← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2019:5284

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht zaaknummer: LEE 19/579 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F. van der Wielen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: P.J. Langius). Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Tijdelijke Regeling compensatie zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten bevallen in het tijdvak 7 mei 2005 tot 4 juni 2008 (hierna: de Tijdelijke Regeling) afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nog een nader stuk ingezonden. De zaak is behandeld op de zitting van 5 december

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Eiseres is op 25 juni 2005 en op 9 mei 2007 van twee kinderen bevallen. Zij was toen zelfstandige (vennoot in een v.o.f). Zij heeft compensatie aangevraagd op grond van de Tijdelijke regeling compensatie zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten. Die regeling geeft vrouwen die tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008 zijn bevallen en in het kalenderjaar van bevalling zelfstandige was, recht op compensatie. Een aanvraag kon worden gedaan tussen 15 mei 2018 en 1 oktober
  3. De aanvraag is door het Uwv afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Eiseres is het hiermee oneens. Zij heeft aangevoerd dat zij niet eerder bekend was met de mogelijkheid van compensatie en dat het Uwv en de Minister onvoldoende hebben gedaan om die mogelijkheid onder de aandacht van ondernemers te brengen. De Staat heeft hiermee nog steeds niet aan zijn verplichtingen uit het VN-Vrouwenverdrag voldaan, zo zegt eiseres.
  4. Niet in geschil is dat de aanvraag op of omstreeks 19 oktober 2018 is ingediend, dat wil zeggen buiten de in artikel 7, tweede lid, van de Tijdelijke Regeling gestelde termijn.
  5. De termijn in de Tijdelijke Regeling is van dwingendrechtelijke aard en geeft verweerder geen ruimte om uitzonderingen te maken. De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperkte aanvraagperiode. Er is een einddatum gesteld zodat niet tot in lengte van dagen desgevraagd compensatie moet worden verstrekt, terwijl, zo heeft de wetgever overwogen, er wel een redelijke termijn wordt geboden om de compensatie aan te vragen en de compensatie op korte termijn kan worden toegekend.
  6. Vastgesteld moet worden dat de Tijdelijke Regeling op 12 maart 2018 in de Staatscourant is gepubliceerd en daarmee in juridisch opzicht op juiste wijze bekend is gemaakt. Dat eiseres niet met de regeling bekend was is niet onbegrijpelijk, hoewel er wel ook publiciteit is gegeven aan de regeling. Onbekendheid met een regeling kan er echter niet toe leiden dat de aanvraag wel tijdig is gedaan. Dat is zuur, maar volgt uit vaste rechtspraak. Er is onvoldoende reden om hierop in dit geval een uitzondering te maken, zoals de gemachtigde heeft bepleit.
  7. De essentie van de zaak is echter dat het VN-Vrouwenverdrag geen ongeclausuleerd recht op inkomen geeft. Het doel van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, is dat er voor alle vrouwen enige vorm van bevallingsverlof met behoud van een zeker inkomen moet open staan. De modaliteiten van een regeling worden volledig overgelaten aan de verdragsstaten (zoals is overwogen door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 27 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2461, rov 4.3.8). Met het recht op compensatie zoals neergelegd in de Tijdelijke Regeling voldoet de Staat naar het oordeel van de rechtbank op dit punt aan haar verplichtingen uit het VN-Vrouwenverdrag. Er is dan ook geen grond om de regeling onverbindend te achten vanwege strijd met het Verdrag.
  8. Ook ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat vanwege de uitspraken van de Minister of om andere redenen de regeling in strijd komt met de beginselen van behoorlijk bestuur of anderszins in strijd met het recht is.
  9. Ten slotte zijn de persoonlijke omstandigheden die eiseres naar voren brengt - de drukte op het bedrijf - niet dusdanig van aard dat toepassing van de Tijdelijke Regeling wegens strijd met het ongeschreven recht geen rechtsplicht meer zou vormen (zie de uitspraak van de CRvB van 2 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:96 rov 4.3).
  10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  12. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen. Dat kan op de manier zoals onderaan in dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december
  13. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.