vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/161131 / HA ZA 18-132 Vonnis van 15 april 2020 in de zaak van 1 [eiseres sub 1 (echtgenote van bestuurder 1)] , wonende te [woonplaats 2] ,
(2016)heb ik niet zoveel handel gedaan. Het was voor mij een rampjaar. Nu begint de handel weer te draaien. (…) (…) U vraagt hoeveel ik aan geld inkocht bij [bestuurder 1] . Dit was ongeveer € 10.000,- per maand. Vroeger was dit veel meer. Toen ging het om € 20.000,- tot € 30.000,- per maand. (…) Ik heb hier in 2015 en 2016 heel weinig handel gehad. In 2015 is [afnemer CB] opgehouden te bestaan en toen is [afnemer CA] gekomen, toen ging de handel voor mij niet goed. In 2016 was er weinig handel voor mij bij [bestuurder 1] , een hele maand helemaal geen handel met [bestuurder 1] en de andere maand was het dan € 3.000,- of € 4.000,-. In 2010 en 2011 was voor mij de toptijd in handel bij [bestuurder 1] . (…). 3.29. In het als bijlage G13 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 4 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer NN] (hierna: [werknemer NN] ), manager Verpakking en Logistiek, gevoerde gesprek staat vermeld: (…) U vraagt of [afnemer C] in 2016 geregeld bij [bestuurder 1] kwam om tweede klasse producten te kopen. Ik zie dat [afnemer C] hier al jaren inkoopt, dus dat zal ook in 2016 het geval zijn geweest. Naar mijn idee heb ik [afnemer C] vorig jaar of daarvoor niet gemist. Om de week werk ik ook op de zaterdagen en ik heb hem ook op die dagen gezien in 2016 en 2015. (…). 3.30. In het als bijlage G15 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 5 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer LL] (hierna: [werknemer LL] ), medewerker 2e klas producten, gevoerde gesprek staat vermeld: (…) U vraagt nogmaals naar [afnemer C] . Het was een van onze klanten. U vraagt naar 2016 en 2015. U vraagt of hij in deze jaren heeft ingekocht. Hij is toen hier geweest. Maar dat was dan verschillend. Dit varieerde van een tot twee keer per week. Dit lag eraan of we wel tweede klasse handel die we voor hem hadden. Het seizoen gaat van april/mei tot oktober. Hij kwam in deze periode. Maar hij is een tijdje niet geweest, want toen had hij een winkel. Ik denk dat dit in 2015 was. Hij kwam wel, maar hij kwam toen minder bij ons. Het kan in 2015 zijn geweest, maar het kan ook in 2014 zijn geweest. (…). (…) [afnemer C] kan niet zeggen dat hij in 2016 niet is geweest. Hij is toen gewoon geweest als er handel was. (…) Misschien dat hij wat minder kwam, maar hij kwam wel. Ik werk iedere zaterdag en [afnemer C] kwam toen ook. (…). 3.31. Over [afnemer A] , in het rapport ook wel aangeduid als ' [afnemer A] ', staat in het rapport vermeld: 3.1.10 Bevindingen debiteur [afnemer A] Uit de gesprekken met medewerkers van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] , en met name uit de gesprekken met de heer [werknemer LL] en de heer [werknemer NN] , werd bekend dat de klant ' [broer afnemer A] ' uit [woonplaats] reeds vele jaren 2e klas producten bij de bedrijven van de heer [bestuurder 1] inkoopt en wel één keer per week één of meerdere pallets met 2e klas producten per keer. De heer [werknemer LL] deelde mee dat deze bestellingen door het bedrijf [transporteur A] worden afgeleverd bij deze debiteur op een loods in [woonplaats] . Uit het onderzoek in de administratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] is gebleken dat met de klant ' [broer afnemer A] ' de debiteur ' [afnemer A] ' wordt bedoeld. Uit deze administratie blijkt dat deze debiteur op 2 juni 2017 voor het eerst is ingeschreven onder debiteurennummer 1410 bij het bedrijf [Verwerking A] en dat er sindsdien verschillende leveringen hebben plaatsgevonden. (…) Uit het onderzoek in de administratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] over de periode 2016 en 2017 zijn verschillende facturen aangetroffen van het bedrijf [transporteur A] aan de bedrijven van de heer [bestuurder 1] . Uit de onderliggende documenten bij deze facturen is gebleken dat vanaf januari 2016 tot augustus 2017 veelvuldig transporten hebben plaatsgevonden van [Verwerking A] uit [woonplaats] naar [woonplaats] ten behoeve van deze debiteur. (…) De heer [afnemer A] deelde mee dat hij ruim tien jaar 2e klas producten inkoopt bij de bedrijven van de heer [bestuurder 1] . (…) De heer [afnemer A] deelde voorts mee dat zijn broer, [broer afnemer A] , sinds die tijd wekelijks aan de heer [afnemer A] vraagt welke producten hij nodig heeft en de bestelling voor hem doet. Deze bestelde producten worden vervolgens door de transporteur [transporteur A] op een loods van de heer [afnemer A] in [woonplaats] afgeleverd. De heer [afnemer A] deelde mee dat hij wekelijks voor een totaalbedrag van ongeveer € 200,- per week heeft ingekocht. De heer [afnemer A] deelde in eerste instantie mee dat hij het geld steeds heeft over gemaakt op een bankrekening van een bedrijf uit Dordrecht. Hij wist dat niet zeker en zou dat nakijken in de administratie die bij zijn boekhouder zou liggen. In tweede instantie heeft de heer [afnemer A] via een e-mailbericht aan onze medewerkers vermeld dat hij altijd contant heeft betaald via zijn broer. De heer [afnemer A] weet niet aan wie zijn broer het geld heeft gegeven. (…) In het onderzoek in de kasadministratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] zijn geen kasbetalingen van deze debiteur aangetroffen. Uit de verkoopadministratie van [Verwerking A] is gebleken dat deze debiteur, sinds het moment dat deze ingeschreven is als debiteur, voor een bedrag van ongeveer € 8.800,- heeft ingekocht over de afgelopen drie maanden (medio 2017 tot medio augustus 2017). Dit komt neer op een gemiddeld totaalbedrag van € 2.900,- per maand. Op basis van de bevindingen uit het onderzoek is gebleken dat deze debiteur elk jaar een relatief gesproken gelijkblijvende inkoopcyclus heeft, namelijk elke week over de periode maart tot november gemiddeld twee pallets per bestelling. Dit betreft een periode van acht maanden per jaar. Het is derhalve waarschijnlijk dat deze debiteur een jaarlijks totaal inkoopgemiddelde heeft voor een bedrag van ongeveer € 23.000,-. Van dat bedrag uitgaande, kan worden gesteld dat de bedrijven van de heer [bestuurder 1] aan deze debiteur over de afgelopen tien jaar, voor een vermoedelijk totaalbedrag van ongeveer € 230.000,- 2e klas producten buiten de administratie om hebben verkocht. (…). 3.32. In het als bijlage G14 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 4 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [afnemer A] gevoerde gesprek (in aanwezigheid van [echtgenote afnemer A]) staat dienaangaande vermeld: (…) Ik ben bij [bestuurder 1] gekomen door mijn broer [broer afnemer A] . [broer afnemer A] kende via de veiling iemand die bij [bestuurder 1] werkte. Toen werd gezegd dat hij bij [bestuurder 1] in [woonplaats] tweede en derde klasse producten kon kopen. In die tijd had [broer afnemer A] ook een handel in groenten en fruit en bestelde hij voor ons samen. (…) (…) Een keer per week bestelt hij de producten die ik nodig heb. Dan moet u denken aan komkommers, paprika's en tomaten. Op maandag wordt besteld en op woensdag worden de producten geleverd door [transporteur A] . [transporteur A] levert ze aan de [adres] te [woonplaats] . Daar heb ik mijn loods. (…) De geleverde producten verhandel ik in het weekend op de markten. Dit gaat al jaren zo. We kopen de producten bij [bestuurder 1] van eind april tot en met eind oktober. (…) We kopen standaard wekelijks voor ongeveer € 200,- aan tweede - en derde klasse producten bij [bestuurder 1] . Dit zijn gemiddeld twee pallets, maar dit zijn geen volle pallets. Sinds dat [bestuurder 1] is overgenomen krijgen we per maand een factuur. Daar staat gespecificeerd op wat we hebben ingekocht. Voor de overname kregen we twee keer per jaar een factuur. Dit was in de zomer en aan het einde van het seizoen. Op deze facturen stond alleen 'diverse industriehandel'. (…). We betaalden de factuur per bank. Dat hebben we altijd gedaan. Het is wel eens een keer in het verleden voorgekomen dat we contant betaald hebben aan mijn broer [broer afnemer A] en dat hij dan [bestuurder 1] betaalde. Hij ontving dan de factuur van [bestuurder 1] . Maar in de regel betaalde ik rechtstreeks per bank aan [bestuurder 1] . (…) Ik dacht dat we een bankrekening hadden van een bedrijf in Dordrecht waar ik de facturen aan betaalde. Ik weet niet hoe vaak we aan dit bedrijf betaald hebben. Ik weet de naam van dit bedrijf niet meer. 3.33. In het als bijlage G13 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 4 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer NN] gevoerde gesprek staat vermeld: Ik ken [broer afnemer A] . Ik weet niet waar deze klant woont of waar zijn bedrijf gevestigd is. Ik ken geen [afnemer A] . (…) (…) Ik ken de klant [broer afnemer A] al behoorlijk lang, al een aantal jaren. U zegt dat volgens de administratie van [bestuurder 1] , [broer afnemer A] vanaf mei 2017 als klant is ingeschreven bij [bestuurder 1] . Dat klopt dus niet. (…) Ik heb geen idee hoe (…) en [broer afnemer A] betaalden. De tweede klasse producten die (…) en [broer afnemer A] afnamen gingen via [voormalig werknemer JJ] [rb: [voormalig werknemer JJ] , medewerker tweede klas producten] (…). Ik neem aan dat [voormalig werknemer JJ] met [bestuurder 1] regelde welke prijzen voor de tweede klasse gevraagd werden. (…). 3.34. In het als bijlage G15 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 5 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer LL] gevoerde gesprek staat vermeld: (…) Vroeger kreeg ik van [voormalig werknemer JJ] door dat ik tweede klasse handel voor [broer afnemer A] moest klaarzetten. Ik doe dit al vanaf de tijd dat ik hier werk. Dit is negen of tien jaar. Nu krijg ik de laatste weken rechtstreeks een telefoontje van [broer afnemer A] . Maar die man heb ik nog nooit gezien. Ik zet de handel voor [broer afnemer A] 's maandags klaar en met [transporteur A] wordt het vervoerd op dinsdag. Ze kregen twee pallets met 25 tot 30 kisten erop of een pallet met 40 kisten. Hij neemt een keer per week onze tweede klasse af. Dit gebeurt dus al jaren. (…). 3.35. Over [afnemer b] staat in het rapport vermeld: 3.1.11 Bevindingen debiteur [afnemer b] Uit de gesprekken met medewerkers van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] , en met name uit de gesprekken met de heer [werknemer LL] en de heer [werknemer NN] , werd bekend dat de klant [afnemer b] uit [woonplaats] reeds vele jaren 2e klas producten bij de bedrijven van de heer [bestuurder 1] inkoopt en wel minimaal één keer per week één of meerdere pallets met 2e klas producten per keer. De heer [werknemer LL] deelde mee dat deze bestellingen door het bedrijf [transporteur B] worden afgeleverd bij deze debiteur op een loods in Zoeterwoude Dorp. Uit het onderzoek in de administratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] blijkt dat deze debiteur van 2008 tot en met 2012 is inschreven onder debiteurennummer 880 bij het bedrijf [Verwerking A] en vanaf 2012 tot heden is ingeschreven onder debiteurennummer 990 bij het bedrijf [Beheer A] (…). Voor dit onderzoek worden de twee debiteurenkaarten van [afnemer b] over de periode vanaf januari 2008 tot augustus 2017 bijgevoegd. Hieruit blijkt dat over de periode vanaf januari 2008 tot augustus 2017 voor een totaalbedrag van ongeveer € 89.700,- aan 2e klas producten is verkocht. (…) (…) Deze geregistreerde bedragen aan verkopen komen echter niet overeen met de verklaringen van de heer [werknemer LL] en de heer [werknemer NN] over de bestellingen van deze debiteur. (…) (…) Uit deze opgave [rb: opgave van transporteur [transporteur B] over de periode januari 2014 tot augustus 2017] blijkt dat in deze periode nagenoeg elke maand één of meerdere keren per week gemiddeld twee tot drie pallets aan 2e klas producten afgeleverd zijn aan deze debiteur. Dit patroon over deze periode komt overeen met het patroon van leveringen sinds medio mei 2017. (…) De hiervoor genoemde bevindingen en analyse over de zeer waarschijnlijk juiste aantallen aan verkopen (op basis van verkopen over tien maanden per jaar) wordt hierna in een tabel weergegeven, in relatie tot de geregistreerde aantallen uit de administratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] . Jaar Waarschijnlijk totaal verkocht Geregistreerde verkopen Verschil 2013 € 59.000,- € 4.000,- € 55.000,- 2014 € 59.000,- € 5.200,- € 53.800,- 2015 € 59.000,- € 1.400,- € 57.600,- 2016 € 59.000,- € 2.200,- € 56.800,- 2017 € 47.200,- € 17.900,- € 29.300,- Totaal: € 283.200,- € 30.700,- € 252.500,- (…). 3.36. In het als bijlage G2 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 30 augustus 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer NN] gevoerde gesprek staat vermeld: (…) Er waren een aantal klantjes van [voormalig werknemer JJ] [rb: [voormalig werknemer JJ] ] die hij anders beleverde. Hij had dan een eigen bonnetje of het ging anders. Maar hoe het anders ging weet ik niet. Bijvoorbeeld [afnemer b] . Wij regelen alle transport, maar niet voor [afnemer b] . Dit deed [transporteur B] de transporteur uit [woonplaats 2] . (…) (…) Ik weet niet hoe [afnemer b] betaalde en aan wie. (…) Ik weet dat [afnemer b] een kleine klant is en die wordt twee of drie keer per week beleverd. Je spreekt dan van een paar pallets komkommers en paprika's, klasse twee. Ik weet niet de aantallen en wat de prijzen zijn. (…). 3.37. In het als bijlage G13 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 4 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer NN] gevoerde gesprek staat vermeld: (…) U zegt dat [afnemer b] in 2017 veel meer dan een paar pallets afgenomen heeft, maar dat er de jaren daarvoor bijna niets ingekocht is door [afnemer b] . Dit klinkt me vreemd in de oren. Volgens mij is de afname van producten bij deze klant in de loop van de jaren ongeveer gelijk gebleven. (…). 3.38. In het als bijlage G15 bij het rapport (productie 14) gevoegde verslag van het op 5 oktober 2017 door Hoffmann Bedrijfsrecherche met [werknemer LL] gevoerde gesprek staat vermeld: (…) U vraagt naar [afnemer b] . Dit is [afnemer b] . Waar hij zit weet ik niet. Ik denk dat hij in de buurt van Leiden zit. (…) Elke dinsdag zet ik een pallet en soms twee pallets voor hem klaar. Hij belt op dinsdagmorgen en dan zet ik het klaar en 's avonds komt [transporteur BC] het laden (…). We hebben maar 1 [afnemer b] als klant. (…). 3.39. In het Hoffmann-rapport van 23 oktober 2017 is op pagina 44 een opsomming gegeven van de afnemers die (aldus de opstellers van het rapport) volgens administratief onderzoek als 'de klanten van [voormalig werknemer JJ] ' kunnen worden aangemerkt, waaronder [afnemer C] met zijn bedrijven [afnemer CB] en [afnemer CA] , [broer afnemer A] , en [afnemer b] . Vervolgens wordt in het rapport vermeld, voor zover van belang: 3.1.12 Bevindingen overige debiteuren 2e klas producten (…) Uit de gesprekken werd bekend dat één van de grootste klanten het bedrijf [afnemer D] [rb: [afnemer D] ] en het bedrijf [afnemer E] [rb: [afnemer E] zouden zijn. Het merendeel zouden veel kleinere tot zeer kleine klanten zijn, de zogenaamde marktkoopmannen. Uit de verkoopadministratie van de bedrijven van de heer [bestuurder 1] over het jaar 2016 is gebleken dat aan [afnemer D] in totaal voor een bedrag van ongeveer € 170.000,- is verkocht en aan [afnemer E] voor een bedrag van € 590.000,-. Uit de verkoopadministratie over de eerste acht maanden van 2017 blijkt dat aan [afnemer D] in totaal voor een bedrag van ongeveer € 96.000,- is verkocht en aan [afnemer E] voor een bedrag van ongeveer € 527.000,-. (…) In deze verkoopadministratie zijn slechts enige facturen per jaar van deze bedrijven aangetroffen, terwijl uit het onderzoek is gebleken dat wekelijks één of meerdere keren een groot aantal pallets met 2e klas producten werden getransporteerd op basis van deze bestellingen. De heer [werknemer HH] [rb: [werknemer HH] , medewerker Financiële Administratie] deelde het volgende mede over facturaties aan deze twee bedrijven (citaat gespreksverslag): "Het bedrijf [afnemer E] kreeg een verzamelfactuur met een afgesproken totaalbedrag. Ik denk dat [voormalig werknemer JJ] [rb: [voormalig werknemer JJ] ] dit met [afnemer E] heeft afgesproken. Ik kreeg het totaalbedrag van [voormalig werknemer JJ] door en alle groene afleverbonnen van beneden en ik zette er prijzen bij van de vorige keer in het Excel overzicht en niet op de bonnen, maar ook fictieve prijzen omdat het overeen moest komen met het afgesproken totaalbedrag. Ik moest naar het totaalbedrag toerekenen. De afleverbonnen van beneden waren zonder prijzen. Ik weet niet beter. Ik doe dit werk ruim drie jaar. Ik weet niet meer van wie ik dit voor het eerst te horen kreeg. Iemand van de administratie heeft me dit aangeleerd. Dit is alleen bij [afnemer E] en [afnemer D] gebeurd. Zij namen veel af en daardoor hadden we veel afleverbonnen." (…). 3.40. Het Hoffmann-rapport bevat daarnaast bevindingen omtrent (onder meer) de debiteuren [afnemer F] v.o.f., [afnemer G] , [afnemer H] en [afnemer J] . 3.41. Bij akte van 1 november 2017 hebben de erfgenamen van [bestuurder 1] zijn nalatenschap beneficiair aanvaard. 3.42. Op 5 december 2017 heeft [bestuurder 6] een schriftelijke verklaring afgelegd waarin, voor zover van belang, is vermeld: In april 2016 ben ik benaderd of ik geïnteresseerd was om te kijken of ik CEO wilde worden van [bestuurder 1] . Daar heb ik in principe positief op gereageerd (…). Op 1 juni 2016 ben ik begonnen bij [Beheer A] als beoogd bestuurder. Op 19 september 2016 ben ik als statutair bestuurder toegetreden bij [Beheer A] op nadrukkelijk verzoek van de Rabobank. (…) Ik heb in eerste instantie een analyse gemaakt van het bedrijf (stand van zaken) en een masterplan ontwikkeld. In die tijd (jun-aug 2016) speelde de Erica-locatie niet, dat kwam pas later (okt-nov 2016). Toen de optie Erica in beeld kwam, heeft Wim mij gevraagd of ik aan de Rabobank wilde voorleggen of zij de aankoop wilde financieren. (…). De Rabobank was heel duidelijk: zij wilde Erica beslist niet financieren, ze vonden de groei van [bestuurder 1] anders te snel gaan want begin 2016 had men reeds de tuinen van [CA] overgenomen (8 hectare). Zonder mij daarin te kennen heeft de heer [bestuurder 1] in december 2016 alsnog Erica gekocht vanuit privé. Bij de financiering hiervan ben ik dan ook op geen enkele manier betrokken geweest.(…). 3.43. Op 6 december 2017 heeft in het kader van een kort geding procedure een zitting ten overstaan van de voorzieningenrechter van deze rechtbank plaatsgevonden tussen W&T en TFFG over onder andere betaling van de koopprijs voor de onroerende zaak van de Erica-locaties. W&T en TFFG hebben dit geschil minnelijk geregeld in een 'Akte houdende overname schulden en intrekking procedure' van 23 januari 2018 (hierna: Akte van schuldoverneming). W&T en TFFG zijn in dit verband onder meer overeengekomen dat TFFG de schuld van W&T aan [Plantenkwekerij E] uit hoofde van de door [Plantenkwekerij E] aan W&T verstrekte geldlening van W&T overneemt. 3.44. In opdracht van [Beheer A] heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche een onderzoek uitgevoerd naar de totale omvang van de schade over de periode van 1 januari 2007 tot november 2017. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een nader rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 11 december 2017, waarin staat: Onze medewerkers hebben op basis van de bevindingen uit het onderzoek een inschatting gemaakt naar de minimale hoogte van de verkopen van 2e klas producten buiten de administratie om bij een aantal debiteuren. (…) In totaal betreft het verkopen buiten de administratie om voor een minimaal bedrag van ongeveer € 4.692.600,- over de periode vanaf januari 2007 tot november 2017. (…). 3.45. Voornoemd schadebedrag van € 4.692.600,00 is gebaseerd op gegevens van [afnemer C] , [afnemer A] , [afnemer b] , [afnemer E] en op de debiteuren genoemd onder r.o. 3.40. 3.46. In een (ongedateerde) notitie van [bestuurder 6] en [Werknemer AA] (hierna: [Werknemer AA] ), controller bij het [Concern A] , aan BDO accountants met als onderwerp 'Maatregelen van Interne Controle Verpakhal [bestuurder 1] ' staat vermeld: De onderneming [bestuurder 1] staat aan de vooravond van de oplevering van de jaarrekening 2017. (…) Van alle producten voldoet een deel (gemiddeld ongeveer 10%, verschilt per product) niet aan de specificaties van onze 'core klanten' (…) en wordt als zodanig geclassificeerd als klasse II. Deze producten zijn afgezet aan een waaier van kleinere klanten. (…). 3.47. Bij akte van levering (cessie) van 1 maart 2018 heeft TFFG de aan haar gecedeerde vorderingen op W&T aan Hareko gecedeerd. Bij akte van levering (cessie) van 14 mei 2018 hebben [Beheer A] en een aantal van haar dochtervennootschappen hun vorderingen op W&T uit hoofde van 'ongerechtvaardigde verrijking, wanprestatie onder de managementovereenkomst met W&T, onrechtmatige daad en/of enige andere grondslag' aan Hareko gecedeerd. 3.48. Bij brief van 30 maart 2018 hebben de vereffenaars [Beheer A] gesommeerd om de commissarisvergoeding van [bestuurder 1] - betrekking hebbend op de periode van 1 juli 2017 tot 20 oktober 2017 - ad € 36.575,34 uiterlijk 1 mei 2018 te voldoen, alsmede om de door [bestuurder 1] aan [Beheer A] verstrekte geldlening ad € 100.000,00 vermeerderd met rente uiterlijk 1 mei 2018 terug te betalen. 3.49. In reactie daarop heeft [Beheer A] bij brief van 30 april 2018 de vorderingen van de vereffenaars betwist. Voor zover [Beheer A] tot betaling van (één van) beide vorderingen zou zijn gehouden, heeft [Beheer A] een beroep gedaan op verrekening met haar tegenvorderingen. 3.50. [Beheer A] heeft nadien aan Integis B.V. (hierna: Integis) opdracht gegeven de administratie van het [Concern A] te beoordelen over de periode medio 2012 tot en met medio 2017, zijnde de periode waarover de Belastingdienst kan navorderen en naheffen. Integis heeft vervolgens een forensisch accountantsonderzoek verricht en heeft de resultaten van haar onderzoek neergelegd in een rapport van 28 augustus 2018 (hierna: het Integis rapport), waarin voor zover hier van belang staat vermeld: 3Verrichte werkzaamheden Wij hebben beide rapporten van Hoffmann alsmede de bijlagen daarbij geanalyseerd. Verder hebben wij kennisgenomen van door [bestuurder 1] overgelegde (digitale) bescheiden, waaronder de jaarrekeningen, de organogrammen, de procesbeschrijvingen, de debiteurenadministratie en vervoersdocumenten. Wij hebben voorliggende kwestie met u en mevrouw [Werknemer AA] in inventariserende interviews aan de orde gesteld. Interviews met andere interne en/of externe personen en partijen hebben in afstemming met u vooralsnog niet plaatsgevonden. (…) 4. Bevindingen (…) 4.2 Samenvatting en conclusie Binnen [bestuurder 1] zijn nimmer (sub-)administraties bijgehouden die zien op oogsten, opslaan, sorteren en vernietigen van klasse 1 en klasse 2 producten. De aard en omvang van de geoogste, opgeslagen, gesorteerde en vernietigde producten is dan ook niet bijgehouden. Ten gevolge van het ontbreken van deze primaire vastleggingen kan (ook) de volledigheid van de wel en niet geregistreerde omzet op basis van administratieve vastleggingen niet worden vastgesteld. (…) Waar Hoffmann zich bij haar rapportage mede baseert op verklaringen die leiden tot het zijdens Hoffmann vaststellen dat opbrengsten niet zijn verantwoord, stellen wij vast dat de omvang van de niet verantwoorde opbrengsten niet (uitsluitend) kan worden gebaseerd op financieel-administratieve vastleggingen nu primaire vastleggingen ontbreken en administratieve gegevens (deels) onderling inconsistent (lijken
- te)zijn. (…) 4.3 Uitgangspunten (…) • Wij hebben ons uitsluitend gericht op vermoedelijk niet verantwoorde opbrengsten ter zake van producten die voldoen aan de kwalificatie 'klasse 2'. (…) 4.4 Bevindingen ter zake van bescheiden (…) Daarmee is het gehele proces tot het verkoopproces niet administratief vastgelegd. (…) (…) 4.5 Bevindingen ter zake van de vervoersdocumenten (…) Onze analyse leidt (…) tot de constatering dat geen (eenduidige) relatie kan worden vastgesteld tussen (de gegevens
- op)vervoersdocumenten en (de gegevens
- in)de debiteurenadministratie, hetgeen mede samenhangt met onze constatering dat gegevens in beide administraties niet consistent (lijken
- te)zijn. Navolgend gaan wij in op onze constateringen per afnemer. Bosch: Wij hebben vervoersdocumenten aangetroffen met daarop meermaals de vermelding ' [broer afnemer A] [woonplaats] ', ook in de periode tot 2 juni 2017. Met ingang van 2 juni 2017 is een debiteuren(stam)kaart vigerend ten behoeve van ' [afnemer A] ' met als vestigingsplaats ' [woonplaats] '. Volgens de debiteurenkaart is de eerste boeking van een factuur uit hoofde van een levering gedateerd 15 mei 2017. (…) (…) Wij hebben echter geen bescheiden aangetroffen (die zien op de periode tot 15 mei 2017) op grond waarvan met zekerheid kan worden vastgesteld dat vervoer van producten naar ' [broer afnemer A] [woonplaats] ' voor 15 mei 2017 betrekking heeft op ' [afnemer A] ' met vestigingsplaats ' [woonplaats] '. Met andere woorden, wij kunnen in casu geen directe relatie tussen vervoersdocumenten en (het ontbreken van enige) verantwoording in de debiteurenadministratie leggen. (…) [afnemer CB]: Uit de rapporten van Hoffman volgt dat (een vertegenwoordiger van) [afnemer CB] de producten zelf heeft opgehaald; wij hebben dus niet de beschikking over vervoersdocumenten (…) en kunnen dus (…) niet vaststellen of en zo ja, hoeveel leveringen aan deze afnemer hebben plaatsgevonden. [afnemer b] : Met ingang van 27 mei 2008 is een debiteuren(stam)kaart vigerend ten behoeve van 'Best of Four U.A. [rb: aan Integis is medegedeeld dat dit de telersvereniging betreft via welke de facturatie heeft plaatsgevonden]/ [afnemer b] ' met vermelding van een adres in Barendrecht en een leveringsadres in [woonplaats] . Volgens deze debiteurenkaart zijn in de periode vanaf 10 december 2012 tot en met 12 juni 2018 29 facturen gezonden voor een bedrag ad totaal € 54.563,57. Tot 28 december 2012 is overigens een debiteurenkaart beschikbaar met naam ' [afnemer b] ' maar met een andere contactpersoon en een ander telefoonnummer en als plaats Barendrecht. Op vervoersdocumenten is vermeld dat pallets zijn getransporteerd naar ene ' [afnemer b] , Firma' te Zwaagdijk. Dit houdt in dat geen directe relatie tussen vervoersdocument en verantwoording in de debiteurenadministratie kan worden gelegd. [afnemer E] : Leveringen aan [afnemer E] worden in de vorm van een periodieke, niet gespecificeerde totaalfactuur aan [afnemer E] in rekening gebracht. Een relatie tussen individuele transporten en gefactureerde leveringen is derhalve niet realiseerbaar. (…) 4.6 Bevindingen ter zake van de verkoopprijzen (…) Vorenstaande houdt in dat de (gemiddelde) verkoopprijzen (per afnemer) slechts bij grove benadering zullen kunnen worden vastgesteld zonder dat deze van een administratieve grondslag kunnen worden voorzien. 5Slotwoord In aanvulling op de door ons tot op heden verrichte werkzaamheden, zal nader (kwalitatief) onderzoek nodig zijn om niet verantwoorde opbrengsten en de overige elementen van de opdrachtformulering alsnog te kunnen vaststellen. (…). 3.51. Op 5 december 2018 heeft [Werknemer AA] een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin staat, voor zover van belang: Als controller ben ik sinds 2013 bij [Beheer A] werkzaam. Die functie heb ik ook voor de dochters van [Beheer A] . (…) Op verzoek van [Beheer A] (na de overname door TFFG) heb ik in het najaar van 2017 zo goed mogelijk geprobeerd op basis van de beschikbare administratie van [Beheer A] , haar dochtervennootschappen en W&T de resultaten van de Erica-locaties in kaart te brengen. De kosten waren op zich goed vast te stellen op basis van de door ons in rekening-courant geboekte vordering op W&T en de daaronder liggende facturen. Voor de inkomstenkant lag dit anders. Ik heb niet het inzicht in geleverde producten die Erica heeft gerealiseerd, de verkoopprijzen en de verrekenprijzen met partijen binnen de [Concern A] had ik ook niet. Ik heb daarom op basis van de transport- en leveringsbonnen en de door [Beheer A] in andere transacties gerealiseerde prijzen en de dagprijzen een inschatting gemaakt van de inkomsten bij Erica. Dit was een zo goed mogelijke inschatting, omdat ik ook niet weet hoeveel W&T heeft gefactureerd en na facturatie voor producten heeft ontvangen, maar ook omdat een deel van de producten wel zijn geleverd, maar niet zijn gefactureerd. (…). (…) Ik ben met de kennis van nu ervan overtuigd dat [bestuurder 1] zwart producten verkocht. Wat ik in elk geval weet ten aanzien van een aantal specifieke afnemers, is dat in geen van de kasboeken van de [bestuurder 1] vennootschappen en in geen van de administraties of registraties betalingen voorkomen van [broer afnemer A] , [broer afnemer A] [afnemer A] of [afnemer A] . Dit is pas sinds juni 2017 (na de overname door TFFG) een geregistreerde partij. (…). 3.52. Op 7 december 2018 heeft [bestuurder 6] een (tweede) schriftelijke verklaring afgelegd, waarin staat, voor zover van belang: Mijn naam is [bestuurder 6] , in april 2016 ben ik benaderd door de heer [bestuurder TFFG 1] en [bestuurder 1] met als insteek om de potentiële overname van [bestuurder 1] door The Fruit Farm Group te begeleiden. Het overname proces liep al bijna 2 jaar en moest worden vlot getrokken dan wel worden afgerond. Dat was in principe mijn primaire opdracht. Tevens ben ik door de heren gevraagd om vanaf 1 juni 2016 aan te treden als CEO van [bestuurder 1] . [bestuurder 1] zou gaan functioneren als commissaris. Dit was mede ingegeven door de druk vanuit Rabobank omdat de opvolgingskwestie van [bestuurder 1] al jaren sleepte waardoor de relatie met Rabobank zwaar onder druk stond. (…) [bestuurder 1] werkte nauw samen met [bestuurder 5] en [voormalig werknemer JJ] . Zij waren zijn rechter- en zijn linkerhand binnen de onderneming. Zij overlegden veel 1 op 1 met [bestuurder 1] . Maar volgens mij werden ook zij door [bestuurder 1] niet bij alle belangrijke besluiten betrokken, uiteindelijk bleek [bestuurder 1] dan ook een echte einzelgänger. Dat bleek m.n. bij de aankoop van de locatie in Erica. Voor die aankoop was financiering nodig en [bestuurder 1] vroeg aan mij of ik dat met de Rabobank wilde bespreken. De Rabobank was echter mordicus tegen, ze vonden de expansie te snel gaan, dus de aankoop leek van tafel. Enkele weken later werd ik nota bene door Rabobank geïnformeerd dat [bestuurder 1] alsnog de Erica-locaties had gekocht. Rabobank was hiervan op de hoogte geraakt, omdat [bestuurder 1] het vastgoed in Erica via Rabobank wilde laten verzekeren. Ik heb [bestuurder 1] hierop aangesproken, maar de transactie had al plaatsgevonden in privé en valt dus buiten mijn verantwoordelijkheidsgebied zei hij. Ik heb [bestuurder 1] toen duidelijk gemaakt dat dit de relatie met Rabobank ernstig zou schaden ondanks dat dit een privé aankoop betrof, temeer daar we volop in gesprek waren over de seizoen financiering voor het jaar 2017. [bestuurder 1] bleef van mening dat het een privé zaak was en dat het los stond van [Concern A] en dus buiten mijn statutaire verantwoordelijkheden viel. Bij de wijze waarop [bestuurder 1] deze privé aankoop had gefinancierd heeft hij mij niet betrokken en ben ik niet over geïnformeerd. Na zijn dood bleek dat er financieringsovereenkomsten waren gesloten die wel degelijk effect hadden op de [Concern A] . Daarover heeft hij mij nooit en te nimmer geïnformeerd. (…). 4De vordering in conventie 4.1. De rechtbank zal bij de weergave van de vorderingen de door de vereffenaars gehanteerde nummering aanhouden. 4.2. De vereffenaars vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [Beheer A] te veroordelen om aan de nalatenschap van [bestuurder 1] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 36.575,34 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 mei 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; II. [Beheer A] te veroordelen om aan de nalatenschap van [bestuurder 1] te betalen een bedrag van € 100.000,- te vermeerderen met 3% rente per jaar, te rekenen vanaf 10 juli 2017, tot aan de dag der algehele voldoening; III. [Beheer A] te veroordelen om aan de nalatenschap van [bestuurder 1] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 2.140,75; IV. [Beheer A] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten. 4.3. [Beheer A] voert verweer. 4.4. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De vordering in reconventie 5.1. De rechtbank zal bij de weergave van de vorderingen de door [Beheer A] gehanteerde nummering aanhouden. 5.2. [Beheer A] vordert - na eisvermeerdering - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat de erfgenamen van [bestuurder 1] en de nalatenschap van [bestuurder 1] aansprakelijk zijn voor de schade die [Beheer A] heeft geleden en zal lijden wegens en als gevolg van het handelen, nalaten en/of de ongerechtvaardigde verrijking van [bestuurder 1] zoals omschreven in de door [Beheer A] ingediende conclusies, alsmede voor de door [Beheer A] gemaakte buitengerechtelijke kosten; 2. vast te stellen dat de vordering van [Beheer A] op de nalatenschap en erfgenamen van [bestuurder 1] wegens en als gevolg van het handelen, nalaten en/of de ongerechtvaardigde verrijking van [bestuurder 1] (
- i)€ 11.378.270,- bedraagt en (
- ii)een aanvullend bedrag ter zake van (de rechtbank leest) schade op te maken bij staat, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 30 april 2018, althans de datum van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum; 3. vast te stellen dat de vordering van [Beheer A] op de nalatenschap en erfgenamen van [bestuurder 1] uit hoofde van ten onrechte ten laste van [Beheer A] gebrachte kosten € 83.591,98 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum; 4. de vereffenaars en de nalatenschap en erfgenamen van [bestuurder 1] te veroordelen aan [Beheer A] te betalen: a. de som van € 11.378.270,- (onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid) vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 30 april 2018, althans de datum van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum; b. voor zover niet reeds toegewezen als onderdeel van de vordering in reconventie onder 4.a. € 4.692.600 (ongerechtvaardigde verrijking) vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 30 april 2018, althans de datum van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum; c. voor zover niet reeds toegewezen als onderdeel van de vordering in reconventie onder 4.a. de som van € 83.591,98 (ongerechtvaardigde verrijking) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, althans een door de rechtbank te bepalen datum; 5. de vereffenaars en de nalatenschap en de erfgenamen van [bestuurder 1] te veroordelen aan [Beheer A] te betalen de door [Beheer A] gemaakte buitengerechtelijke kosten en [Beheer A] in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het wijzen van het (eind)vonnis in deze procedure deze kosten bij akte te substantiëren; 6. de vereffenaars en de erfgenamen van [bestuurder 1] , al dan niet namens de nalatenschap, te veroordelen in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten, met de toevoeging dat de vereffenaars en de erfgenamen van [bestuurder 1] , al dan niet namens de nalatenschap, vanaf de achtste dag na betekening wettelijke rente verschuldigd zijn tot aan de dag van algehele voldoening. 5.3. De vereffenaars voeren verweer. 5.4. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie 6.1. Ten aanzien van de in conventie opgekomen geschilpunten overweegt de rechtbank als volgt. Commissarisvergoeding (vordering onder I) 6.2. De vereffenaars vorderen, verkort weergegeven, betaling van de commissarisvergoeding van [bestuurder 1] over de periode van 1 juli 2017 tot 20 oktober 2017. De vereffenaars baseren hun vordering op het bepaalde in artikel 10.3 van de tussen [Holding A] en TFFG gesloten koopovereenkomst van 30 juni 2017 en het aandeelhoudersbesluit van [Beheer A] van 30 juni 2017 waarbij [bestuurder 1] tot commissaris van [Beheer A] is benoemd. [Beheer A] betwist dat zij een commissarisvergoeding aan de vereffenaars dient te voldoen en voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat [bestuurder 1] geen werkzaamheden als commissaris heeft verricht, althans niet deugdelijk, terwijl er alle aanleiding was om te handelen als commissaris gelet op de situatie waarin het [Concern A] zich destijds bevond. Ten gevolge van deze tekortkoming in de vervulling van de functie van commissaris is [Beheer A] niet gehouden de vergoeding te voldoen, aldus [Beheer A] . 6.3. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 10.3 van de tussen [Holding A] en TFFG gesloten koopovereenkomst ontvangt de in dit artikel genoemde commissaris van [Beheer A] - als eerste [bestuurder 1] - een vaste vergoeding van € 120.000,00 per jaar voor de uitoefening van zijn functie. Het verweer van [Beheer A] dat [bestuurder 1] tekort is geschoten in de uitoefening van zijn functie als commissaris is gemotiveerd betwist door de vereffenaars. In dit verband is onweersproken door de vereffenaars gesteld dat [Beheer A] - in de persoon van [bestuurder 6] - een week na de overname door TFFG aan [bestuurder 1] heeft medegedeeld dat hij niet meer welkom was op het bedrijf. Voorts is onweersproken door de vereffenaars gesteld dat [Beheer A] medio augustus 2017 bij monde van [bestuurder TFFG 1] aan [bestuurder 1] heeft aangegeven dat hij niets meer voor [Beheer A] mocht doen, ondanks het aanbod van [bestuurder 1] om te helpen bij de teelt. Gelet daarop, alsmede op het feit dat [bestuurder 1] niet is ontslagen als commissaris, is de rechtbank van oordeel dat [Beheer A] de overeengekomen commissarisvergoeding aan (thans) de nalatenschap dient te voldoen, conform de berekening van de vereffenaars neerkomend op een bedrag van € 36.575,34. De over de commissarisvergoeding gevorderde wettelijke rente vanaf 1 mei 2018 tot aan de dag van volledige betaling is als niet betwist en gegrond op de wet eveneens toewijsbaar. De vordering is als zodanig dus toewijsbaar, zij het dat hierna nog beoordeeld zal moeten worden of [Beheer A] een beroep op verrekening met haar reconventionele vorderingen op de erfgenamen toekomt. Geldlening (vordering onder II) 6.4. [Beheer A] heeft erkend dat zij de geldlening van € 100.000,00 aan de nalatenschap dient terug te betalen. Deze vordering is daarom eveneens toewijsbaar. Het verweer van [Beheer A] dat zij slechts éénmaal 3% rente over dit bedrag dient te voldoen, wordt door de rechtbank verworpen. Uit artikel 2 van de tussen [bestuurder 1] en [Beheer A] gesloten overeenkomst van 10 juli 2017 volgt dat partijen een rente van 3% per jaar zijn overeengekomen. De over de geldlening gevorderde rente van 3% per jaar, te rekenen vanaf 10 juli 2017 tot aan de dag van volledige betaling acht de rechtbank daarom toewijsbaar. Ook voor deze vordering geldt dat nog beoordeeld zal moeten worden of [Beheer A] een beroep op verrekening met haar reconventionele vorderingen op de erfgenamen toekomt. Buitengerechtelijke incassokosten (vordering onder III) 6.5. [Beheer A] betwist de door de vereffenaars gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [Beheer A] hebben de vereffenaars deze kosten onvoldoende onderbouwd. De vereffenaars hebben in dit verband gesteld dat zij een advocaat hebben moeten inschakelen die op hun kosten [Beheer A] heeft gesommeerd, stukken heeft moeten bestuderen en contact heeft gehad met (de advocaat van) [Beheer A] . De vereffenaars hebben in dit verband gesteld dat [Beheer A] bij confraternele brief van 30 maart 2018 is gesommeerd om voornoemde commissarisvergoeding en geldlening aan de nalatenschap te voldoen. 6.6. De rechtbank stelt vast dat de vereffenaars voldoende onderbouwd hebben gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het verweer van [Beheer A] dat de vereffenaars slechts één sommatiebrief hebben verzonden, kan [Beheer A] niet baten. Het versturen van een enkele brief is voldoende voor het verschuldigd raken van buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 2.140,75 (conform de Staffel BIK) acht de rechtbank daarom toewijsbaar. Voor deze vordering geldt eveneens dat nog beoordeeld zal moeten worden of [Beheer A] een beroep op verrekening met haar reconventionele vorderingen op de erfgenamen toekomt. 6.7. De beslissing op de vorderingen in conventie zal daarom worden aangehouden totdat een beslissing over de vorderingen in reconventie is gegeven. 7Het geschil en de verdere beoordeling daarvan in reconventie Eiswijziging 7.1. [Beheer A] heeft haar eis in reconventie bij conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, gewijzigd. De vereffenaars hebben daartegen bij conclusie van dupliek in reconventie geen (procedurele) bezwaren geuit. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat de eiswijziging in strijd is met de regels van een goede procesorde en zal daarom recht doen op de gewijzigde eis. Splitsing van hoofdelijke vorderingen door middel van cessie 7.2. Zoals al overwogen in het tussenvonnis van 28 augustus 2019 achten [Beheer A] en Hareko [bestuurder 1] en W&T hoofdelijk aansprakelijk voor de onderhavige (tegen de vereffenaars van de nalatenschap van [bestuurder 1] ingestelde) schadevordering in reconventie en de door Hareko na cessie tegen W&T ingestelde schadevordering in reconventie in de procedure met zaak- en rolnummer C/17/161435/ HA ZA 18-146. In voornoemd tussenvonnis zijn partijen in beide zaken in de gelegenheid gesteld om zich bij akte nader uit te laten over de kwestie van het splitsen van hoofdelijke vorderingen en de (eventuele) consequenties daarvan. In die akten hebben partijen de volgende stellingen en verweren ingenomen. 7.3. [Beheer A] stelt, verkort weergegeven, dat de vorderingen die zij voorafgaand aan de cessie aan Hareko had op respectievelijk [bestuurder 1] en W&T, zelfstandige vorderingsrechten zijn die daarmee ook afzonderlijk van elkaar overdraagbaar zijn. De vordering van [Beheer A] op [bestuurder 1] is daarom niet als gevolg van cessie van de vordering op W&T aan Hareko (van rechtswege) mee overgegaan op Hareko. De vordering op [bestuurder 1] bevindt zich nog in het vermogen van [Beheer A] , aldus [Beheer A] . [Beheer A] stelt voorts dat de hoofdelijke verbondenheid van de erfgenamen en W&T voor dezelfde schade in de zin van artikel 6:102 lid 1 BW met zich brengt dat de erfgenamen en W&T ieder tot vergoeding van de gehele schade jegens [Beheer A] (voor de cessie) zijn gehouden (artikel 6:7 lid 1 BW), met dien verstande dat betaling door de één de ander bevrijdt (artikel 6:7 lid 2 BW). Van een na cessie ontstane gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW is volgens [Beheer A] geen sprake. [Beheer A] verwijst in dit verband naar de opvattingen van Biemans ('Rechtsgevolgen van stille cessie', O&R nr. 65) en Vranken ('Verpanding, hoofdelijkheid en de nieuwe voorrangsregel van Zuidgeest/Furness', WPNR 6353, 267-271). Volgens deze opvattingen is zowel [Beheer A] als Hareko inningsbevoegd, zodat beide procedures naast elkaar kunnen bestaan, aldus [Beheer A] . 7.4. De vereffenaars hebben, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de gepretendeerde vorderingen van [Beheer A] op [bestuurder 1] en W&T één en ondeelbaar zijn en zich niet lenen voor gedeeltelijke overdracht c.q. splitsing. De vereffenaars stellen zich daarom primair op het standpunt dat met de overgang van de hoofdelijke vordering van [Beheer A] op W&T aan Hareko sprake is van een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW tussen [Beheer A] en Hareko. Volgens de vereffenaars is hier sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:15 lid 2 BW, omdat de prestatie ondeelbaar is. Van een afspraak met W&T en/of de erfgenamen als bedoeld in artikel 6:16 BW is volgens de vereffenaars geen sprake. Alhoewel het mogelijk is voor een deelgenoot om ten behoeve van de gemeenschap te procederen (artikel 3:171 BW), is het vaste jurisprudentie dat dat in de dagvaarding moet worden vermeld. Hiervan is geen sprake. [Beheer A] en Hareko hebben uitsluitend voor zichzelf gedagvaard. Gedurende de procedure kan de hoedanigheid van een procespartij niet worden gewijzigd. Volgens de vereffenaars dient dit te resulteren in de niet-ontvankelijkheid van zowel [Beheer A] als Hareko (in de andere procedure). Subsidiair stellen de vereffenaars zich op het standpunt dat de gehele door [Beheer A] gepretendeerde vordering op [bestuurder 1] en W&T van [Beheer A] is overgegaan op Hareko. Het systeem van de overgang van vorderingen zoals neergelegd in artikel 6:142 BW brengt volgens de vereffenaars met zich dat de hoofdelijkheid (de facto) als een nevenrecht moet worden gezien. In dat geval doet de exceptio plurium litis consortium opgeld, hetgeen ook tot de niet-ontvankelijkheid van [Beheer A] en Hareko zou moeten leiden, aldus de vereffenaars. Meer subsidiair stellen de vereffenaars dat de beoogde cessie door [Beheer A] aan Hareko zonder rechtsgevolg is gebleven, omdat de beoogde overdracht indruist tegen het systeem van hoofdelijkheid. 7.5. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:102 lid 1 BW bepaalt dat sprake is van hoofdelijke verbondenheid indien op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust. De vorderingen van [Beheer A] en Hareko zijn gebaseerd op een gestelde verplichting van [bestuurder 1] en W&T tot vergoeding van dezelfde door [Beheer A] geleden schade ten gevolge van de gestelde onbehoorlijke taakvervulling door [bestuurder 1] , zodat in zoverre sprake is van hoofdelijke verbondenheid. Niet vereist is dat de aansprakelijkheid van deze personen dezelfde rechtsgrond heeft. In het onderhavige geval is echter niet alleen sprake van pluraliteit van schuldenaren, maar ook van pluraliteit van schuldeisers ten gevolge van de cessie van de vordering op W&T door [Beheer A] aan Hareko. In geschil is welke gevolgen dit heeft. 7.6. De rechtbank stelt voorop dat de vorderingsrechten van aanvankelijk enig schuldeiser [Beheer A] tegen de schuldenaren [bestuurder 1] en W&T zelfstandige vorderingsrechten zijn, tenzij uit de wet anders voortvloeit (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 95 en HR 3 april 2015, NJ 2015/255). Dit laatste is echter niet het geval. 7.7. Uit het bepaalde in artikel 6:7 lid 2 BW vloeit voort dat betaling door de ene schuldenaar ook de andere schuldenaar bevrijdt (artikel 6:7 lid 2 BW). Slechts in zoverre is sprake van enige afhankelijkheid van de vorderingsrechten maar dit houdt niet in dat sprake is van een afhankelijk recht in de zin van art. 3:7 BW. Een hoofdelijke vordering volgt dus niet de andere hoofdelijke vordering waaraan zij verbonden is. Hieruit vloeit voort dat [Beheer A] over ieder vorderingsrecht zelfstandig heeft kunnen beschikken en het vorderingsrecht op W&T door middel van cessie dus heeft kunnen overdragen aan Hareko, zonder dat haar vordering op (de erven van) [bestuurder 1] mee overging. Deze overdracht druist naar het oordeel van de rechtbank niet in tegen het systeem van hoofdelijkheid. 7.8. Van een na cessie ontstane gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Artikel 3:166 lid 1 BW bepaalt dat gemeenschap bestaat wanneer één of meer goederen toebehoren aan twee of meer personen (deelgenoten) gezamenlijk. In het onderhavige geval hebben, na de cessie, twee verschillende personen, namelijk [Beheer A] en Hareko, zelfstandige vorderingsrechten op respectievelijk [bestuurder 1] (althans de erfgenamen) en W&T gekregen. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van twee vorderingen met ieder een andere gerechtigde. Dit betekent dat geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW is ontstaan. 7.9. Het verweer van de vereffenaars dat de prestatie ondeelbaar is, zodat de schuldeisers om die reden één vorderingsrecht hebben en de regels met betrekking tot de gemeenschap van toepassing zijn (artikel 6:15 lid 2 BW) faalt. De gestelde hoofdelijke schadevordering van [Beheer A] op [bestuurder 1] (de erfgenamen) en van Hareko op W&T, waarbij de van de erfgenamen en W&T gevorderde prestatie bestaat uit het betalen van een geldsom, is naar het oordeel van de rechtbank niet ondeelbaar. De betaling van de geldsom kan immers zowel (deels) door de erfgenamen als (deels) door W&T worden nagekomen zonder dat zij elkaars medewerking nodig hebben en zonder dat de prestatie er daardoor kwalitatief op achteruit gaat. Ook artikel 6:142 BW is niet van toepassing in verband met de zelfstandigheid van de vorderingsrechten. Van nevenrechten in de zin van artikel 6:142 BW is geen sprake. 7.10. Het voorgaande brengt met zich dat zowel [Beheer A] als Hareko inningsbevoegd zijn en dat beide procedures naast elkaar kunnen worden gevoerd. Het grootste probleem dat in de onderhavige procedures uit de inningsbevoegdheid van [Beheer A] en Hareko zou kunnen voortvloeien is de mogelijkheid dat er bij toewijzing van de reconventionele schadevorderingen in beide zaken door beide schuldenaren (geheel of deels) wordt betaald, waardoor er dan mogelijk (geheel of deels) dubbel wordt betaald, zodat in totaal meer dan verschuldigd is wordt betaald. Dit probleem kan echter eenvoudig worden voorkomen door bij toewijzing van enig bedrag in beide zaken aan het dictum toe te voegen dat indien de vereffenaars betalen, W&T in zoverre van betaling zal zijn bevrijd en dat indien W&T betaalt, de vereffenaars in zoverre van betaling zullen zijn bevrijd. In geval van toewijzing van enig schadebedrag in reconventie zal de rechtbank deze bepaling aan de veroordeling toevoegen. Erfrechtelijke aspecten 7.11. De rechtbank stelt vast dat de erfgenamen van [bestuurder 1] zijn nalatenschap beneficiair hebben aanvaard en op grond van artikel 4:195 BW gezamenlijk optreden als vereffenaars. Als vereffenaars zijn zij bij de vervulling van hun taak als enigen bevoegd de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De tegen de vereffenaars ingestelde vorderingen hebben echter materieel te gelden als vorderingen jegens de erfgenamen; de vorderingen van [Beheer A] betreffen immers beweerde schulden van [bestuurder 1] die in de nalatenschap zijn gevallen; de erfgenamen volgen [bestuurder 1] naar rato van hun erfdeel in de gestelde schulden op. De tegen de vereffenaars ingestelde vorderingen berusten niet op enige aansprakelijkheid van de vereffenaars pro se omdat zij bij hun taakvervulling onrechtmatig jegens [Beheer A] zouden hebben gehandeld. 7.12. [Beheer A] vordert - verkort weergegeven - voor recht te verklaren dat de erfgenamen en de nalatenschap van [bestuurder 1] aansprakelijk zijn voor de schade die [Beheer A] heeft geleden (zie hiervoor in r.o. 5.2. onder 1.). 7.13. Voor zover de gevorderde verklaring voor recht de aansprakelijkheid van de nalatenschap betreft zal deze worden afgewezen. Een nalatenschap vormt een ‘algemeenheid van goederen’. Op de nalatenschap kan verhaal worden gezocht maar zij is geen (rechts)persoon en kan als zodanig niet aansprakelijk zijn. 7.14. [Beheer A] vordert bovendien (zie hiervoor onder 2. en 3.) de vorderingen op de nalatenschap vast te stellen. De vereffenaars hebben deze vorderingen terecht opgevat als vorderingen tot het doen vaststellen van de vorderingen jegens de nalatenschap als bedoeld in art 4:223 lid 2 BW. Na vaststelling van de vordering kan de vordering in de vereffening worden betrokken. 7.15. [Beheer A] heeft daarnaast gevorderd de vereffenaars, de nalatenschap en de erfgenamen te veroordelen tot betaling van de onder 4. genoemde geldbedragen. Ook voor deze vordering geldt dat de nalatenschap niet tot betaling kan worden veroordeeld en dat de vordering zich materieel richt tot de erfgenamen. De vereffenaars hebben zich tegen deze vordering verweerd met het standpunt dat meer of andere vorderingen dan de vorderingen tot vaststelling van de omvang van de vordering niet tijdens de vereffening kunnen worden ingesteld. 7.16. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt van de vereffenaars onjuist. Ook tegen een erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard en die wel (voor een gedeelte) schuldenaar is van de schulden van de nalatenschap, kan een veroordelend vonnis worden verkregen, zij het dat aan het dictum alsdan zal moeten worden toegevoegd dat de veroordeling slechts ten uitvoer zal kunnen worden gelegd op een wijze die in overeenstemming is met de wet en slechts voor zover de wet dat toelaat tegenover erfgenamen die de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard (zie HR 20 februari 1936, NJ 1936/420). De beneficiaire aanvaarding brengt mee dat [Beheer A] zich na een veroordelend vonnis slechts op de goederen van de nalatenschap kan verhalen (art 4:184 BW) en de daaruit voortvloeiende vereffening brengt mee dat [Beheer A] gedurende de vereffening de eventuele veroordeling niet ten uitvoer kan leggen (art. 4:223 BW). Afgezien van een eventuele proceskostenveroordeling zal de rechtbank in geval van toewijzing van enig schadebedrag in reconventie deze bepaling aan de veroordeling toevoegen. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de veroordeling tot betaling binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis niet kan worden toegewezen. De vorderingen van [Beheer A] kunnen, indien toewijsbaar, pas worden uitbetaald na het verbindend worden van de uitdelingslijst, zoals vereffenaars terecht hebben opgemerkt. 7.17. De rechtbank merkt nu reeds op dat de toewijzing van de vorderingen onder 2. en 3. effectief op hetzelfde neerkomt als toewijzing van het gevorderde onder 4. met inachtneming van hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen. Gelet op de verschillende redacties van de vorderingen zal de rechtbank deze vorderingen echter vooralsnog gezamenlijk behandelen. Grondslagen van de vordering 7.18. [Beheer A] baseert haar vordering op: (a.) bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad van [bestuurder 1] jegens [Beheer A] , (b.) ongerechtvaardigde verrijking van [bestuurder 1] ten koste van [Beheer A] door zwarte verkopen en (c.) ongerechtvaardigde verrijking van [bestuurder 1] vanwege ten onrechte bij [Beheer A] in rekening gebrachte kosten. 7.19. [Beheer A] heeft onder randnummer 14.3.1 van haar conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie alsmede houdende akte eisvermeerdering in reconventie gespecificeerd hoe haar vordering na de eiswijziging is opgebouwd. Deze komt ten aanzien van het gevorderde onder r.o. 7.18 (a.) neer op: Erica locaties: (1.) ofwel € 3.107.478,95 (inclusief btw) zonder verrekening inschatting nog te betalen goederen, althans € 1.262.925,67 (inclusief btw), met verrekening inschatting nog te betalen goederen (uit hoofde van een niet-inbare vordering op W&T bij exploitatie voor rekening en risico van W&T); (2.) ofwel € 2.164.856,35, althans € 1.958.283,01, omdat [Beheer A] alle kosten en het verlies van de exploitatie van de Erica-locaties zou moeten dragen; Zwarte verkopen: (3.) € 4.692.600,00 (verkopen buiten de administratie om), plus (4.) € 2.909.412,00 (vennootschaps- en omzetbelasting plus mogelijke boete vanuit Belastingdienst), plus (5.) € 585.187,10 + PM (onderzoekskosten [Hoffmann Bedrijfsrecherche en Integis] en reorganisatiekosten [ontslagvergoedingen werknemers, vervangers en ondersteuning]), plus