. Bij e-mail van 13 november 2018 betwist [verweerder] de juistheid van de inhoud van het verslag dat [naam leiding gevende] op 1 november 2018 heeft opgesteld. Op 14 november 2018 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen Sligro en [verweerder] , waarvan Sligro een verslag heeft gemaakt dat zij dezelfde dag per e-mail aan [verweerder] heeft gestuurd. In voormeld verslag heeft Sligro onder meer aangegeven dat zij op de navolgende punten kritiek op het functioneren van [verweerder] heeft: "1 Empathisch vermogen, het vermogen je écht in te leven in de behoefte van de klant 2. Constant gebruik van de sales funnel 3. Adviserend verkopen op basis van klant analyse en op basis van pull i.p.v. push 4. Strategische partner voor de klant zijn 5. Klachten pro actief omzetten naar commerciële kansen 6. In klantgesprekken de diepte in gaan om de juiste toegevoegde waarde te bieden 7. Pro activiteit". Verder schrijft Sligro in haar verslag dat zij concrete voorstellen van [verweerder] verwacht en dat hij Sligro dient te overtuigen dat hij in korte tijd op het gewenste niveau zal komen in een traject dat maximaal zes maanden duurt. Tevens schrijft Sligro verbaasd te zijn over een aantal vragen die [verweerder] stelde en schrijft zij in dit verband: "Je wil graag al de FIT regeling ontvangen Je wil een adviseur meenemen naar volgende gesprekken Je wil de gesprekken zelfs opnemen We hebben je aangegeven dat ons dit sterk het gevoel gaf dat je hiermee aanstuurde op een beëindiging van je dienstverband. We hebben je om die reden aangegeven dat je voor volgend gesprek een keuze moet maken: verbetertraject, of ontbinding inclusief juiste afwikkeling van je dienstverband. (…)". Verder schrijft Sligro dat de FIT regeling niet van toepassing is op het verbetertraject van [verweerder] . Met het verslag stuurt Sligro de door [verweerder] gevraagde (aangescherpte) functiebeschrijving van Accountmanager en de personele regeling FIT. 2.11. Bij e-mail van dezelfde dag, 14 november 2018, heeft [verweerder] als reactie aan Sligro geschreven dat hij "graag wil meewerken aan het verbetertraject" en daartoe een nieuwe afspraak wil maken op 27 november 2018 waarbij hij ter ondersteuning iemand wil meenemen. Voorts licht [verweerder] toe dat hij iemand mee wil nemen vanwege de onwaarheden in het door Sligro opgestelde gespreksverslag en hetgeen [naam leiding gevende] heeft verkondigd. Tevens geeft [verweerder] aan dat afgesproken is dat hem de informatie die hij in zijn mail van 31 oktober 2018 heeft opgevraagd alsnog via de mail zal worden toegestuurd en dat [naam leiding gevende] de verbeterpunten puntsgewijs en feitelijk zal onderbouwen, zodat [verweerder] een "gedegen plan kan maken". Sligro reageert bij e-mail van 15 november 2018 en schrijft in dit verband onder meer dat [verweerder] door "de insteek het gesprek op te nemen en je daaropvolgende reactie, het gesprek onnodig op scherp hebt gezet waardoor een situatie ontstond die niet meewerkt het wederzijdse vertrouwen te verbeteren". Verder schrijft Sligro dat [verweerder] de avond ervoor een mail van Sligro heeft ontvangen "met daarin een toelichting rondom de verbeterpunten, de Fit regeling en het Aangescherpt profiel AM", waarmee Sligro grotendeels heeft voldaan aan de door [verweerder] gevraagde zaken/documenten, aldus Sligro. 2.12. Bij e-mail van 21 november 2018 heeft [verweerder] het volgende, voor zover van belang, aan Sligro geschreven: "(…) Ik heb inmiddels het aangescherpte (nieuwe) functieprofiel mogen ontvangen, waarvoor dank. Ik zou graag willen weten op welke punten het profiel is aangescherpt en aan welke punten ik (objectief meetbaar) niet voldoe. Verder mis ik nog de feitelijk onderbouwing van de verbeterpunten (…) Ik wil dus graag weten waar de punten in het gespreksverslag van 1 november jl. op gebaseerd zijn en wanneer ik er op aangesproken ben. Zonder deze informatie is het niet mogelijk om een gedegen plan te schrijven. (…) Hieronder een opsomming van de punten die nog openstaan: 1. Het oude functieprofiel 2. De Adviesaanvraag project FIT 3. Een kopie van mijn arbeidsovereenkomst Er is nog een vraag bijgekomen. Ik zou graag een kopie van de presentatie die op 11 oktober 2018 (…) aan ons is gegeven ontvangen. (…)". 2.13. Dezelfde dag, 21 november 2018, schrijft Sligro als reactie het volgende aan [verweerder] : "Zoals mondeling reeds meerdere keren aangegeven en toegelicht hebben wij je de in onze ogen relevante stukken toegezonden. In deze fase van het overleg vinden wij het niet relevant om bijvoorbeeld de adviesaanvraag aan je te sturen. Ik weet niet wat je wilt bereiken met het blijven vragen om documenten vooraf i.p.v. dat in het komende gesprek aan de orde te stellen. In ieder geval komt het de verstandhouding niet ten goede. ". 2.14. Bij e-mail van 25 november 2018 heeft [verweerder] het volgende aan Sligro geschreven: "(…) In het gesprek van 14 november jl. hebben we afspraken gemaakt waar ik aan refereer en nu blijkt dat jullie de informatie toch niet willen verstrekken. Ik word zonder eerdere signalen geconfronteerd met een verbetertraject vanwege een aangescherpt (nieuw) functieprofiel. Dat ik dan vraag om bepaalde informatie en een onderbouwing van mijn verbeterpunten lijkt me meer dan logisch. Dat het de verstandhouding niet ten goede zou komen, zijn jouw woorden, niet de mijne. Ik denk hier gelukkig anders over en zoals ik ook in het gesprek op 14 november jl. aangaf zit er zeker een deukje in mijn groene Sligro hart maar die gaat er wel weer uit. Wat het gesprek van komende dinsdag betreft: ik wil graag met jullie in gesprek maar dan wel op een moment dat ik de gevraagde informatie heb ontvangen en we het eens zijn over het verbeterpunt. Ik wil niet weer onvoorbereid met jullie in gesprek gaan. Zodra ik antwoord heb op mijn vragen en ik de afgesproken informatie heb ontvangen zal ik het initiatief nemen om een afspraak met jullie te maken. (…) Mijn verzoek is dan ook om een concreet beëindigingsvoorstel toe te sturen (een conceptovereenkomst). Aan de hand hiervan kan ik dan bekijken of ik dit in overweging wil nemen. Volledigheidshalve benadruk ik dat dit niet betekent dat ik instem met een beëindiging van mijn dienstverband.". 2.15. Dezelfde dag (25 november 2018) reageert Sligro bij e-mail als volgt: "Wij hebben niet als uitgangspunt een beëindiging dienstverband. Zoals meerdere malen aangegeven willen we dat je je significant verbetert in je functioneren. We hebben je aangegeven op welke punten we vinden dat dit het geval is. We verwachten van jou aankomend gesprek dat je aangeeft hoe je dat gaat doen, daarna kunnen we je wellicht verder helpen aanscherpen. Er is verder geen sprake van een discussie of we het eens worden over ieder verbeterpunt. Graag tot aankomende dinsdag 27-11 om 13.30 uur in Veghel." 2.16. Bij e-mail van 26 november 2018 heeft [verweerder] aan Sligro laten weten dat hij niet aanwezig zal zijn bij het gesprek van 27 november 2018 en dat hij graag in gesprek gaat, maar pas nadat hij de door hem gevraagde informatie heeft ontvangen. Als reactie laat Sligro [verweerder] dezelfde dag weten dat hij dient te verschijnen op het gesprek en dat de consequenties van niet-verschijnen voor [verweerder] zijn. 2.17. Op 27 november 2018 heeft [verweerder] zich telefonisch ziek gemeld. Bij e-mail van dezelfde dag heeft Sligro geschreven aan [verweerder] dat de ziekmelding niet in de weg staat aan een gesprek om tot "een voor beide partijen werkbare oplossing" te komen en heeft ze hem opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 3 december 2018. Tevens kondigt Sligro aan dat zij overweegt het loon stop te zetten als [verweerder] niet zal verschijnen bij voormeld gesprek. Bij e-mail van 30 november 2018 heeft [verweerder] aan Sligro laten weten dat hij zich ziek heeft gemeld vanwege werkgerelateerde problematiek en niet in staat is om een gesprek aan te gaan. Verder schrijft [verweerder] dat hij wel nog steeds bereid is om in gesprek te gaan als hij daartoe in staat is én de informatie heeft ontvangen die hij al op 21 november 2018 heeft aangevraagd. 2.18. [verweerder] is niet op het gesprek van 3 december 2018 verschenen. Bij e-mail van dezelfde datum heeft Sligro meegedeeld dat zij de loonbetaling aan [verweerder] stopzet met het voorbehoud dat de loonstop ongedaan wordt gemaakt als de bedrijfsarts zou oordelen dat [verweerder] vanwege medische beperkingen niet in staat was tot een gesprek. 2.19. Op 27 december 2018 heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. In het consultrapport van het spreekuur vermeldt de bedrijfsarts dat sprake is van medisch en niet-medisch verzuim en adviseert hij om het gesprek aan te gaan. De bedrijfsarts schrijft in dit verband: "(…) Meneer heeft duidelijk klachten welke het normale functioneren nu verhinderen. Deze komen echter voort en worden versterkt door problemen met werkgever. Het gaat met name om arbeidsvoorwaarden en verhoudingen. Meneer is geadviseerd juist gesprek aan te gaan om te zien of ook andersom dat wat gevraagd wordt ook duidelijk kan worden en er wederzijds commitment is om een oplossing te kunnen vinden. (…)". Verder adviseert de bedrijfsarts om zo nodig mediation in te zetten. 2.20. Bij e-mail van 7 januari 2019 schrijft Sligro aan [verweerder] dat uit het rapport van de bedrijfsarts blijkt dat "er geen belemmeringen zijn het gesprek met de werkgever aan te gaan om tot een oplossing van de huidige situatie te komen" en nodigt Sligro [verweerder] uit voor een gesprek op 14 januari 2018. 2.21. Bij e-mail van 10 januari 2018 schrijft [verweerder] aan Sligro: "De bedrijfsarts laat zich niet uit of ik voor het laatste spreekuurcontact al in staat was om een gesprek met jullie aan te gaan. Hij heeft me voor nu slechts het advies gegeven om energie in een oplossing te steken en dat wil ik graag doen. (…)". Verder stelt [verweerder] voor onder begeleiding van een mediator in gesprek te gaan en verzoekt hij om betaling van zijn salaris met terugwerkende kracht. 2.22. Bij e-mail van 10 januari 2019 schrijft Sligro aan [verweerder] dat zij inschakeling van een mediator prematuur vindt. Bij e-mail van 11 januari 2019 schrijft [verweerder] aan Sligro dat begeleiding door een mediator voor hem een vereiste is om constructief in gesprek te gaan "gezien de manier waarop jullie vanaf 1 november jl. met mij communiceren en mij nog steeds niet op voorhand de gevraagde informatie willen geven om tot een constructief gesprek te komen, maar wel zonder deugdelijke grond mijn loon stopzetten om mij op die manier en ondanks mijn arbeidsongeschiktheid te dwingen tot een gesprek". Hierop reageert Sligro bij e-mail van 14 januari 2019 dat zij een mediator zal benaderen, waarbij tevens de vraag aan de orde kan komen of, en zo ja, per wanneer het salaris wordt hervat. Voorts schrijft Sligro onder meer: "Het wordt er niet eenvoudiger op om te komen tot een werkbare relatie daar je ook nu weer een drempel opwerpt voor een gesprek met ons". 2.23. Op 20 februari 2019 heeft een mediationgesprek tussen partijen plaatsgevonden, dat niet tot een oplossing heeft geleid. Op 21 februari 2019 heeft Sligro een kort geding dagvaarding van [verweerder] ontvangen, waarin [verweerder] opheffing van de loonstop alsmede betaling van de wettelijke verhoging en rente vordert. Op 4 maart 2019 hebben de gemachtigden van partijen telefonisch overleg over een mogelijke regeling, waarin zij vervolgens niet slagen. In een e-mail van 14 maart 2019, schrijft de gemachtigde van Sligro aan de gemachtigde van [verweerder] onder meer: "Cliënte is dan ook benieuwd naar zijn ideeën over hoe de situatie kan worden opgelost en - als hij in zijn functie wil blijven - of hij de bereidheid heeft om serieus aan de slag te gaan met de genoemde verbeterpunten. Cliënte is bereid daarin te investeren, bijvoorbeeld door de aanstelling van een job coach, die hem kan helpen om de gestelde doelen en verbeteringen in zijn functie te behalen. Cliënte zal in dat kader ook de loonstop opheffen. Cliënte is bereid mee te denken over de verdere invulling van dat traject en de formulering van de te behalen doelen, maar nu uw cliënt eerder niet bereid was om daar over te praten is zo'n traject pas zinvol als uw cliënt eerst laat zien dat hij de bereidheid heeft hier daadwerkelijk mee aan de slag te gaan.". 2.24. Op 25 maart 2019 heeft Sligro het salaris van 3 december 2018 tot en met 31 maart 2019 aan [verweerder] betaald. 2.25. Op diezelfde datum (25 maart 2019) heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. In het consultrapport dat de bedrijfsarts naar aanleiding van dit bezoek heeft opgesteld, staat onder meer het volgende vermeld: "(…) Meneer is nog niet goed in staat om zijn werk direct volledig te hervatten. Duidelijk is wel dat het beeld in stand wordt gehouden door de huidige arbeidsverhoudingen. Onderlinge gesprekken leverden geen resultaat of overeenkomst op (tot nu toe). Gezien echter de beleefde problemen acht ik de kans op verergering van de problemen en klachten als zeer groot als meneer zo weer aan de slag moet bij werkgever. Advies is enerzijds dus cf de STECR richtlijn bij conflicten wel om meneer niet langer ongeschikt voor werk door ziekte te beschouwen, maar dan dus niet op hervatting bij werkgever aan te sturen maar alsnog, zo nodig via juridische weg, te komen tot andere oplossingen waarbij werknemer elders aan de slag kan gaan (…)". 2.26. Op 27 maart 2019 vindt de zitting in kort geding plaats. Uit de zittingsaantekeningen van de griffier blijkt dat [verweerder] heeft aangegeven nogmaals mediation te willen beproeven. [verweerder] wilde tijdens de zitting alsmede direct daarna op uitnodiging van Sligro niet (meteen) praten over een minnelijke regeling. 2.27. Bij e-mail van 4 april 2019 legt Sligro [verweerder] twee opties voor, namelijk een gesprek om de lucht te klaren en te spreken over de verbeterpunten óf overleg over een beëindigingsregeling. Verder schrijft Sligro dat zij overweegt een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen als er geen oplossing wordt gevonden. Bovendien wordt vermeld dat als er geen werkbare oplossing in zicht is, mogelijk opnieuw een loonstop zal worden ingesteld. 2.28. Bij e-mail van 8 april 2019 doet (de gemachtigde van) [verweerder] als reactie een tegenvoorstel en wordt onder meer het volgende aan Sligro geschreven: " [verweerder] is van mening (…) dat van een verbetertraject helemaal geen sprake kan zijn als hij nog nooit eerder is aangesproken op zijn functioneren en er ook geen oude functioneringsomschrijving aanwezig is waaraan de zogenaamde verbeterpunten objectief aan kunnen worden getoetst. (…) Na de zitting heb ik aangegeven niet meteen te willen overleggen omdat [verweerder] de nieuwe verwijten die werden gemaakt, eerst even moest laten bezinken. Optie 1 is wat [verweerder] geen reële optie. Als Sligro [verweerder] aan boord had willen houden, had zij het volkomen anders aangepakt en echt het gesprek met hem gezocht in plaats van zijn valide vragen weigeren te beantwoorden. (…) Namens [verweerder] doe ik dan ook het volgende tegenvoorstel". 2.29. Bij vonnis in kort geding van 10 april 2019 (zaaknummer: 7538135 CV EXPL 19-1090) heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de loonsanctie per 3 december 2018 terecht door Sligro is opgelegd omdat [verweerder] weigerde met Sligro in gesprek te gaan. Omdat [verweerder] op 20 februari 2019 een mediationgesprek heeft gevoerd met Sligro is vanaf dat moment de grondslag van de loonstop komen te vervallen, aldus het oordeel van de kantonrechter. 2.30. Op 12 april 2019 is [naam P&O manager] , regio P&O manager bij Sligro, bij [verweerder] thuis op bezoek geweest. 2.31. Bij e-mail van 16 april 2019 heeft de gemachtigde van Sligro onder meer het volgende aan de gemachtigde van [verweerder] geschreven: "(…) Uw voorstel zoals verwoord in uw e-mail 8 april is voor cliënte niet aanvaardbaar. Cliënte heeft afgelopen vrijdag een gesprek gevoerd met uw cliënt. Daaruit is opnieuw duidelijk geworden, zoals u ook schrijft in uw e-mail, dat uw cliënt een terugkeer geen reële optie meer acht. Ik heb namens cliënte in mijn e-mail aan u van 21 maart jl. laten weten dat cliënte ervan uitging dat uw cliënt zich in het kader van de hervatting van het loon volledig zou inzetten om te komen tot een normale werkrelatie. Nu u en uw cliënt hebben laten weten dat voor uw cliënt een terugkeer geen reële optie is en er dus nog steeds geen bereidheid is daarover te komen praten, heeft uw cliënt opnieuw geen aanspraak op loon en zal cliënte het loon stopzetten en wel vanaf morgen (17 april 2019). Mocht uit het door uw cliënt aangevraagde deskundigenoordeel van UWV blijken dat er wel aanspraak was op loon, dan zal het loon alsnog met terugwerkende kracht worden hervat. Nu partijen geen regeling in der minne hebben weten te bereiken en er een enorm gat zit tussen de respectievelijke voorstellen rest cliënte geen andere stap dan de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst te ontbinden. (…)". 2.32. Het UWV heeft bij brief van 17 april 2019 een deskundigenoordeel uitgebracht, waarin de inhoud van de rapportage van de bedrijfsarts wordt bevestigd. Het UWV concludeert dat er op 25 maart 2019 geen sprake was van een medische reden voor arbeidsongeschiktheid van [verweerder] . 2.33. Bij e-mail van 17 april 2019 reageert de gemachtigde van [verweerder] op de e-mail van de gemachtigde van Sligro van de dag daarvoor als volgt: " [verweerder] heeft afgelopen vrijdag niet met uw cliënte gesproken. Mevrouw [naam P&O manager] heeft contact met hem gezocht op persoonlijke titel en nooit aangegeven dat ze uit naam van Sligro kwam. [verweerder] heeft zich tegen haar ook niet expliciet uitgelaten over zijn conflict met Sligro. (…) U legt nu weer een loonstop op. Mag ik nu wel meteen weten op welke grond het dit keer is? (…) Sligro is juist degene die het arbeidsconflict heeft veroorzaakt en niets onderneemt om de verstandhouding te normaliseren. Dat blijkt wel uit het feit dat sinds 1 november 2018 niemand ook maar heeft gebeld om te vragen hoe het met [verweerder] gaat en hoe het zo heeft kunnen gebeuren. Er is vanuit Sligro geen enkele serieuze poging ondernomen om de arbeidsverhouding weer te normaliseren. Het op pad sturen van mevrouw [naam P&O manager] met een geheime missie draagt daar evenmin aan bij. (…)". Verder geeft de gemachtigde van [verweerder] aan dat haar cliënt nog steeds bereid is nogmaals een mediation in te gaan. 2.34. Met ingang van 17 april 2019 heeft Sligro de loonbetaling aan [verweerder] (opnieuw) gestaakt. 2.35. Op 25 april 2019 heeft Sligro het onderhavige verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ingediend. 2.36. Bij e-mail van 9 mei 2019 heeft de gemachtigde van [verweerder] , voor zover thans van belang, aan de gemachtigde van Sligro geschreven dat haar cliënt op de zitting van 27 maart 2019 had aangeboden een nieuw mediationtraject te doorlopen en dat zij dat aanbod thans opnieuw doet en dat [verweerder] bereid is tot overleg. Bij e-mail van 16 mei 2019 heeft de gemachtigde van Sligro afwijzend op dit aanbod gereageerd en in dit verband geschreven dat een mediationtraject geen zin heeft omdat dit, gelet op het standpunt van [verweerder] , uitsluitend zou zien op een beëindigingsregeling. 2.37. Op 15 mei 2019 heeft [verweerder] opnieuw een kort geding jegens Sligro aanhangig gemaakt, waarin [verweerder] - samengevat - betaling van achterstallig en toekomstig loon samenhangende met de tweede loonstop per 17 april 2019 van Sligro vordert. 2.38. Per 24 mei 2019 heeft [verweerder] zich ziek gemeld in verband met een val van de trap. 2.39. Bij e-mail van 29 mei 2019 heeft Sligro aan [verweerder] geschreven dat zij, in afwachting van de bevindingen van de bedrijfsarts, voorlopig zal overgaan tot doorbetaling van het salaris wegens ziekte. 2.40. In het kortgeding vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juni 2019 (zaaknummer: 7746479 CV EXPL 19-3276) heeft de kantonrechter - samengevat - geoordeeld dat Sligro het loon van [verweerder] door had moeten betalen en dat de tweede loonstop ten onrechte door haar was opgelegd aan [verweerder] en is Sligro veroordeeld tot betaling van het (achterstallig) loon vanaf 17 april 2019 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. 2.41. [verweerder] heeft per 1 april 2019 geen salarisverhoging ontvangen. 3Het verzoek 3.1. Sligro verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e dan wel g BW. 3.2. Aan dit verzoek legt Sligro ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - verwijtbaar handelen van [verweerder] en van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van Sligro redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Sligro het volgende naar voren gebracht. 3.3. Sligro heeft als werkgever het recht om kritiek te hebben op het functioneren van een werknemer en het behoort vervolgens ook tot haar verantwoordelijkheid om hierover met de werknemer, in casu [verweerder] , in gesprek te gaan en hem in staat te stellen zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] werkt al sinds 27 november 2018 niet, terwijl UWV heeft vastgesteld dat er geen sprake is van ziekte, en [verweerder] werkt onvoldoende mee om tot een oplossing te komen. Vanuit Sligro zijn meerdere handreikingen gedaan om [verweerder] weer aan tafel en aan het werk te krijgen (mediation, opheffen loonstop, uitwerken verbetertraject en aanbieden coaching, uitnodigingen voor overleg en diverse pogingen om [verweerder] zelf te vragen welke oplossing hij voor ogen had om te komen tot een werkbare verhouding). [verweerder] , die direct na de door Sligro geuite kritiek bij herhaling om een beëindigingsvoorstel heeft gevraagd, wijst al deze pogingen van Sligro af, oppert desgevraagd zelf geen mogelijkheid om te komen tot een werkbare relatie maar komt slechts met een beëindigingsvoorstel dat voor Sligro onaanvaardbaar is. De wijze waarop [verweerder] zich sinds 31 oktober 2018 heeft opgesteld is (ernstig) verwijtbaar. De loonsancties ten spijt, werkt [verweerder] ten onrechte niet mee aan zijn re-integratie, zoals ook door de rechter in kort geding is vastgesteld. De aldus ontstane situatie is volledig te wijten aan de houding en opstelling van [verweerder] . Inmiddels zijn door de opstelling van [verweerder] de verhoudingen zo verstoord geraakt dat van Sligro niet verwacht kan worden de arbeidsrelatie nog te laten voortduren. Ter zitting heeft Sligro haar verzoek gewijzigd, in die zin dat [verweerder] volgens haar wel aanspraak heeft op betaling van de transitievergoeding. Herplaatsing ligt gelet op de verstoorde verhoudingen en gelet op het verwijtbare handelen van [verweerder] ingevolge artikel 7:669 lid 1 BW niet in de rede, aldus Sligro. 4Het verweer 4.1. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Als geoordeeld wordt dat er wel een redelijke grond voor ontbinding is, dan verzoekt [verweerder] subsidiair: Sligro te veroordelen om binnen twee dagen na afgifte van deze beschikking het (achterstallig) loon aan [verweerder] vanaf 1 april 2019 te betalen tot een bedrag van € 88,01 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 38.940,99, respectievelijk € 39.984,05 bruto als de einddatum na 17 september 2019 ligt; aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen van € 40.888,04 bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag; bij het bepalen van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden zonder aftrek van de periode tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van deze beschikking; Sligro te veroordelen binnen twee dagen na afgifte van deze beschikking het loon en overige emolumenten vanaf 17 april 2019 na te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; Sligro te veroordelen binnen twee dagen na afgifte van deze beschikking de onkostendeclaraties te voldoen ad € 229,14 bruto en € 248,52 netto. Ten slotte verzoekt [verweerder] zowel primair als subsidiair veroordeling van Sligro tot een vergoeding van de niet voor vergoeding door ARAG in aanmerking komende kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 7.031,67 inclusief btw. 4.3. [verweerder] voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Er is geen sprake van verwijtbaar handelen van [verweerder] noch van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De mededeling van Sligro eind oktober 2018 dat zij niet tevreden was over het functioneren van [verweerder] kwam als een complete verrassing en een voldoende concrete en redelijke aanleiding voor de kritiek was en is [verweerder] onbekend. [verweerder] had van zijn leidinggevende nooit eerder kritiek gehad op zijn functioneren. Integendeel, hij kreeg goede beoordelingen, salarisverhogingen en zelfs complimenten. Omdat [verweerder] niet snapte waarom hij opeens zijn functioneren zou moeten verbeteren en meer concreet op welke specifieke punten dan, heeft hij om extra informatie gevraagd. [verweerder] heeft niet geweigerd het gesprek met Sligro aan te gaan maar wilde wel eerst de gevraagde informatie ontvangen, hetgeen niet onredelijk is. [verweerder] werd overvallen door het verbetertraject en wilde daarna niet nog eens tijdens een gesprek worden overvallen. In plaats van de door [verweerder] gevraagde informatie te geven (waar hij volgens de kantonrechter in kort geding ook gewoon recht op had) heeft Sligro geweigerd de informatie te geven en bleef zij hameren op het verbetertraject en het verbeterplan, waarvoor zij het initiatief volledig bij [verweerder] neerlegde. Die druk is [verweerder] teveel geworden en heeft tot zijn uitval geleid. [verweerder] betwist dat hij van meet af aan enkel uit geweest zou zijn op een beëindiging van de arbeidsrelatie. Sligro heeft hem vanaf dag één de keuze gegeven tussen een verbetertraject of een regeling, reden waarom [verweerder] om een concept beëindigingsvoorstel heeft gevraagd. Al met al is de opstelling van [verweerder] na 31 oktober 2018 niet ernstig verwijtbaar maar juist alleszins begrijpelijk voor iemand die al 21 jaar bij een werkgever werkt en van de ene op de andere dag wordt overdonderd met kritiek op zijn functioneren en een verbetertraject zonder dat hij daar ooit signalen, laat staan schriftelijke waarschuwingen voor heeft ontvangen, aldus [verweerder] . 5De beoordeling 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moeten ook de subsidiaire nevenverzoeken van [verweerder] worden beoordeeld. 5.2. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 7 BW echter niet in de weg aan ontbinding, omdat de ziekte van [verweerder] een aanvang heeft genomen nadat het verzoek om ontbinding door de kantonrechter is ontvangen. 5.3. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). Verwijtbaar handelen 5.4. Sligro voert onder meer aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van [verweerder] . Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Sligro in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. De kantonrechter overweegt als volgt. 5.5. Het verwijt van Sligro dat [verweerder] van meet af aan enkel uit geweest zou zijn op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in dat verband alle handreikingen van Sligro om weer in gesprek en aan het werk te gaan heeft afgeslagen, vindt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende steun in de feiten. 5.6. De kantonrechter stelt vast dat het conflict tussen partijen is begonnen met het gesprek op 31 oktober 2018 en de - door [verweerder] betwiste - weergave daarvan door Sligro van 1 november 2018 alsmede met de daaraan gekoppelde opdracht aan [verweerder] tot het opstellen van een verbeterplan. Het voorgaande kwam voor [verweerder] - al dan niet terecht, waarover hierna meer - als een donderslag bij heldere hemel. Daarbij komt dat niet lang daarvoor, namelijk op 11 oktober 2018, de presentatie aan de Sales medewerkers, waaronder ook [verweerder] , is gegeven over de (consequenties van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.