RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/2624 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 december 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 15 maart 2016 een aanslag opgelegd in de erfbelasting tot een bedrag van € 83.548 berekend naar een belaste verkrijging van € 477.099. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 4.741 aan heffingsrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Eiseres is daar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het beroep van eiseres gezamenlijk met dat van haar moeder, [moeder] te [woonplaats] , met zaaknummer [nummer] behandeld. Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. Op [datum] 2011 is de heer [erflater] (erflater) overleden. Erflater was onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met eerder genoemde [moeder] . Eiseres is een dochter van erflater en [moeder] . 1.2. Erflater was enig aandeelhouder van [BV] (de BV). 1.3. Eiseres en haar moeder zijn de enige erfgenamen van erflater en erven onder meer de aandelen van de BV (1.2.). Het aandeel van eiseres in de nalatenschap bestaat uit het blooteigendom van de helft van de nalatenschap. 1.4. Bij brief van 25 februari 2013 heeft eiseres verzocht om de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) uit de artikelen 35b en volgende Successiewet 1956 (SW) van toepassing te verklaren op de BV. 1.5. Verweerder heeft dat verzoek niet gehonoreerd. 1.6. Eiseres heeft op 21 februari 2014 de aangifte erfbelasting ingediend. Daarbij is geen beroep op de BOR gedaan en het zuiver saldo van de (gehele) nalatenschap is berekend op een bedrag van € 2.481.068. Aan de onder 1.3. bedoelde aandelen is een waarde toegekend van € 4.117.063, waarbij rekening is gehouden met een latente claim voor de vennootschapsbelasting van € 618.698 (25%). De verkrijging volgens eiseres’ aangifte bedraagt € 496.214 (het blooteigendom van de helft van de nalatenschap). 1.7. Bij het vaststellen van de aanslag erfbelasting heeft verweerder de aangifte van eiseres gevolgd. Dit heeft geresulteerd in de onder het procesverloop opgenomen aanslag van € 83.548, berekend naar een belaste verkrijging van € 477.099 (na aftrek van de vrijstelling voor kinderen). 1.8. Eiseres heeft bij bezwaar alsnog een beroep op de BOR gedaan. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd. 1.9. De BV exploiteerde ten tijde van het overlijden van erflater een kamerverhuurbedrijf. Op dat moment bezat de BV circa 15 onroerende zaken, met daarin circa 60 huurders. De onroerende zaken bestonden uit een flat in [plaats] en voorts panden in [plaats] aan [adres] , [adres] , [adres] en [adres] . In 1993 had de BV voor het laatst een pand aangeschaft. In 2007, 2009 en 2011 waren er in totaal drie flats in [plaats] verkocht. 1.10. Erflater was voltijds in dienst bij de BV en bezat ook privé onroerend goed dat hij verhuurde. Vanaf 2006 is eiseres in deeltijd in dienstbetrekking gaan werken in de BV. Vanaf het moment dat erflater pensioen ontving, is eiseres voltijds in de BV gaan werken. Na het overlijden van erflater is er een werknemer voltijds in dienst genomen. 1.11. In haar nadere stuk van 7 oktober 2019 heeft eiseres haar beroepsgronden aangevuld en een cijfermatige uitwerking van haar standpunten gegeven. Voor de situatie dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet wordt toegepast, maar er wel rekening wordt gehouden met een belastinglatentie van 6,25% in verband met de verkrijging van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, geeft eiseres de volgende berekening: “Bijlage 7 De aangegeven waarde van de aandelen was € 4.177.063, te verminderen met de verkrijgingsprijs van € 22.689. Het verschil is € 4.094.374, 6,25% daarvan is € 255.898. Het zuiver saldo van de nalatenschap zoals aangegeven bedroeg € 2.481.068 te verminderen met € 255.898 is dan (nieuw) € 2.225.170. Gerechtigd daarin zijn [moeder] en [eiseres] ieder ½ ofwel € 1.112.585. [moeder] heeft het vruchtgebruik van het erfdeel van [eiseres] (waard 60%): 60% van € 1.112.585 is € 667.551 (vruchtgebruik) 40% van € 445.034 (bloot eigendom) (…) Aanslag [eiseres] : Verkrijging € 445.034, min vrijstelling € 19.114 is belaste verkrijging € 425.920 De heffing daarover: 10% van € 118.707 is € 11.870 20% van het meerdere boven € 118.707 (€ 425.920 min € 118.707 is € 307.213) is € 61.442 totaal € 73.312 (€ 11.870 plus € 61.442) De aan [eiseres] opgelegde aanslag bedroeg € 83.549. De aanslag dient met een bedrag van € 10.237 te worden verlaagd.” 1.12. In zijn pleitnota heeft verweerder gesteld akkoord te gaan met een belastinglatentie van 6,25% vanwege de verkrijging van aandelen in een aanmerkelijk belang en doet hij tevens een beroep op interne compensatie. Verweerder heeft daarover het volgende geschreven: “Bijlage 6 en 7 Ik deel het standpunt van gemachtigde dat er nog rekening dient te worden gehouden met een belastinglatentie van € 255.898, 6,25% van € 4.094.374. (…) Ik wil de in bijlage 6 en 7 gevraagde aftrekpost intern gaan compenseren met de volgende correctie. De waarde van de aandelen is te laag vastgesteld. Er is ten onrechte rekening gehouden met een Vpb-latentie van 25% (gelijk aan tarief Vpb 2011: 25%). Uit de arresten van de Hoge Raad van 1 november 2002, nr. 36.998 (BNB 2003/17) en Hoge Raad 8 maart 1978 nr. 18.249 (BNB 1978/86) maak ik op dat als de ontbinding van de vennootschap niet binnenkort is te verwachten, voor de waardering uit moet worden gegaan van de contante waarde van de vennootschapsbelastingclaim op de stille reserves in het onroerend goed en niet van de nominale waarde (in casu 25% / € 618.698). (…) Rekening houdend met een Vpb-latentie van 14,6598297% kom ik op een aftrek van € 362.800. Dit leidt tot een hogere waarde van de aandelen (correctie € 255.898), gelijk aan het bedrag dat alsnog in mindering dient te worden gebracht. Het lijkt het mij redelijk om van dit percentage aan Vpb-latentie, dan wel van een lager percentage uit te gaan.” Geschil en beoordeling 2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan eiseres tot het juiste bedrag een aanslag erfbelasting is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vragen of verweerder terecht het beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de artikelen 35b en volgende SW heeft afgewezen en een beroep op interne compensatie doet. 2.2. Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend. 2.3. Eiseres heeft primair aangevoerd dat de BOR van toepassing is op het gehele ondernemingsvermogen voor de BV. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat deze faciliteit in ieder geval van toepassing is op het vermogen van de BV met uitzondering van het beleggingsvermogen ten bedrage van € 1.699.661. Voorts stelt zij dat de waarde van de aandelen niet te laag is vastgesteld en het beroep op interne compensatie faalt. 2.4. Verweerder heeft primair aangevoerd dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de artikelen 35b en volgende SW niet van toepassing is. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat voor het geval de faciliteit wel van toepassing is een bedrag van € 1.699.661 aan overtollige (liquide) middelen in de BV daarvan moet worden uitgesloten. Voorts slaagt volgens hem het beroep op interne compensatie. het beroep op de BOR 3. In artikel 35b SW is geregeld onder welke voorwaarden en tot welke bedragen een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting ter zake van de verkrijging van ondernemingsvermogen in het kader van een bedrijfsopvolging wordt verleend. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of eiseres een belang in een onderneming heeft verkregen. Onder een bedrijfsopvolging wordt verstaan de verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c SW van een erflater die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d SW, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e SW (zie artikel 35b, lid 5, SW). Het geschil spitst zich in dit geval toe, hetgeen partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben bevestigd, op uitsluitend de vraag of het lichaam – de BV – waarop het door eiseres verkregen belang betrekking heeft op de overlijdensdatum een onderneming dreef. 4. Van het drijven van een onderneming door de BV op overlijdensdatum is sprake indien en voor zover de BV op die datum een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid vormde die was gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Nu de activiteiten van de BV bestaan uit de exploitatie van onroerende zaken, geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien zij naar aard en omvang meer hebben omvat dan gebruikelijk is bij een normaal vermogensbeheer, dat wil zeggen dat zij strekten tot het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven ging (de ‘plus arbeid’-toets en de ‘plus rendement’-toets’; vgl. HR 15 april 2016, nr. 15/02829, ECLI:NL:HR:2016:633, BNB 2016/166). 5. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiseres, die zich op de faciliteit beroept, de feiten dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die haar standpunt kunnen dragen dat hetgeen zij bij de erfenis heeft verkregen is aan te merken als ondernemingsvermogen dat is verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. 6. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of aan de hiervoor vermelde ‘plus arbeid’-toets en ‘plus rendement’-toets is voldaan, beslissend is het tijdstip van overlijden/verkrijging, met dien verstande dat feiten en/of omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór dat tijdstip licht kunnen werpen op de toestand op het moment van de verkrijging. 7. Eiseres heeft gesteld wat de werkzaamheden van haar en erflater voor de BV inhouden. De werkzaamheden zijn samengevat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.