RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 18/2889 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2019 in de zaak tussen Recreatiecentrum [plaats] B.V., te [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Wols), en het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren, verweerder (gemachtigden: J.A. Ponsen, Y. van der Vlugt en S.M. Dijkstra). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Pluimveehouderij [naam], te [plaats] (gemachtigde: J.H. Immink). Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan pluimveehouderij [naam] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de warmtewisselaar en de wijze van ventilatie van pluimveestal 2, en het vervangen van pluimveestal 3 door een geheel nieuwe stal op de locatie [adres] te [plaats]. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, het veranderen van een inrichting en het realiseren van een project of het verrichten van handelingen met gevolgen voor natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000 gebieden. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 15 november 2018 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd om de rechtbank van advies te dienen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 februari 2019 heeft de StAB advies uitgebracht aan de rechtbank. Vervolgens hebben eiseres en verweerder gereageerd op het advies van de StAB, naar aanleiding waarvan door de StAB op 1 mei 2019 aanvullend is gerapporteerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Namens eiseres zijn [namen] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens vergunninghouder zijn [namen] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Vergunninghouder heeft een pluimveehouderij aan de [adres] te [plaats]. Op 9 oktober 2012 is voor de inrichting een revisievergunning verleend. Op grond van deze vergunning mogen in stal 2 en stal 3 respectievelijk 66.000 en 14.675 vleeskuikens worden gehouden. Met de vergunning van 9 oktober 2012 is een warmtewisselaar aan de zuidoostzijde van stal 2 vergund. Feitelijk is de warmtewisselaar echter aan de noordwestzijde van deze stal gerealiseerd. Om dit te legaliseren is op 3 juni 2015 een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van de warmtewisselaar van stal 2 naar de noordwestzijde en het terugbrengen van het aantal vleeskuikens in deze stal naar 65.310. Tegen de vergunning van 3 juni 2015 is bezwaar gemaakt. Op deze bezwaren is nog niet beslist, omdat verweerder voornemens is deze vergunning in te trekken. Vergunninghouder heeft te kennen gegeven dat stal 3 momenteel niet in gebruik is vanwege de verouderde staat. Op 28 juli 2016 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het wijzigen van de warmtewisselaar en de wijze van ventilatie van stal 2, en het vervangen van stal 3 door een geheel nieuwe stal. De bestaande stal 2 blijft qua omvang gelijk; de wijziging betreft enkel de warmtewisselaar en de wijze van ventilatie. Stal 3 wordt vervangen door een nieuw te bouwen stal; deze wordt groter en krijgt een ander stalsysteem dat het huidig vergunde systeem vervangt. De beide stallen worden op dezelfde wijze geventileerd; een warmtewisselaar in combinatie met eindgevelventilatie. In stal 2 wijzigt het aantal te houden vleeskuikens van 66.000 naar 57.750 en in stal 3 wijzigt het aantal te houden vleeskuikens van 14.675 naar 45.675. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de warmtewisselaar en de wijze van ventilatie van pluimveestal 2, en het vervangen van pluimveestal 3 door een geheel nieuwe stal. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, het veranderen van een inrichting en het realiseren van een project of het verrichten van handelingen met gevolgen voor natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000 gebieden. Activiteit milieu M.e.r.-beoordelingsplicht 2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in onderhavig geval geen verplichting is een milieueffectrapport (m.e.r.) op te stellen. In dit verband voert eiseres aan dat het aspect gezondheid betrokken had moeten worden bij de beoordeling van de vraag of een m.e.r. nodig is. 2.1. De rechtbank overweegt dat in de m.e.r.-beoordelingsbeslissing van 19 juli 2016 niet expliciet is ingegaan op het aspect gezondheid. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat een afzonderlijke beoordeling van het aspect gezondheid niet nodig was, omdat de inrichting voldoet aan de relevante wettelijke criteria voor fijnstof. 2.1.1. Uit de m.e.r.-beoordelingsbeslissing en het advies van de FUMO blijkt dat de voorgenomen activiteit leidt tot een toename van de fijnstofemissie. In de m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt, op basis van ISL3a-berekening, geconcludeerd dat de in de Wet milieubeheer (Wm) genoemde grenswaarde voor fijnstof ten gevolge van de voorgenomen activiteit niet wordt overschreden. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zoals verwoord in de uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:24969) blijkt dat het feit dat de emissie van fijnstof voldoet aan de daarvoor geldende normen niet betekent dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Bij een toename van de uitstoot van fijnstof en endotoxinen en een relatief geringe afstand tot de woningen van omwonenden is het niet uitgesloten dat een activiteit leidt tot nadelige gevolgen voor omwonenden. Met de enkele toelichting dat de grenswaarde voor fijnstof niet wordt overschreden is verweerder in het kader van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingegaan op het mogelijke risico van endotoxinen voor de gezondheid van de omwonenden. De beroepsgrond slaagt. 2.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de m.e.r.-beoordelingsbeslissing, wegens een motiveringsgebrek geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om ingevolge de haar in artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegekende bevoegdheid de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover deze zien op de m.e.r.-beoordelingsbeslissing, in stand te laten. De rechtbank overweegt hiertoe dat als gevolg van onderhavige vergunning de emissie weliswaar met circa 180 kg/jr toeneemt naar een jaarlijkse emissie van 1.955,6 kg fijnstof (PM10), maar dat de blootstelling aan fijnstof van de omwonenden in de directe omgeving van de pluimveehouderij afneemt van circa 21,5-22,8 ug/m³ naar circa 17,5-18,5 ug/m³. Eiseres heeft dit niet bestreden. Nu de blootstelling aan fijnstof van de omwonenden in de directe omgeving afneemt, doen zich voor wat betreft het aspect gezondheid naar het oordeel van de rechtbank geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu voor, die nopen tot het maken van een m.e.r. Gezondheid 3. Eiseres vreest gezondheidsschade vanwege de wijziging van de pluimveehouderij van vergunninghouder. Eiseres verwijst in dit verband onder meer naar het op 14 februari 2018 gepresenteerde advies “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies” van de Gezondheidsraad. In dit advies zijn de gezondheidsrisico’s rond veehouderijen uit 2012 geactualiseerd in het licht van de resultaten van de onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” van 2016 en 2017. De Gezondheidsraad constateert dat er aanwijzingen zijn dat veehouderijen via de emissies van fijnstof en ammoniak specifieke gezondheidsrisico’s voor omwonenden met zich meebrengen. De Gezondheidsraad beveelt een verdere reductie van de uitstoot van fijnstof en ammoniak aan om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te verminderen. 3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen beleid heeft vastgesteld voor toetsing van gezondheidseffecten van veehouderijen. Verweerder is hiertoe ook niet gehouden. In de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395, heeft de AbRS geoordeeld dat, zowel wat betreft de advieswaarde als de wijze waarop kan worden berekend welke concentratie endotoxinen zal worden veroorzaakt door een veehouderij, in ieder geval thans nog een aanzienlijk aantal vragen bestaat waarvoor verder wetenschappelijk onderzoek is vereist. Gelet daarop is een bestuursorgaan bij vergunningverlening niet verplicht om zijn beoordeling van endotoxinen te baseren op een toetsing aan de advieswaarde van de Gezondheidsraad. 3.1.1. Uit de uitspraak van de AbRS van 25 juli 2018 volgt voorts dat het op de weg van degene die zich beroept op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid, waaronder vrees voor endotoxinen, ligt om aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk te maken dat de door verweerder gehanteerde toetsingskaders niet toereikend zijn. Eiseres heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de Nota zienswijzen, de “Aanvulling inzake het aspect Volksgezondheid” van 16 februari 2018 en het advies van de FUMO van 10 april 2018, die deel uitmaken van de verleende vergunning, is ingegaan op het aspect gezondheid. Hieruit blijkt dat verweerder heeft getoetst aan de wettelijke normen voor de aspecten fijnstof, geur en ammoniak, omdat deze aspecten direct of indirect gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden; vergunninghouder voldoet aan deze wettelijke normen. Verweerder is hierbij ingegaan op de voorzieningen en (hygiëne)maatregelen die zijn genomen om risico’s voor de volksgezondheid te reduceren. Hierbij heeft verweerder onder meer te kennen gegeven dat nieuwe emissiearme stalsystemen zijn toegepast die voldoen aan Best Beschikbare Technieken. Voor fijnstofemissie moet elke stal één of meer technieken toepassen. Stal 3 is voorzien van een warmtewisselaar met 31% fijnstofreductie. De warmtewisselaar van de bestaande stal 2 wordt verplaatst en de wijze van ventilatie wijzigt. In stal 2 wordt de stofemissie beperkt door een strooisellaag. Door het veranderen van de hoogte van het emissiepunt wordt voorts volgens verweerder de verspreiding van stof naar de omgeving beperkt. Daarnaast wordt voor fijnstof ook voldaan aan de maximale emissiewaarden van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit de overgelegde en bij de vergunning behorende ISL3a-berekening blijkt bovendien dat aan de wettelijke normen voor fijnstof uit de Wm in de aangevraagde situatie wordt voldaan. De door eiseres overgelegde foto’s waarop activiteiten buiten de stal zijn te zien, maken dit niet anders, omdat de activiteiten buiten de stal zijn meegenomen in de ISL3a-berekening. De rechtbank acht voorts van belang dat, onbestreden, de blootstelling aan fijnstof van de omwonenden in de directe omgeving van de pluimveehouderij afneemt, omdat als gevolg van voornoemde maatregelen de uittreedsnelheid van de lucht in de voorliggende vergunde situatie toeneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet. Geluid 4. Eiseres stelt dat het onduidelijk is of in de representatieve bedrijfssituatie aan de geluidsgrenswaarden kan worden voldaan. Eiseres betwijfelt of in het geluidsrapport van Buijvoets bouw- en geluidsadvisering (Buijvoets) van 1 april 2017 de juiste gegevens van de locaties van de geluidsbronnen zijn meegenomen en of alle geluidsbronnen in de berekening zijn meegenomen. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het rapport van Buijvoets op bepaalde punten tegenstrijdig lijkt, omdat er enerzijds van uit wordt gegaan dat de afvoer van vleeskuikens kan worden aangemerkt als een incidentele bedrijfssituatie omdat dit acht keer per jaar plaatsvindt, terwijl anderzijds uit het rapport blijkt dat er elf keer twee vrachtwagens ten behoeve van het transport van vleeskuikens rijden. Volgens eiseres ontbreekt bovendien de noodzaak om vleeskuikens ‘s nachts af te voeren; overschrijding van het maximale geluidniveau in de incidentele bedrijfssituatie kan worden voorkomen. 4.1. Verweerder heeft de vergunde geluidsgrenswaarden onder meer gebaseerd op het advies van de FUMO van 10 april 2018 en het geluidsrapport van Buijvoets. In de inleiding van het geluidsrapport is het bedrijfsproces van de inrichting omschreven. In tabel II van het rapport is een overzicht van de relevante akoestische activiteiten opgenomen. Aan de hand van deze activiteiten zijn in het rapport twee representatieve bedrijfssituaties en twee incidentele bedrijfssituaties beschreven. De incidentele bedrijfssituaties vinden maximaal acht keer per jaar plaats, het afvoeren van de vleeskuikens gebeurt alleen tijdens de incidentele bedrijfssituaties. De StAB constateert in het rapport van 12 februari 2019 dat in het rapport van Buijvoets met behulp van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1999 (de Handreiking) en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999 is beoordeeld of de inrichting kan voldoen aan de richtwaarden die de Handreiking noemt voor een woonomgeving in landelijk gebied. De conclusie van het rapport van Buijvoets is dat de richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT in de representatieve bedrijfssituatie niet wordt overschreden. Tijdens het laden van vleeskuikens in de dag-, avond- en nachtperiode, al of niet inclusief het laden van mest, wordt de richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wel overschreden. Daarom is die activiteit als een incidentele bedrijfssituatie aangevraagd. Als argument is hierbij aangevoerd dat het vangen van de kuikens in het donker moet plaatsvinden en dat die activiteit niet verplaatst kan worden naar de dagperiode. Uit het rapport blijkt verder dat de richtwaarden voor het maximale geluidsniveau die in de Handreiking zijn vermeld, worden overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor indirect lawaai ten gevolge van het vrachtverkeer op de Delbuursterweg wordt in de nacht, gedurende de incidentele bedrijfssituatie, met 2 dB(A) overschreden. Voorschrift 7 van de vergunning van 23 juli 2018 bevat bepalingen met betrekking tot het aspect geluid. Het voorschrift maakt onderscheid tussen de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie. De in de vergunning voorgeschreven maximale geluidsniveaus gelden ter plaatse van drie beoordelingspunten; deze zijn gelegen ter plaatse van de meest nabij gelegen geluidsgevoelige objecten. Het onder voorschrift 7.3.1 van de vergunning voorgeschreven langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de representatieve bedrijfssituatie komt volgens de StAB overeen met de richtwaarde uit de Handreiking, het onder voorschrift 7.3.2 van de vergunning voorgeschreven maximale geluidsniveau voor de representatieve bedrijfssituatie is gebaseerd op de grenswaarde uit de Handreiking. De onder de voorschriften 7.4.1 en 7.4.2 van de vergunning voorgeschreven geluidsniveaus voor de incidentele bedrijfssituatie zijn eveneens gebaseerd op de in de Handreiking genoemde waarden dan wel, indien deze hoger zijn, op de in het geluidsrapport berekende waarden. De StAB stelt in het rapport van 12 februari 2019 vast dat ter plaatse van het recreatiepark van eiseres geen hoger geluidsniveau is vergund dan de Handreiking voorschrijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat vergunninghouder niet kan voldoen aan de in voorschrift 7 opgenomen geluidsgrenswaarden. De beroepsgrond slaagt niet. 4.2. Over de vermeende strijdigheid van de informatie in het geluidsrapport van Buijvoets over de afvoer van vleeskuikens merkt de StAB in het rapport van 12 februari 2019 het volgende op. Uit het rapport van Buijvoets blijkt dat er maximaal acht maal per jaar vleeskuikens worden afgevoerd. Uit tabel II van het geluidsrapport blijkt dat op die dagen vijftien vrachtauto’s rijden om de vleeskuikens af te voeren, waarvan elf in de nacht. Dit is in het rapport van Buijvoets aangeduid met elf keer twee vrachtwagenbewegingen, omdat de vrachtauto’s heen en weer rijden. Over de gelijktijdigheid van de afvoer van vleeskuikens uit de stallen 2 en 3 merkt de StAB op dat in voorschrift 7.4.3 van de vergunning is bepaald dat de beschreven incidentele bedrijfssituaties, waaronder het laden en de afvoer van vleeskuikens vallen, gedurende maximaal acht etmalen per jaar mogen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank van een tegenstrijdigheid in het geluidsrapport geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet. 4.3. Wat betreft het betoog van eiseres dat uit het rapport van Buijvoets niet blijkt dat rekening is gehouden met de aanvoer van vleeskuikens en bodembedekking (strooisel) en de afvoer van mest, voer, vloermateriaal en destructiemateriaal, merkt de StAB op dat uit tabel II van het rapport blijkt dat de aanvoer van vleeskuikens en de afvoer van mest en destructiemateriaal wel in aanmerking is genomen. Over de aanvoer van bodembedekking heeft verweerder in de aanvullende reactie van 22 januari 2019 toegelicht dat dit is begrepen onder het (twee keer per dag) rijden van vrachtwagens, dat in tabel II van het geluidsrapport als activiteit is genoemd. Verweerder heeft toegelicht dat per jaar hooguit twee vrachtwagens komen om strooisel aan te voeren. De afvoer van de bodembedekking zal gelijktijdig met de mest, die ook op de vloeren van de stallen ligt, plaatsvinden. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding aan de conclusie van de StAB te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. 4.4. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat een aantal geluidsbronnen niet in aanmerking is genomen in het akoestisch onderzoek en dat de locatie van de geluidsbronnen niet duidelijk is, geeft de StAB te kennen dat in paragraaf 3.2 van het rapport van Buijvoets de geluidsbronnen zijn beschreven die bij het onderzoek in aanmerking zijn genomen. Het gaat onder meer om de shovel die wordt gebruikt voor het laden van de mest en de vleeskuikens. Over de activiteiten in de stallen (vangen, rijden shovel en schoonspuiten) is in het rapport gesteld dat deze akoestisch niet relevant zijn ten opzichte van de activiteiten op het terrein. Het is volgens de StAB aannemelijk dat de activiteiten in de stallen minder bepalend zijn voor de geluidssituatie op de beoordelingspunten dan de activiteiten buiten de stallen. Zo zal het geluid van de verwarmingsinstallatie in de stal en het aanbrengen van bodembedekking geen dusdanig geluidsniveau veroorzaken dat dit bij het geluidsonderzoek in aanmerking had moeten worden genomen. Uit het overzicht van activiteiten in tabel II blijkt dat het geluid van de shovels op het terrein bij het laden van de vleeskuikens en de mest wel in aanmerking is genomen bij het geluidsonderzoek. 4.4.1. Niet in geschil is evenwel dat bij het geluidsonderzoek van Buijvoets de tractor niet als een geluidsbron in aanmerking is genomen, terwijl uit de vergunningaanvraag blijkt dat het gebruik van de tractor wel onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid. De beroepsgrond slaagt. Op 20 maart 2019 heeft Buijvoets een nader geluidsrapport opgesteld. Met betrekking tot dit rapport merkt de StAB in het rapport van 1 mei 2019 op dat het aannemelijk is dat de tractor enkel zal worden gebruikt voor bijkomende agrarische werkzaamheden. Uit het geluidsrapport van Buijvoets van 1 april 2017 blijkt namelijk dat alle voor het bedrijfsproces noodzakelijke werkzaamheden zonder inzet van de tractor kunnen worden verricht. De StAB merkt vervolgens op dat in het aanvullende geluidsrapport van Buijvoets van 20 maart 2019, anders dan in het oorspronkelijke rapport van 1 april 2017, in de eerste representatieve bedrijfssituatie een (kleine) shovel is meegenomen. Uit het geluidsrapport van 1 april 2017 maakt de StAB op dat deze shovel wordt gebruikt voor het lossen van bulkvoer. Er is uitgegaan van een shovel met een bronvermogen van 98 dB(A) die per dag gemiddeld 10 minuten (0,167 uur) in de dagperiode in werking is. Verder is een meteocorrectie toegepast. Dit lijken de StAB reële aannames. Uit het rapport van 1 april 2017 blijkt dat het lossen van bulkvoer gemiddeld twee keer in de week gedurende 45 minuten plaatsvindt. Volgens het rapport van 20 maart 2019 bedraagt de geluidsbelasting op toetspunt 2 (hoogte 1,5
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.