RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Leeuwarden zaak-/rolnummer: 7758155 \ CV EXPL 19-3491 vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 26 juni 2019 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, procederende met toevoeging, gemachtigde: mr. Y. Schippers, tegen [verweerder] , handelend onder de naam [naam] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, niet verschenen. Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] worden genoemd. Procesverloop 1.1. [verzoekster] heeft [verweerder] bij dagvaarding van 28 mei 2019 in kort geding gedagvaard. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 juni 2019. Daarbij waren [verzoekster] en haar gemachtigde aanwezig. [verweerder] is niet in rechte verschenen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. Motivering De vordering 2.1 [verzoekster] vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: i. [verweerder] veroordeelt tot doorbetaling van het loon ad € 1.700,00 netto per maand met terugwerkende kracht per 1 februari 2019 tot de dag waarop de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig tot een einde zal komen, voor zo ver achterstallig te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging alsmede de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata tot de dag der algehele voldoening onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, uiterlijk te voldoen binnen 5 kalenderdagen, na het in deze te wijzen vonnis; ii. [verweerder] veroordeelt tot verstrekking van deugdelijke bruto/netto-specificaties van de periode 21 september 2018 tot de datum waarop de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig tot een einde zal komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 750,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen; iii. [verweerder] veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten berekend op € 530,00; iv. [verweerder] veroordeelt tot betaling van de (na)kosten van dit geding, het salaris van gemachtigde van [verzoekster] en het griffierecht daaronder begrepen, te voldoen binnen 5 kalenderdagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening. 2.1. [verzoekster] heeft - zakelijk weergegeven - aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. Sinds 21 september 2018 is [verzoekster] als administratief medewerkster in dienst bij [verweerder] tegen een salaris van € 1.700,00 netto per maand op basis van 36 uur per week. Tot op heden is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Ingevolge artikel 7:610a BW wordt wettelijk vermoed dat de arbeid van [verzoekster] wordt verricht krachtens arbeidsovereenkomst. Tussen partijen zijn problemen in de privésfeer gerezen. Uiteindelijk hebben deze problemen geleid tot de ziekmelding van [verzoekster] op 28 februari 2019. [verzoekster] is thans arbeidsongeschikt wegens ziekte en voor zover dat niet zo zou zijn is een onwerkbare situatie ontstaan als gevolg van het gedrag van [verweerder] , zodat [verzoekster] op grond van artikel 7:629 dan wel 7:628 BW haar recht op loon heeft behouden. Na de ziekmelding van [verzoekster] hebben partijen nog enkele gesprekken met elkaar gevoerd, waarin [verweerder] heeft aangegeven dat [verzoekster] niet meer terug hoefde te komen op de werkvloer als zij niet bepaalde toezeggingen in de privésfeer zou doen. [verweerder] heeft de loonbetaling aan [verzoekster] gestaakt. Over februari 2019 is € 450,00 onbetaald gebleven en sinds 1 maart 2019 is helemaal geen loon meer betaald. Bij brief van 19 april 2019 heeft de gemachtigde van [verzoekster] [verweerder] , voor zover thans van belang, gesommeerd tot betaling van het achterstallige loon. Nu [verweerder] ondanks sommatie volhardt in zijn weigering om de loonbetaling aan [verzoekster] te hervatten, heeft [verzoekster] recht op en (spoedeisend) belang bij het instellen van de onderhavige procedure, aldus [verzoekster] . 2.2. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen. De beoordeling 3.1. Gebleken is dat de dagvaarding op juiste wijze is betekend. Nu [verweerder] niet ter zitting is verschenen zal verstek worden verleend. 3.2. Gezien de stellingen van [verzoekster] is het aannemelijk dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening, zodat zij ontvankelijk is in de vordering. 3.3. [verweerder] is niet in rechte verschenen. Voor zover de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze bij verstek worden toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt. 3.4. Het onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.