← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2020:1662

vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/161435 / HA ZA 18-146 Vonnis van 15 april 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HAREKO B.V., gevestigd te Sexbierum, eiseres in het verzet, eiseres in (deels voorwaardelijke) reconventie, advocaten mr. S.P. Kamerbeek en mr. J. Liauw-A-Joe te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W&T HART ADVIES B.V., gevestigd te Harlingen, gedaagde in het verzet, verweerster in (deels voorwaardelijke) reconventie, advocaten mr. W. Mollema en mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden. Partijen zullen hierna Hareko en W&T genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 28 augustus 2019, - de akten van partijen van 25 september 2019. 1.2. Ten slotte is wederom vonnis bepaald. 2Inleiding 2.1. Vanwege de complexiteit van de zaak, de omvang van het dossier en de vele geschilpunten zal de rechtbank voor een goed begrip hierna eerst een korte samenvatting van het geschil geven. 2.2. Eind 2016 heeft (wijlen) [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ) productielocaties voor glastuinbouw te Erica (de hierna te definiëren Erica-locaties) gekocht en deze begin 2017 doorverkocht aan zijn managementvennootschap W&T. 2.3. [bestuurder 1] was, via zijn persoonlijke holding [Holding A] .V. (hierna: [Holding A] ) eigenaar van het glastuinbouwbedrijf [beheer A] Beheer B.V. (hierna: [beheer A] ) met daaronder hangende diverse dochtermaatschappijen (hierna ook: het [concern A] ). Medio 2017 heeft [Holding A] haar aandelen in [beheer A] (en daarmee het gehele [concern A] ) verkocht en geleverd aan The Fruit Farm Group B.V. (hierna: TFFG). 2.4. In deze zaak vordert W&T terugbetaling van een aan Hareko (een tot het [concern A] behorende vennootschap) beweerdelijk verstrekte geldlening en kosten die W&T zou hebben voorgeschoten, in beide gevallen ten behoeve van de exploitatie van de Erica-locaties. Hareko beroept zich bij wijze van verweer erop dat de exploitatie van de Erica-locaties gedurende het boekjaar 2017 heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van W&T. Op basis daarvan voert Hareko aan dat geen sprake is van een geldlening en dat W&T geen kosten heeft voorgeschoten. In (deels voorwaardelijke) reconventie heeft Hareko op haar beurt ook vorderingen ingesteld die verband houden met de exploitatie van de Erica-locaties, gebaseerd op het door haar gestelde feitencomplex. 2.5. Zowel in de onderhavige zaak als in de hiermee connexe zaak met zaak- en rolnummer C/17/161131 HA ZA 18-132 is daarnaast in de kern genomen tussen partijen in geschil of [bestuurder 1] als bestuurder van [beheer A] zich, al dan niet via W&T, gedurende de periode 2007 - 30 juni 2017 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van 2e klasse producten buiten de administratie van het [concern A] om, dan wel onvoldoende heeft voorkomen dat die verkoop heeft plaatsgevonden. In de onderhavige zaak is in dat verband in reconventie in geschil of W&T aansprakelijk is voor de schade die [beheer A] ten gevolge daarvan stelt te hebben geleden, welke vordering door haar is gecedeerd aan Hareko. Volgens Hareko is W&T, als opdrachtnemer van [beheer A] , hoofdelijk aansprakelijk voor die schade naast (de erven van) [bestuurder 1] , omdat W&T toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van een overeenkomst van opdracht tussen W&T en [beheer A] , waarbij W&T volgens Hareko [bestuurder 1] als bestuurder ter beschikking heeft gesteld aan [beheer A] . Subsidiair heeft W&T volgens Hareko onrechtmatig jegens [beheer A] gehandeld. De (privé-)aansprakelijkheid van (de erven van) [bestuurder 1] komt in de zaak met zaak- en rolnummer C/17/161131 HA ZA 18-132 aan de orde, waarbij grotendeels hetzelfde feitencomplex aan de vorderingen ten grondslag is gelegd. 2.6. Ten behoeve van de overzichtelijkheid van dit vonnis zal de rechtbank na de weergave van de vorderingen eerst de feiten weergeven die betrekking hebben op het geschil over de exploitatie van de Erica-locaties. Na beoordeling hiervan zullen vervolgens afzonderlijk en aanvullend de feiten die betrekking hebben op het door Hareko gestelde tekortschieten in de overeenkomst van opdracht door W&T, althans de aansprakelijkheid van W&T voor het beweerde verwijtbaar handelen van [bestuurder 1] op grond van onrechtmatige daad en de daaraan gerelateerde onderwerpen worden weergegeven en zal beoordeling van de met dat deel van het debat samenhangende vorderingen plaatsvinden. Daarbij zal, voor zover van belang, ook teruggevallen worden op feiten die ten aanzien van 'Erica' in het eerste deel van het vonnis al afzonderlijk zijn vastgesteld. 2.7. De rechtbank overweegt thans reeds dat het haar ambtshalve bekend is dat de tot het [concern A] behorende vennootschappen, waaronder Hareko, bij afzonderlijke vonnissen van deze rechtbank van 1 november 2019 in staat van faillissement zijn verklaard met benoeming van mr. H.C. Lunter tot curator (hierna: de curator). Gelet op het feit dat deze zaak ten tijde van het uitspreken van deze vonnissen in staat van wijzen verkeerde heeft het faillissement van Hareko op dit moment geen processuele consequenties voor de afdoening hiervan (artikel 30 lid 1 Fw). De rechtbank zal aan het slot van dit vonnis op (de gevolgen van) het faillissement terugkomen. 3De vorderingen in oppositie en (na eiswijziging) in conventie 3.1. De rechtbank zal bij de weergave van de vorderingen de door partijen gehanteerde nummering aanhouden. de vordering in oppositie 3.2. Hareko vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. Hareko te ontheffen van de veroordelingen tegen haar uitgesproken bij het verstekvonnis (rol-/zaaknummer C17/160188 / HA ZA 18-66), door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 18 april 2018 tussen haar als gedaagde en W&T als eiseres gewezen; 2. W&T niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar ingestelde vorderingen althans deze vorderingen af te wijzen, met veroordeling van W&T in de kosten van het verzet en de nakosten. de vordering in conventie na eiswijziging 3.3. W&T voert verweer en heeft haar eis vermeerderd. Voor de volledigheid zal de rechtbank hierna de volledige vordering van W&T weergeven, inclusief de vorderingen die bij het verstekvonnis van 18 april 2018 jegens Hareko zijn toegewezen (de vorderingen onder I, IV en V). W&T vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Hareko te veroordelen om aan W&T te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 420.000,00, te vermeerderen met 5% rente per jaar, althans te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 17 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening; II. Hareko te veroordelen om aan W&T te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 441.242,80, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag van het nemen van de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, te weten 10 oktober 2018, tot aan de dag van algehele voldoening; III. Hareko te veroordelen om aan W&T te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 11.618,87, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag van het nemen van de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, te weten 10 oktober 2018, tot aan de dag van algehele voldoening; IV. Hareko te veroordelen om aan W&T te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 3.775,00; V. Hareko te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten. 3.4. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.5. De rechtbank zal ter wille van de overzichtelijkheid hierna zoveel mogelijk de term 'in conventie' gebruiken, ook als daarmee wordt gedoeld op de vorderingen van W&T die bij het verstekvonnis van 18 april 2018 zijn toegewezen en die nu dus in oppositie ter beoordeling voorliggen. 4De vordering in (deels voorwaardelijke) reconventie 4.1. Hareko vordert - na eisvermeerdering en eisvermindering - om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: in reconventie 3. te verklaren voor recht dat de exploitatie van de Erica-locaties over het boekjaar 2017 heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van W&T; 4. W&T te veroordelen € 3.107.478,95 (inclusief btw), althans € 3.079.281,92 (zoals op 24 mei 2018 aan W&T gefactureerd, inclusief btw), althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, uit hoofde van de (kosten gemaakt in het kader van

  1. de)Erica-locaties, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 oktober 2017, althans 4 december 2017, althans een datum door de rechtbank te bepalen, aan Hareko te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn voor voldoening indien niet (volledig) binnen die termijn is voldaan; 5. W&T te veroordelen € 11.378.270,00, althans voor zover in dit bedrag een dubbeltelling van € 3.107,478,95 is begrepen, een bedrag van € 8.270.791,05, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, uit hoofde van de door W&T, althans [bestuurder 1] , ten behoeve van [beheer A] en haar dochtervennootschappen uitgevoerde werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 juni 2017 (datum beëindiging opdracht W&T), (de rechtbank leest) althans de datum van de verzetdagvaarding, althans een datum door de rechtbank te bepalen, aan Hareko te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn voor voldoening indien niet (volledig) binnen die termijn is voldaan; in voorwaardelijke reconventie 6. W&T te veroordelen om € 446.293,97, althans € 142.884,00 na verrekening met de gestelde vordering van W&T op Hareko, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, te voldoen aan Hareko uit hoofde van ten onrechte door W&T (
  2. te)ontvangen gelden uit de opbrengsten van de Erica-locaties, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van ontvangst door W&T van deze betalingen, (de rechtbank leest) althans de datum van de verzetdagvaarding, althans een datum door de rechtbank te bepalen, een en ander binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn voor voldoening indien niet (volledig) binnen die termijn is voldaan; 7. W&T te veroordelen alle producten, geproduceerd op de Erica-locaties, binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans binnen een termijn door de rechtbank te bepalen, te factureren aan de betreffende afnemers onder gebruikmaking van het SKAL-certificaat van W&T, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat W&T in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen; 8. W&T te veroordelen alle nog door W&T uit hoofde van de Erica-locaties te ontvangen gelden van derde partijen, niet zijnde [beheer A] en haar dochtervennootschappen, binnen zeven dagen na ontvangst (door) te betalen aan Hareko, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn voor betaling indien niet (volledig) binnen die termijn is voldaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat W&T in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen; in (deels voorwaardelijke) reconventie 9. W&T te veroordelen in de proceskosten, inclusief eventuele nakosten. 4.2. W&T voert verweer. 4.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beslissing over de eisvermeerderingen 5.1. Van de tijdigheid van het verzet door Hareko wordt, nu niet anderszins is gesteld of gebleken, uitgegaan. De vorderingen in oppositie, conventie en (deels voorwaardelijke) reconventie vertonen een zodanige samenhang dat de rechtbank deze vorderingen zoveel mogelijk gezamenlijk zal behandelen. 5.2. Beide partijen hebben hun eis gewijzigd. Hareko heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van W&T. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat deze eis in strijd is met de regels van een goede procesorde en zal recht doen op de gewijzigde eis. Het bezwaar van W&T tegen de vermeerdering van eis en uitbreiding van de gronden van de eis in (deels voorwaardelijke) reconventie van Hareko, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat W&T voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich tegen deze eiswijziging te kunnen verweren. Zij heeft immers nog een conclusie van dupliek in reconventie kunnen nemen en ook de zaak bepleit. Voor wat betreft de pleidooizitting geldt bovendien dat de onderhavige zaak op verzoek van alle partijen gezamenlijk is behandeld met de zaak C/17/161131 HA ZA 18-132, waarin voor wat betreft het beweerde verwijtbaar handelen van (in dat geval) [bestuurder 1] , in de kern genomen dezelfde problematiek in debat is als in deze zaak. Daarbij komt nog dat ter gelegenheid van de pleidooien is afgesproken dat wat in de ene zaak tijdens het pleidooi is gezegd, geacht wordt ook in de andere zaak gezegd te zijn. Bij die stand van zaken is W&T door de eisvermeerdering van Hareko niet in haar verdediging geschaad. De rechtbank zal daarom beslissen op de gewijzigde vorderingen en grondslagen. 6De feiten inzake de Erica-locaties in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie 6.1. Hareko is een dochtervennootschap van [beheer A] . [beheer A] exploiteerde tot aan de datum van haar faillissement met haar dochtervennootschappen een groot glastuinbouwbedrijf met een jaaromzet van ongeveer € 30.000.000,00. De onderneming is gesticht door de vader van [bestuurder 1] . Vanaf 31 december 2007 was [bestuurder 1] (zelfstandig bevoegd) bestuurder van [beheer A] . Daarnaast was [bestuurder 1] enig aandeelhouder en bestuurder van [Holding A] en van W&T. 6.2. [beheer A] is naast enig aandeelhouder tevens (zelfstandig bevoegd) bestuurder van haar dochtervennootschappen. Naast Hareko zijn dit [beheer A] B.V., [verwerking A] B.V. (hierna: [verwerking A] ), [kwekerijen A] B.V., [energie A] B.V., Lotus Fish B.V., [groenten en fruit B] B.V., [vastgoed C] B.V. (verder: [vastgoed C] ) en (via [vastgoed C] ) [R] B.V. (hierna: [R] ). Vanuit Hareko vonden alle verkopen van binnen het [concern A] geproduceerde biologische producten plaats. W&T behoort niet tot het [concern A] . 6.3. Naast [bestuurder 1] als zelfstandig bevoegd bestuurder waren er andere bestuurders van [beheer A] die gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd waren. Vanaf 31 december 2007 tot 31 december 2013 waren [bestuurder 2] en [bestuurder 3] beide gezamenlijk bevoegd bestuurder van [beheer A] . Daarnaast was [bestuurder 4] gezamenlijk bevoegd bestuurder van [beheer A] vanaf 31 december 2007 tot 30 juni 2017. Vanaf 7 oktober 2013 tot 30 juni 2017 was [bestuurder 5] (hierna: [bestuurder 5] ) gezamenlijk bevoegd bestuurder van [beheer A] . 6.4. Over de periode vanaf 25 november 2013 tot 29 september 2015 was [bestuurder 1] geen bestuurder van [beheer A] . Na herbenoeming werd hij weer zelfstandig bevoegd bestuurder. 6.5. In 2013 en 2014 heeft het [concern A] verliezen geleden. In de zomer van 2014 werd het [concern A] door haar huisbankier Rabobank onder toezicht geplaatst van de afdeling Bijzonder Beheer. 6.6. Vanaf 2014 was [bestuurder 1] in gesprek met [bestuurder TFFG 1] (hierna: [bestuurder TFFG 1] ), over overname van het [concern A] . [bestuurder TFFG 1] is onder andere (middellijk) aandeelhouder en bestuurder van TFFG. TFFG is actief als teler en handelaar in groente en fruit. 6.7. Vanaf 4 januari 2016 was [bestuurder 1] via [Holding A] enig aandeelhouder van [beheer A] . 6.8. Vanaf 19 september 2016 tot 7 februari 2018 was [bestuurder 6] (hierna: [bestuurder 6] ) gezamenlijk bevoegd bestuurder van [beheer A] . [bestuurder 6] was de beoogd opvolger van [bestuurder 1] . [bestuurder 1] was ook in die periode (dat wil zeggen tot en met 30 juni 2017) zelfstandig bevoegd bestuurder. 6.9. Eind 2016 wilde [bestuurder 1] een nieuwe productielocatie aan het [concern A] toevoegen, te weten de percelen grond met daarop aanwezige opstallen aan de Tuinderslaan 19, 20 en 22 in Erica, kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie AG, nummers 1083, 1209, 1259, 1260, 1261, 1082, 1084 en 1133 (hierna: de Erica-locaties of Erica). [bestuurder 1] wilde deze locaties gaan gebruiken voor biologische teelt. Rabobank wilde deze aankoop niet mede-financieren. In een verslag van een bespreking tussen betrokkenen van het [concern A] en Rabobank, gehouden op 6 december 2016, is hierover vermeld: De Rabobank wil voor alsnog niet de aankoop van Erica mede financieren. [bestuurder 1] is reeds met zoveel zaken bezig, dat Erica op dit moment te veel van het goede lijkt. 6.10. Op 23 december 2016 heeft [bestuurder 1] de Erica-locaties van Twaal Invest gekocht. Voor de aankoop hiervan heeft [bestuurder 1] financiering verkregen van [kwekerij E] B.V. (hierna: [kwekerij E] ), een leverancier van het [concern A] , waarvoor een overeenkomst van geldlening is opgesteld en ondertekend. De financiering bestond uit (a.) een geldlening van € 1.050.000,00, af te lossen in drie gelijke jaarlijkse termijnen van € 350.000,00 vanaf 1 oktober 2017 en (b.) een krediet in rekening-courant met een kredietlimiet van € 600.000,00, af te lossen in drie gelijke termijnen op 1 augustus 2017, 1 september 2017 en 1 oktober 2017. De overeengekomen rente over het nog niet afgeloste deel van de geldlening en over het rekening-courantkrediet bedroeg 5% per jaar (artikel 4 lid 1 en 2 van de overeenkomst van geldlening). Daarnaast was [bestuurder 1] aan [kwekerij E] een 'financiering fee' verschuldigd van € 400.000,00 (artikel 4 lid 4 van de overeenkomst van geldlening). 6.11. In artikel 2 leden 2 en 5 van de tussen [bestuurder 1] en [kwekerij E] gesloten overeenkomst van geldlening is vermeld dat [bestuurder 1] de hiervoor bedoelde geleende bedragen en het rekening-courantkrediet slechts zal en kan aanwenden ter financiering van de aankoop en exploitatie van de Erica-locaties. [bestuurder 1] heeft als (middellijk) bestuurder van Hareko en [vastgoed C] , deze vennootschappen tegenover [kwekerij E] als borg verbonden tot terugbetaling van de geldlening en het rekening-courantkrediet door W&T. 6.12. Op 3 februari 2017 heeft [bestuurder 1] de Erica-locaties verkocht en geleverd aan W&T. In de akte van levering staat onder 1. van de overwegingen over de verkoop van de Erica-locaties aan W&T vermeld: Verkoper heeft bij de aankoop van het Verkochte reeds beoogd aan te kopen voor een aan hem verbonden vennootschap. Dit is geworden Koper. 6.13. Ook heeft W&T de financiering overgenomen die [bestuurder 1] in privé bij [kwekerij E] had betrokken. In de akte van contractovername van 3 februari 2017 staat onder 3c vermeld: Reeds bij aankoop van het Verkochte had [bestuurder 1] het oogmerk om aan te kopen ten behoeve van een aan hem verbonden rechtspersoon. Dit is geworden W&T Hart Advies. [bestuurder 1] zal derhalve het verkochte overdragen aan W&T Hart Advies. De borgstellingen van Hareko en [vastgoed C] bleven gehandhaafd. 6.14. W&T heeft in het Handelsregister op laten nemen dat zij met ingang van 3 februari 2017 een vestiging aan de Tuinderslaan 20 in Erica is gestart en zij heeft per die datum aan haar bestaande activiteitomschrijving ('Het adviseren van bedrijven') toegevoegd: het 'Telen van biogroenten'. 6.15. In het kader van de exploitatie van de Erica-locaties werd gebruik gemaakt van personeel en materieel van het [concern A] . Het personeel dat in dienst was van Twaal Invest is overgenomen door Hareko. Hareko heeft ten behoeve van de teelt in Erica ook vijf nieuwe medewerkers aangenomen (een teeltmanager, een manager en drie zelfstandige medewerkers). Daarnaast werd door Hareko uitzendpersoneel ingeschakeld. 6.16. In een nieuwsbrief van het [concern A] van februari 2017, nummer 3, van de hand van [bestuurder 6] staat vermeld: In januari is de laatste hand gelegd aan de ombouw van Hatoko van conventioneel naar biologisch. (…) Inmiddels zijn ook de planten (op tijd) gepoot. (…) Eind januari zijn ook de planten de grond in gegaan in Kimswerd, Ens en Oostbierum. Wat nog resteert zijn de kassen in Erika (8 hectare) en Klazienaveen (6 hectare), hoewel daar ook al 1 kas vol staat met gangbare (onbelichte) komkommers. Binnen 3 weken volgt de rest. In de vorige nieuwsbrief hebben wij aangegeven dat we een herstructurering doorvoeren in de Tuinen. In de afgelopen dagen hebben zijn er gesprekken gevoerd met de medewerkers die een nieuwe en soms andere rol krijgen binnen de nieuwe organisatie van de Tuinen. Op woensdag 1 februari is er een startbijeenkomst geweest waarin [bestuurder 6] [rb: [bestuurder 6] ] de doelen en uitgangspunten voor de nieuwe organisatie heeft toegelicht. (…) Ook zijn er inmiddels bijeenkomsten geweest in Erica en Ens. 6.17. Biologische teelt vereist een zogenaamd SKAL-certificaat. Zonder dit certificaat mogen producten niet als biologisch worden verkocht. W&T heeft dit SKAL-certificaat aangevraagd en op 24 februari 2017 ontvangen. Het SKAL-nummer is 105988 en het certificaatnummer 999240. 6.18. Op 3 en 14 maart 2017 heeft W&T kweekgoed voor de Erica-locaties aangeschaft bij [kwekerij E] Houten B.V. (verder: [kwekerij E] ) voor een bedrag van in totaal € 441.242,80. W&T heeft dit bedrag niet betaald. 6.19. Op 17 maart 2017 heeft W&T een bedrag van € 420.000,00 getrokken op het rekening-courantkrediet van [kwekerij E] . Op dezelfde dag heeft W&T het bedrag van € 420.000,00 doorbetaald aan Hareko. De betaling aan Hareko heeft plaatsgevonden in twee betalingen van elk € 210.000,00 met als omschrijving 'lening'. 6.20. Op 19 april 2017 heeft [werknemer AA] (hierna: [werknemer AA] ), controller van [beheer A] , aan [werknemer BB] , werkzaam binnen het [concern A] , gemaild: We hebben geen boekhouding voor Erica. Het is op dit moment niet duidelijk waar Erica onder valt in de toekomst. Nu is het officieel onderdeel van W&T hartadvies. Daarvan voeren wij geen boekhouding. Alle kosten die wij betalen (via meerdere BV'
  3. s)worden op RC Erica geboekt. Misschien maandag even met [bestuurder 5] [rb: [bestuurder 5] ] overleggen. Wellicht kunnen we de kosten van Erica wel alvast in een "nieuwe" administratie gaan boeken. Ik denk zelf niet als onderdeel van Hareko met kostenplaats omdat we dan geen aansluiting in totaal meer hebben tussen ons resultaat en de optel som van de BV's. (…). 6.21. Op 28 april 2017 heeft W&T een factuur aan Hareko verzonden inzake 'Doorbel. [kwekerij E] BV Rente 1e kwartaal 2017 Rek. Courant' van € 875,00. 6.22. Bij e-mailbericht van 10 mei 2017 heeft [bestuurder 6] aan [bestuurder 1] (en in c.c. aan [bestuurder 5] ) geschreven: Zoals afgesproken wordt de tuin Erica gedurende 2017 voor € 413K verhuurd aan [beheer A] B.V. (…) Als ik kijk naar de cash flow stel ik voor dat [beheer A] jou op 1 oktober a.s. 9/12 van € 413K gaat betalen (= € 310K) en op 31/12 de resterende € 103K. Akkoord ? 6.23. [Holding A] , [beheer A] en TFFG hebben op 17 mei 2017 een niet-bindende intentieverklaring (hierna mede te noemen: de LOI) getekend, in het kader van een voorgenomen overname van de aandelen van [Holding A] in [beheer A] door TFFG. In artikel 1.4 van die verklaring staat: [beheer A] [rb: [beheer A] ] zal vóór de closingdatum van [Holding A] [rb: [Holding A] ] de aan [beheer A] dienstbare productielocaties te Erica, meer bepaald 22 ha grond waarvan 8 ha kassen met SKAL gecertificeerde grond, kopen, (…), voor een vaste koopsom van € 2.000.000,- kosten koper. Levering en betaling zullen plaatsvinden op 31 december 2017 of zoveel eerder als partijen nader overeenkomen. In de periode tussen 1 januari 2017 en de leveringsdatum (het jaar 2017) zal [beheer A] deze locaties huren voor een kale huursom van € 5,- per m2 per jaar (ten belope van een totaal bedrag van € 413.000,-), welke huurprijs voor negen twaalfden (9/12) zal worden betaald op 1 oktober 2017 ten belope van € 309.750,-, en voor het restend bedrag ten belope van € 103.250,- zal worden betaald op 31 december 2017. Indien de grond vóór 23 juni 2017 zou worden geleverd, wordt de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting verminderd met de heffingsgrondslag waarover op 23 december 2016 overdrachtsbelasting is betaald. (…) [Holding A] en [beheer A] zijn bereid mee te werken aan een verkoop en levering van deze grond vóór 23 juni 2017 onder de ontbindende voorwaarden van
  4. a)niet-totstandkoming van de aandelenoverdracht en
  5. b)bij niet-betaling van de koopprijs van de grond. De hiervoor verleden huurbedragen gelden over de periode vanaf de levering van de grond tot en met 31 december 2017 als rentevergoeding in plaats van als huur (en bij inwerkingtreding van de ontbindende voorwaarde alsnog als huur). (…). [bestuurder 6] was tijdens het proces dat uiteindelijk moest leiden tot verkoop van de aandelen van [Holding A] in [beheer A] aan TFFG namens het [concern A] de centrale figuur. Hij onderhield zowel de contacten met [bestuurder TFFG 1] en zijn medewerkers (waaronder [werknemer TFFG C] , hierna: [werknemer TFFG C] ) als [bestuurder 1] en diens advocaten. 6.24. Bij e-mailbericht van 22 mei 2017 heeft [bestuurder 6] aan [werknemer TFFG C] , [bestuurder TFFG 1] en [bestuurder 1] geschreven: Afgelopen vrijdag hebben we de kick off gegeven voor BDO i.h.k.v. de DD. (…) De dataroom is gevuld dus men kan van start. (…). 6.25. Op 31 mei 2017 heeft mr. R.S. van der Spek (hierna: mr. Van der Spek), advocaat van W&T, aan [bestuurder 6] gemaild: Hierbij enige opmerkingen over de voorgenomen transactie inzake Erica: Voorgaande leveringen De registergoederen aan de Tuinderslaan te Erica zijn overgedragen aan de [bestuurder 1] privé bij akte op 23 december 2016 verleden. Op 3 februari 2017 is er doorgeleverd aan W&T Hart Advies B.V. (…). (…) Levering onder ontbindende voorwaarde Afgesproken is om te leveren en betalen eind dit jaar. Tussentijds zal het registergoed gehuurd worden. (…) Om de overdrachtsbelasting te besparen (…) kan er worden gekozen om eerder te leveren. (…) De levering onder ontbindende voorwaarde in verband met een uitgestelde betaling wordt ook wel aangeduid als 'Groninger akte'. (…) Mocht de koopprijs niet (tijdig) worden voldaan, dan is daarmee de levering ontbonden, en valt de eigendom van rechtswege terug aan de verkoper. (…). (…) Hypotheekrecht (…) (…) Voor de financiering hebben zich twee vennootschappen ( [vastgoed C] en Hareko) borg gesteld. (…). 6.26. Bij e-mailbericht van 20 juni 2017 heeft [bestuurder 6] aan [werknemer TFFG C] , met c.c. aan [bestuurder TFFG 1] en [bestuurder 1] , geschreven: Ik voorzie momenteel de volgende stappen; 1. Passeren koopakte Erica voor 23 juni a.s. Voor de goede orde: a. De koop is voorwaardelijk. Mocht onverhoopt de overname van [beheer A] door TFFG niet door gaan dan wordt de koop terug gedraaid; b. Erica wordt primair gekocht door TFFG. Zodra TFFG [beheer A] B.V. heeft overgenomen kan Erica onder [beheer A] worden gehangen. Dat impliceert dat Erica in principe slechts een paar weken rechtstreeks onder TFFG hangt, daarna onder [beheer A] B.V. (na overname); (…) 4. Due diligence. Voor zover ik weet zijn er geen major issues uit de DD gekomen wat aanleiding kan geven tot heronderhandeling. Hooguit zullen de warranties nader worden gespecificeerd. (…). 6.27. Op 21 juni 2017 heeft mr. J.H.T. Boiten, kandidaat-notaris (hierna te noemen: de notaris, ook als daarmee zijn kantoor wordt bedoeld), per e-mail een concept van de akte van levering van de Erica-locaties aan (onder meer) [werknemer TFFG C] en [bestuurder 6] gestuurd. [werknemer TFFG C] heeft vervolgens dezelfde dag aan [bestuurder 6] gemaild: Staat het kweekgoed op de balans van [concern A] , zo ja kan [concern A] dan nog een vergoeding betalen voor het kweekgoed ? 6.28. [bestuurder 6] heeft bij e-mail van 21 juni 2017 geantwoord: • Volgens de LOI moet er eind 2017 € 2 mio vloeien naar [bestuurder 1] als gevolg van de aankoop van de tuin in Erica door TFFG/ [beheer A] . • Daarnaast is afgesproken in de LOI dat [beheer A] gedurende 2017 de tuinen in Erica huurt voor een bedrag van € 413K. • Door deze afspraken zouden in principe alle kosten en opbrengsten voor de tuin in Erica gedurende 2017 voor rekening komen van [beheer A] . Dus in principe staat dan het kweekgoed (planten e.d.) reeds (kortstondig) op de balans van [beheer A] . • Omdat juridisch de tuin in Erica nu eerder overgaat naar TFFG/ [beheer A] zoek ik een oplossing voor die € 413K want feitelijk vervalt door het voorgaande de huurvariant (…). • Als we in een iets rustiger vaarwater zitten moeten we maar even kijken welke titel we kunnen gebruiken om de betaling van € 413K te legitimeren, (…). (…). 6.29. Op 22 juni 2017 om 12.35 uur heeft [werknemer TFFG C] aan de notaris gemaild, in c.c. aan (onder meer) [bestuurder TFFG 1] , [bestuurder 6] en [bestuurder 5] : Op pagina 5 in onderdeel III werd vermeld dat het kweekgoed (wij gaan er vanuit dat hiermee de gekweekte groenten bedoeld worden) geen deel uitmaakt van de overdracht. Indien het kweekgoed eigendom is van de [concern A] vennootschappen die overnemen, dan is deze uitsluiting aanvaardbaar. Indien ze eigendom zou zijn van W&T Hart Advies BV, dan dient ze meegenomen worden in de overname. (…) Op pagina 8 onderdeel IV 10 is nu wel voorzien dat het huidig gebruik van de onroerende goederen door de [concern A] vennootschappen geen schending inhoudt van het verbod voor de koper om het onroerend goed ter beschikking te stellen aan derden. Opgemerkt dient te worden dat er verwezen wordt naar de SPA die er nog niet zal zijn op het ogenblik van het verlijden van de akte. Wij stellen voor om de tekst als volgt aan te passen: "het verder gebruik door de operationele vennootschappen van de [concern A] groep na het verlijden van de Akte wordt uitdrukkelijk niet begrepen onder dit verbod en de Verkoper bevestigt dat dit zodoende toegestaan is". (…). 6.30. Op 22 juni 2017 om 15.07 uur heeft [bestuurder 6] desgevraagd aan de notaris gemaild: Zoals besproken laten we de koop van Erica doen excl. kweekgoed en dus conform de specificatie van [bestuurder 5] . Het kweekgoed loopt reeds door de balans en verlies & winstrekening van [beheer A] B.V. (…). 6.31. In het vertrouwelijke due diligence rapport uitgebracht door BDO ten behoeve van TFFG van 23 juni 2017 staat vermeld: 1.2 Key Figures (…) Note that the YTD17 financials do not include the results of Erica. (…) 2.6 Masterplan FC18-FC23 (…) Revenue specification (…) Erica (…) 3.4 NWC - Other Working Capital (…) Other receivables €000 31dec14 31Dec15 31Dec16 23Apr17 (…) Current account Erica - - -

(3)389 (…)
(3)The current account with Erica concern costs that are billed to [concern A] , but are fully attributable to Erica. [concern A] has closed energy and gas contracts for Erica because energy contractors do not enter into new contracts with growers such as Erica. These costs are not in the P&L since they do not concern [concern A] . 6.32. Bij akte van levering van 23 juni 2017 (hierna: de Groninger Akte) zijn de Erica-locaties door W&T aan TFFG geleverd, onder de ontbindende voorwaarden van de niet-totstandkoming van de voorgenomen koop en levering van de aandelen van [Holding A] in [beheer A] aan TFFG en van non-betaling van de koopsom 'uiterlijk op de Betaaldatum (…)'. Onder artikel I 'Definities' van de Groninger Akte is de betaaldatum bepaald op uiterlijk 31 december 2017. In artikel III 'Levering onder ontbindende voorwaarden, omschrijving registergoed' staat vermeld: In de levering is evenwel niet inbegrepen - voor zover aanwezig - het kweekgoed. Voorts staat in artikel IV onder 10, na de opsomming van een aantal verboden, inzake het verbod voor de koper om het onroerend goed ter beschikking te stellen aan derden, vermeld: Het verder gebruik door de operationele vennootschappen van de [concern A] groep na het verlijden van de Akte wordt uitdrukkelijk niet begrepen onder dit verbod en de Verkoper bevestigt dat dit zodoende toegestaan is. 6.33. In juni 2017 heeft W&T tot een bedrag van € 11.618,87 verpakkingsmateriaal voor de Erica-locatie betaald. 6.34. Eveneens in juni 2017 heeft Hareko op blanco briefpapier meerdere facturen ontvangen voor verschillende (binnen het [concern A] ) biologisch geteelde producten. 6.35. Op 30 juni 2017 heeft TFFG alle aandelen in het kapitaal van [beheer A] van [Holding A] gekocht en geleverd gekregen. TFFG werd daarmee eigenaar van het gehele [concern A] . In de koopovereenkomst is onder meer vermeld: 5.2 Kennis van Koper Koper bevestigt dat zij voorafgaand aan deze Overeenkomst een due diligence onderzoek heeft uitgevoerd. Koper erkent in dat verband dat zij volledig kennis heeft genomen van de Data Room Documenten (…). (…) 11Erica Productielocaties (…) 11.2 De betaling van de koopsom van de Erica Productielocaties ten belope van EUR 2.000.000 (kosten koper), zal plaatsvinden uiterlijk op 31 december 2017. Voor de periode vanaf 23 juni 2017 tot 31 december 2017, zal een rente- en risicovergoeding van toepassing zijn ten belope van een totaal bedrag van € 413.000, te betalen door de Koper of één door haar aangeduide vennootschap aan W&T Hart Advies B.V. De rente- en risicovergoeding zal voor negen twaalfden (9/12) worden betaald op 1 oktober 2017 ten belope van EUR 309.750, en voor het resterend bedrag ten belope van EUR 103.250 op 31 december 2017. Bij inwerkingtreding van de ontbindende voorwaarden uit de akte van levering, zal de rente- en risicovergoeding worden geherkwalificeerd als huurprijs te betalen door de Vennootschap aan W&T Hart Advies B.V., welk beding Verkoper ten behoeve van W&T Hart Advies B.V. als derdenbeding middels ondertekening van deze overeenkomst aanvaard. 6.36. De Data Room Documenten genoemd in artikel 5.2. van de koopovereenkomst bestonden onder meer uit een overzicht van het aantal werknemers van het [concern A] dat per jaar in en uit dienst is getreden, onderverdeeld 'naar afdeling/functie en totaal (inclusief datum)'. In dit overzicht is - voor zover hier van belang - mede melding gemaakt van medewerkers die in het eerste half jaar van 2017 werkzaam waren bij 'afdeling Hareko Erica'. Verder bevond zich onder de Data Room Documenten een overzicht van huurinkomsten van het [concern A] . Op dat overzicht stonden onder meer twee op de Erica-locaties gelegen bedrijfswoningen vermeld (Tuinderslaan 19 en 22 te Erica), die werden verhuurd aan medewerkers van het [concern A] . 6.37. In Bijlage 7 bij de koopovereenkomst worden de 'Productielocaties' vermeld, waaronder 'Tuin Erica'. 6.38. Op 7 juli 2017 heeft W&T een bedrag van € 57.521,43 aan Hareko betaald met als omschrijving 'ontvangsten tm 7-7' en op 18 augustus 2017 een bedrag van € 100.000,00 met als omschrijving 'voorschot afrekening'. 6.39. Bij e-mailbericht van 24 augustus 2017 heeft [werknemer DD] (operationeel directeur) aan [werknemer EE] (locatiemanager van de Erica-locaties) en [werknemer FF] (general manager) (allen werkzaam voor het [concern A] ) geschreven, met c.c. aan [bestuurder 6] : Alle uitgave van Erica gaan voortaan via [werknemer FF] (…). Met de afdeling Finance heb ik de afspraak gemaakt dat facturen van Erica pas betaald worden nadat Peter en ikzelf de factuur getekend hebben. [werknemer DD] , [werknemer EE] en [werknemer FF] waren destijds in dienst van het [concern A] . 6.40. Bij akte van levering (cessie) van 18 oktober 2017 heeft [beheer A] de volgende vorderingen op W&T aan TFFG gecedeerd: Vorderingen: alle bestaande en toekomstige rechten en vorderingen die de Vennootschap [rb: [beheer A] ] jegens of op de Schuldenaar [rb: W&T] heeft of mocht verkrijgen (
  1. i)uit hoofde van of verband houdende met de Bedrijfskosten, (
  2. ii)tot vergoeding van de betaalde Bedrijfskosten en (iii) de rekening-courantverhouding tussen de Vennootschap en de Schuldenaar, ongeacht of deze rechten en vorderingen zijn gebaseerd op een overeenkomst of andere rechtshandeling tussen de Schuldenaar en de Vennootschap, onrechtmatige daad van de Schuldenaar jegens de Vennootschap, onverschuldigde betaling door de Vennootschap aan de Schuldenaar, ongerechtvaardigde verrijking van de Schuldenaar ten laste van de Vennootschap of welke andere grondslag ook. 6.41. Bij brief van 18 oktober 2017 (van de advocaten) van TFFG en [beheer A] aan (de advocaten van) [Holding A] , W&T en [bestuurder 1] , hebben TFFG en [beheer A] onder meer geschreven: 4Vorderingen TFFG: overige inbreuken onder de Koopovereenkomst (…) Lager geconsolideerd eigen vermogen 4.12 Zelfs als moet worden aangenomen dat de in deze paragraaf 4 genoemde posten niet zelfstandig een grond vormen voor een inbreuk onder de Koopovereenkomst, geldt dat dit allen omstandigheden zijn die het geconsolideerde eigen vermogen van de Vennootschap [rb: TFFG] in de periode tussen de Datum van de Jaarrekening en de Leveringsdatum drukken met eenzelfde bedrag in vergelijking tot het gebudgetteerde en minimale eigen vermogen per 30 juni 2017. 4.13 Ditzelfde geldt voor de bij [concern A] c.s. bekende Schade als gevolg van de clavibacter/aaltjes op de Erica Productielocaties (EUR 648.640,20), (…). Ieder van voornoemde feiten en omstandigheden resulteren in een te laag eigen vermogen en geeft TFFG derhalve een aanspraak op grond van artikel 9.1(
  3. b)van de Koopovereenkomst. (…) 5Kosten exploitatie van de Erica locaties 5.1 Voorafgaand aan de Leveringsdatum heeft W&T, als eigenaar van de Erica Productielocaties, de kosten van de exploitatie van deze Erica Productielocaties volledig ten laste gebracht van de Vennootschap [rb: [beheer A] ]. [bestuurder 1] [rb: [bestuurder 1] ] heeft deze kosten, als vertegenwoordiger van W&T, primair geboekt in de rekening-courant tussen de Vennootschap en W&T. (…). (…) 5.3 Naar nu is gebleken is de rekening-courant verhouding nog niet afgewikkeld en zijn de voor de exploitatie van de Erica Locaties voorgeschoten kosten nog niet terugbetaald. Er zijn slechts een aantal deelbetalingen ontvangen vanuit W&T. (…). (…) 5.5 Dit alles resulteert in een direct opeisbare vordering van de Vennootschap op W&T van EUR 1.965.289,25, (…) 5.6 De Vennootschap en TFFG stellen W&T hierbij in kennis van het feit dat de Vennootschap haar vordering op W&T (in de breedste zin van het woord) op grond van artikel 3:94 BW heeft verkocht en geleverd aan TFFG. Aldus heeft TFFG per vandaag een opeisbare vordering op W&T ad EUR 1.965.289,25. TFFG informeert W&T voorts dat zij een beroep toekomt en doet op verrekening ex artikel 6:127 BW van een deel van deze vordering ad EUR 309.750 met de vordering van W&T op TFFG ten titel van rente- en risicovergoeding uit hoofde van artikel 11.2 van de Koopovereenkomst. (…) 5.7 Thans resteert derhalve een vordering van TFFG op W&T ad EUR 1.655.539. TFFG verzoekt u dit bedrag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief te betalen aan TFFG (…). (…). In de bijlage bij de brief is een factuur van 17 oktober 2017 van [beheer A] aan W&T gevoegd uit hoofde van de door [beheer A] en haar dochtervennootschappen gemaakte exploitatiekosten voor de Erica-locaties ad € 2.378.000,00 inclusief btw. 6.42. Op 20 oktober 2017 is [bestuurder 1] overleden. Sindsdien is zijn echtgenote [echtgenote bestuurder 1] enig statutair bestuurder van W&T. 6.43. Bij brief van 20 november 2017 hebben de advocaten van onder meer W&T in reactie op de brief van [beheer A] /TFFG van 18 oktober 2017 aangaande de Erica-locaties geschreven: In punt 5 van uw brief probeert u een vordering van de vennootschap op mijn cliënte te construeren welke vordering dan gecedeerd zou zijn aan uw cliënte opdat zij zou kunnen verrekenen met haar betalingsverplichting aan mijn cliënte. Hierover kan ik kort zijn: die vlieger gaat niet op. De gedachtegang in dezen van uw cliënte is terug te voeren op de (kennelijke) stelling dat de exploitatie van de Erica Productielocaties voor rekening en risico van mijn cliënte zou komen, getuige de bijlage bij uw brief zou het dan gaan om de periode van december 2016 tot en met begin oktober 2017 (?). U verwijst in dat verband naar boekingen die zijn gedaan in de rekening-courantverhouding tussen de vennootschap en mijn cliënt. Het gros van die boekingen heeft evenwel geheel ten onrechte plaats gehad. De heer [bestuurder 5] heeft dat ook meermaals aan degene die de boekingen heeft gedaan, mevrouw [werknemer AA] , te kennen gegeven. De exploitatie van de Erica Productielocaties heeft zoals uw cliënte en de vennootschap heel goed weten niet ten laste van mijn cliënte plaatsgehad, maar ten laste van de vennootschap [rb: [beheer A] ]. 6.44. Op 4 december 2017 heeft [beheer A] een geüpdatete factuur aan W&T verzonden ter zake de exploitatiekosten voor de Erica-locaties voor een bedrag van in totaal € 3.555.915,58 inclusief btw. 6.45. Op 5 december 2017 heeft [werknemer AA] een schriftelijke verklaring afgelegd over de Erica-locaties. Hierin is, voor zover van belang, vermeld: Eind 2016 kwam het verzoek van de [bestuurder 1] om aan de Rabobank te vragen de aankoop van de Erica-locaties te financieren. De [bestuurder 1] wilde deze locaties graag aankopen, maar de Rabobank wilde absoluut niet mee werken aan de financiering van deze aankoop. Ik had in die periode veel overleg met de Rabobank en daarin werd de positie van de Rabobank heel duidelijk. De risico's waren al groot genoeg binnen [beheer A] en de Erica-locaties en de exploitatie daarvan waren dan ook teveel in de ogen van de Rabobank. Uiteindelijk heeft de [bestuurder 1] alsnog met [bestuurder 5] de aankoop van de Erica-locaties geregeld buiten [beheer A] om, zonder medeweten van de heer [bestuurder 6] en mijzelf. De locaties Erica zijn in eerste instantie gekocht door de [bestuurder 1] privé, later zijn de locaties weer doorverkocht aan W&T. Ze wilde dit los van [beheer A] gaan exploiteren, via W&T die vervolgens ook het SKAL-certificaat heeft aangevraagd en gekregen voor deze locaties. [bestuurder 5] was verantwoordelijk voor de financiële administratie van Dhr [bestuurder 1] privé en van W&T. Dit deed hij op verzoek van de [bestuurder 1] . Door dat het in het begin niet direct duidelijk was of de [bestuurder 1] de locaties prive of via W&T zou exploiteren is door de [bestuurder 1] en [bestuurder 5] ervoor gekozen om de kosten via een [bestuurder 1] BV te laten lopen. Voor de exploitatie van W&T gebruikte ze ook wel middelen van [beheer A] , zoals personeel en transport. Hiervoor maakte [beheer A] kosten. Mij werd door [bestuurder 5] verteld dat deze kosten en de facturen voor de locaties Erica gewoon doorbelast moesten worden aan W&T en in rekening-courant met W&T moesten worden geboekt. W&T zou deze kosten vergoeden en via terugbetaling de rekening-courant aflossen, ik verwachtte uit de verkopen van op de locaties Erica geteelde producten. Tot en met augustus zijn er ook gelden ontvangen van W&T voor aflossing van de RC. Zo hadden de activiteiten van W&T geen invloed op [beheer A] en zou dit voor Rabobank ook geen probleem moeten zijn. (…). 6.46. Op dezelfde datum (5 december 2017) heeft [bestuurder 6] een schriftelijke verklaring afgelegd over de Erica-locaties, waarin, voor zover van belang, is vermeld: In april 2016 ben ik benaderd of ik geïnteresseerd was om te kijken of ik CEO wilde worden van [beheer A] . Daar heb ik in principe positief op gereageerd (…). Op 1 juni 2016 ben ik begonnen bij [beheer A] als beoogd bestuurder. Op 19 september 2016 ben ik als statutair bestuurder toegetreden bij [beheer A] op nadrukkelijk verzoek van de Rabobank. (…) Ik heb in eerste instantie een analyse gemaakt van het bedrijf (stand van zaken) en een masterplan ontwikkeld. In die tijd (jun-aug 2016) speelde de Erica-locatie niet, dat kwam pas later (okt-nov 2016). Toen de optie Erica in beeld kwam, heeft [bestuurder 1] mij gevraagd of ik aan de Rabobank wilde voorleggen of zij de aankoop wilde financieren. (…). De Rabobank was heel duidelijk: zij wilde Erica beslist niet financieren, ze vonden de groei van [beheer A] anders te snel gaan want begin 2016 had men reeds de tuinen van [R] overgenomen (8 hectare). Zonder mij daarin te kennen heeft de [bestuurder 1] in december 2016 alsnog Erica gekocht vanuit privé. Bij de financiering hiervan ben ik dan ook op geen enkele manier betrokken geweest. Door deze gang van zaken was het evident dat de [bestuurder 1] de Erica-locaties van eigen rekening en risico exploiteerde. Deze locaties zaten dan ook niet in mijn masterplan en de daarbij behorende cijfers. Wel maakte [bestuurder 1] natuurlijk voor het transport, verpakken etc. gebruik van de structuur van de groep van [beheer A] temeer daar Erica vlakbij Klazienaveen ligt waar [beheer A] productielocaties heeft. Deze door [beheer A] gemaakte kosten, werden direct doorbelast en in rekening courant bij W&T geboekt. Dit gold voor alles wat met de Erica-locaties te maken had en heeft, voor en na de overname. De kosten lopen dus wel door de balans en winst- en verlies van [beheer A] , maar hebben daar gelet op de boeking in rekening courant en uiteindelijk betaling door W&T, geen invloed op. (…) Vóór de overname van de Erica locaties zijn diverse opties besproken over de exploitatie van de Erica locaties in 2017 als wel/geen onderdeel van de exploitatie van [beheer A] . Uiteindelijk zijn geen knopen doorgehakt met dien verstande dat de exploitatie van Erica vooralsnog gewoon onderdeel zou blijven van W&T (het Skal certificaat is daar ook gebleven). Het idee was om dit over te dragen per 31 december 2017 op het moment dat ook zeker was dat TFFG voor het vastgoed kon betalen en dus definitief eigenaar werd. Het is uiteindelijk allemaal anders gelopen. Begin juli meldde zich ineens een mogelijke koper voor de Erica-locaties, waardoor TFFG het vastgoed mogelijk zou kunnen doorverkopen. Kort daarna werden de zwarte verkopen bekend en stond de relatie met de [bestuurder 1] natuurlijk meteen onder druk. Toen is alles ingezet op het onderzoeken van de omvang en de impact van die zwarte verkopen en is het nooit meer tot afspraken over een overdracht van de exploitatie gekomen. Daarop is de administratie en afrekening, zoals dat ging voor de overname, lees doorbelasting kosten, gewoon doorgezet en zo gaat het nog steeds. Het enige verschil is nu dat W&T niet meer factureert en [beheer A] zijn kosten niet vergoedt krijgt. 6.47. Bij e-mailbericht van 5 december 2017 heeft [bestuurder 5] aan mr. W. Mollema (hierna: mr. Mollema), advocaat van W&T, geschreven: Ik reageer hier op de verklaringen van [bestuurder 6] en [werknemer AA] die niet de juistheid weergeven. (…) [bestuurder 6] : (…) pag.2 verkopen regelde ik vanuit alle bio tuinen, maar transport etc werd door de werknemers ter plaatse geregeld. (…). [werknemer AA] : pag.1 de administratie van [bestuurder 1] privé lag bij Flynth en die van W&T de inkoop + banken en verkoop werd geboekt door respectievelijk [werknemer GG] en [werknemer HH] . Ik heb [werknemer AA] gemeld dat juist de kosten en opbrengsten van de tuin in Erica bij [beheer A] moesten liggen en niet bij W&T, ik was en ben in de veronderstelling dat de exploitatie van de Erica tuinen dus voor rekening van [beheer A] is. Ik heb alleen de verkopen geregeld en uit welke bio tuin deze kwamen was niet belangrijk omdat alles voor [beheer A] was. Facturering is stil komen te liggen doordat [werknemer AA] dit heeft gestopt bij [werknemer BB] . Ik kon zelfs niet eens meer bij de mail, deze is geblokkeerd door de firma [beheer A] . 6.48. [werknemer II] , kwaliteitscontroleur in dienst van [beheer A] , heeft op 5 december 2017 schriftelijk verklaard: (…) Binnen het [concern A] worden alle biologische producten verkocht op naam van Hareko B.V. In eerste instantie was de gedachte om ook de SKAL-vergunning voor de Erica-productielocaties op naam van Hareko B.V. aan te vragen. Wij zijn evenwel in 2016 geconfronteerd met een (dreigende) SKAL-blokkade in Oosterbierum. We hebben daarom besloten om de SKAL-vergunning voor de Erica-productielocaties niet op naam van Hareko B.V. aan te vragen maar op naam van W&T Hart Advies B.V. als juridisch eigenaar van de Erica-productielocaties. Als we namelijk in Hareko B.V. onverhoopt met een SKAL-blokkade zouden worden geconfronteerd, dan zou dat mogelijk gevolgen hebben voor alle bio-producten. Met het aanvragen van de SKAL-vergunning op naam van W&T Hart Advies B.V. zou sprake zijn van spreiding van de SKAL-vergunningen. (…) Voor ons waren alle entiteiten binnen de [concern A] één groot geheel. Zo werd er ook gehandeld. Ik weet niet beter dan dat ook de Erica-productielocaties onderdeel waren van [concern A] , zo werd er altijd gehandeld. U [rb: mr. Mollema] heeft mij nog gevraagd waarom er op naam van W&T Hart Advies B.V. is gefactureerd. Sommige afnemers stelden de eis dat de producten werden gefactureerd op naam van degene die de SKAL-vergunning heeft. Ook is het zo dat als je twee jaar lang niet factureert, je de SKAL-vergunning kwijtraakt. Het was dus noodzakelijk om ook op naam van W&T Hart Advies B.V. factureerde. (…). 6.49. Bij akte van 6 december 2017 hebben [verwerking A] , Hareko en [beheer A] hun vorderingen op W&T uit hoofde van exploitatiekosten voor de Erica-locaties aan TFFG gecedeerd. 6.50. Op 6 december 2017 heeft in het kader van een kort geding procedure tussen W&T en TFFG een zitting ten overstaan van de voorzieningenrechter van deze rechtbank plaatsgevonden. W&T vorderde in deze procedure betaling van een bedrag van € 2.413.131,00, bestaande uit de koopprijs voor de Erica-locaties, de rente- en risicovergoeding en overige kosten. Deze procedure is vervolgens aangehouden om een minnelijke regeling te beproeven. 6.51. Het [concern A] heeft op 6 december 2017 (buiten W&T
  4. om)voor een bedrag van € 192.796,63 (inclusief btw) facturen verstuurd naar afnemers (Eosta, Naturelle en TOFF) voor producten die in Erica zijn geteeld. De facturen zijn afgedrukt op briefpapier van W&T, met daarop het rekeningnummer van [beheer A] . 6.52. W&T en TFFG hebben het hiervoor bedoelde kort geding minnelijk geregeld in een 'Akte houdende overname schulden en intrekking procedure' van 23 januari 2018 (hierna: Akte schuldoverneming). Overige partijen bij deze akte zijn [beheer A] , Hareko, [vastgoed C] , [kwekerij E] en [kwekerij E] . In de akte staat vermeld: 1Overname verplichtingen en schuld 1.1 TFFG neemt hierbij (…) de verplichtingen van W&T uit hoofde van de Overeenkomst van Geldlening [rb: overeenkomst van 23 december 2016, zie r.o. 6.10] aan [kwekerij E] OG [rb: [kwekerij E] ], waaronder maar niet beperkt tot de Schuld uit hoofde van de Geldlening (EUR 1.940.845,82), welke overname van verplichtingen W&T en [kwekerij E] OG hierbij aanvaarden. 1.2 TFFG neemt hierbij (…) de verplichtingen van W&T uit hoofde van de Plantenfacturen [rb: zie r.o. 6.18], waaronder de Schuld uit hoofde van de Plantenfacturen (EUR 441.242,80) aan [kwekerij E] , welke overname van verplichtingen W&T en [kwekerij E] hierbij aanvaarden. Als tegenprestatie heeft W&T finale kwijting verleend voor de koopsom van de Erica-locaties en de rente- en risicovergoeding. Voor het overige hebben partijen zich over en weer alle rechten voorbehouden. 6.53. In een (ongedateerde) notitie van [bestuurder 6] en [werknemer AA] aan BDO accountants met als onderwerp 'Maatregelen van Interne Controle Verpakhal [concern A] ' staat vermeld: De onderneming [concern A] staat aan de vooravond van de oplevering van de jaarrekening 2017. (…) Van alle producten voldoet een deel (gemiddeld ongeveer 10%, verschilt per product) niet aan de specificaties van onze 'core klanten' (…) en wordt als zodanig geclassificeerd als klasse II. Deze producten zijn afgezet aan een waaier van kleinere klanten. (…). 6.54. Bij akte van levering (cessie) van 1 maart 2018 heeft TFFG de aan haar gecedeerde vorderingen op W&T aan Hareko gecedeerd. Bij brief van dezelfde datum heeft (de advocaat van) Hareko aan (de advocaten van) W&T meegedeeld: Namens Hareko (…) reageer ik hiermee op uw brief d.d. 13 februari 2018 aan Hareko. In voornoemde brief verzoekt u terugbetaling van een door W&T (…) aan Hareko verstrekte lening ad EUR 420.000,- plus 'rente van 5% per jaar'. Vooropgesteld, er is geen rente overeengekomen en/of van toepassing op deze lening. Deze rente is Hareko derhalve überhaupt niet verschuldigd. Voor wat betreft de terugbetaling van de lening doet Hareko een beroep op verrekening. (…) (…) Hareko en TFFG stellen W&T hierbij in kennis van het feit dat TFFG haar vorderingen op W&T (in de breedste zin van het woord) op grond van artikel 3:94 BW heeft verkocht en geleverd aan Hareko. Aldus heeft Hareko per vandaag een opeisbare vordering op W&T ad EUR 1.857.236,40. Hareko informeert W&T voorts dat zij een beroep toekomt en doet op verrekening (…) van een deel van deze vordering met de vordering van W&T op Hareko ten titel van voornoemde lening. De vordering van W&T op Hareko ten titel van deze lening is daarmee in volledigheid teniet gegaan (…). Thans resteert derhalve een vordering van Hareko op W&T ad EUR 892.423,84. (…). 6.55. Bij akte van levering (cessie) van 14 mei 2018 hebben [vastgoed C] en [R] hun vorderingen op W&T uit hoofde van exploitatiekosten voor de Erica-locaties aan Hareko gecedeerd. 6.56. Ter afronding van de teelt 2017 heeft Hareko bij factuur van 23 mei 2018 aan W&T een totaalbedrag uit hoofde van de exploitatiekosten voor de Erica-locaties gefactureerd van € 4.037.167,35 verminderd met ontvangen gelden. Op deze factuur is dienaangaande vermeld: d.d. 17-3-2017 € 420.000,00 d.d. 10-7-2017 € 57.521,43 d.d. 18-8-2017 € 100.000,00 Door afnemer (2Organics) per abuis betaald aan Hareko € 75.654,08 Facturen van W&T aan Hareko inzake geleverde producten Erica € 111.913,29 Gefactureerd op Erica uit naam W&T met bankrekening [concern A] € 192.796,63 Totaal te vorderen: € 3.079.281,92 6.57. Op 5 december 2018 heeft [werknemer AA] een (tweede) schriftelijke verklaring afgelegd, waarin staat, voor zover van belang: Als controller ben ik sinds 2013 bij [beheer A] werkzaam. Die functie heb ik ook voor de dochters van [beheer A] . (…) Kortom de automatiseringsgraad is veel te laag voor de omvang van dit bedrijf. Ook was er tot eind 2016 geen kostprijs per product beschikbaar. Dhr. [bestuurder 5] en [bestuurder 1] bepaalden de verkoopprijzen, deze verschillen per dag per klant. (…) (…) Dhr [bestuurder 5] en dhr. [bestuurder 1] tekenden alle inkoopfacturen af voor akkoord. Indien zij een factuur goedgekeurd hadden, werd deze in de financiële administratie verwerkt. (…) Het administratieve systeem dat ik moest hanteren voor de exploitatie en de kosten daarvan met betrekking tot de Erica-locaties, was als volgt. Door dat het in het begin niet direct duidelijk was of de [bestuurder 1] de locaties privé of via W&T zou exploiteren is door [bestuurder 1] [rb: [bestuurder 1] ] en [bestuurder 5] [rb: [bestuurder 5] ] er voor gekozen om de kosten via een [concern A] BV te laten lopen. Voor de exploitatie van W&T gebruikte ze ook wel middelen van [beheer A] (en andere [concern A] ondernemingen), zoals personeel en transport. Hiervoor maakte [beheer A] (of dus andere bedrijven van de [concern A] ) kosten. Mij werd door [bestuurder 5] verteld dat deze kosten en de facturen voor locatie Erica gewoon doorbelast moesten worden aan W&T en in rekening-courant met W&T moesten worden geboekt. W&T zou deze kosten vergoeden en via terugbetaling de rekening-courant aflossen. Ik verwachtte dat de terugbetalingen door de verkopen van op Erica geteelde producten zou plaatsvinden. Tot en met begin juli zijn er ook gelden ontvangen van W&T voor aflossing van de RC. Zo hadden de activiteiten van W&T geen invloed op [beheer A] en zou dit voor Rabobank ook geen probleem moeten zijn. (…) Op verzoek van [beheer A] (na de overname door TFFG) heb ik in het najaar van 2017 zo goed mogelijk geprobeerd op basis van de beschikbare administratie van [beheer A] , haar dochtervennootschappen en W&T de resultaten van de Erica-locaties in kaart te brengen. De kosten waren op zich goed vast te stellen op basis van de door ons rekening-courant geboekte vordering op W&T en de daaronder liggende facturen. Voor de inkomstenkant lag dit anders. Ik heb niet het inzicht in geleverde producten die Erica heeft gerealiseerd, de verkoopprijzen en de verrekenprijzen met partijen binnen de [concern A] had ik ook niet. Ik heb daarom op basis van de transport- en leveringsbonnen en de door [beheer A] in andere transacties gerealiseerde prijzen en de dagprijzen een inschatting gemaakt van de inkomsten bij Erica. Dit was een zo goed mogelijke inschatting, omdat ik ook niet weet hoeveel W&T heeft gefactureerd en na facturatie voor producten heeft ontvangen, maar ook omdat een deel van de producten wel zijn geleverd, maar niet zijn gefactureerd. (…). Ik heb daarbij aangegeven dat ik voor Erica geen inzicht had in de gerealiseerde prijzen. 6.58. Op 7 december 2018 heeft [bestuurder 6] een (tweede) schriftelijke verklaring afgelegd, waarin staat, voor zover van belang: Mijn naam is [bestuurder 6] , in april 2016 ben ik benaderd door de heer [bestuurder TFFG 1] en [bestuurder 1] met als insteek om de potentiële overname van [concern A] door The Fruit Farm Group te begeleiden. Het overname proces liep al bijna 2 jaar en moest worden vlot getrokken dan wel worden afgerond. Dat was in principe mijn primaire opdracht. Tevens ben ik door de heren gevraagd om vanaf 1 juni 2016 aan te treden als CEO van [concern A] . [bestuurder 1] zou gaan functioneren als commissaris. Dit was mede ingegeven door de druk vanuit Rabobank omdat de opvolgingskwestie van [bestuurder 1] al jaren sleepte waardoor de relatie met Rabobank zwaar onder druk stond. (…) [bestuurder 1] werkte nauw samen met [bestuurder 5] en [voormalig werknemer JJ] . Zij waren zijn rechter- en zijn linkerhand binnen de onderneming. Zij overlegden veel 1 op 1 met [bestuurder 1] . Maar volgens mij werden ook zij door [bestuurder 1] niet bij alle belangrijke besluiten betrokken, uiteindelijk bleek [bestuurder 1] dan ook een echte einzelgänger. Dat bleek m.n. bij de aankoop van de locatie in Erica. Voor die aankoop was financiering nodig en [bestuurder 1] vroeg aan mij of ik dat met de Rabobank wilde bespreken. De Rabobank was echter mordicus tegen, ze vonden de expansie te snel gaan, dus de aankoop leek van tafel. Enkele weken later werd ik nota bene door Rabobank geïnformeerd dat [bestuurder 1] alsnog de Erica-locaties had gekocht. Rabobank was hiervan op de hoogte geraakt, omdat [bestuurder 1] het vastgoed in Erica via Rabobank wilde laten verzekeren. Ik heb [bestuurder 1] hierop aangesproken, maar de transactie had al plaatsgevonden in privé en valt dus buiten mijn verantwoordelijkheidsgebied zei hij. Ik heb [bestuurder 1] toen duidelijk gemaakt dat dit de relatie met Rabobank ernstig zou schaden ondanks dat dit een privé aankoop betrof, temeer daar we volop in gesprek waren over de seizoen financiering voor het jaar 2017. [bestuurder 1] bleef van mening dat het een privé zaak was en dat het los stond van [concern A] en dus buiten mijn statutaire verantwoordelijkheden viel. Bij de wijze waarop [bestuurder 1] deze privé aankoop had gefinancierd heeft hij mij niet betrokken en ben ik niet over geïnformeerd. Na zijn dood bleek dat er financieringsovereenkomsten waren gesloten die wel degelijk effect hadden op de [concern A] . Daarover heeft hij mij nooit en te nimmer geïnformeerd. Nadat ik onverwachts was geconfronteerd met de aankoop door [bestuurder 1] in privé van de Erica locaties, was mijn positie duidelijk. Deze aankoop en de exploitatie daarvan mochten geen negatieve invloed hebben op de [concern A] . De risico's waren voor [bestuurder 1] in privé of W&T; de exploitatie zat, net als het SKAL-certificaat, bij W&T. Vanaf de start van de teelt in maart/april 2017 was voor mij dan ook duidelijk dat alle kosten die de [concern A] zouden maken voor Erica, 1-op-1 moesten worden doorbelast aan W&T. Dit was de financiële afdeling van de [concern A] dan ook bekend en alles werd in rekening-courant met W&T geboekt. W&T zou dit vervolgens met de inkomsten van de verkoop van de Erica-producten terugbetalen. Ik herinner mij dat zulke terugbetalingen ook zijn gedaan door W&T. (…). (…). 6.59. Het oogsten, verpakken, verwerken en verkopen van producten die in Erica waren geteeld gebeurde in 2017 feitelijk door het [concern A] (met name door Hareko). 6.60. Een belangrijk deel van de kosten met betrekking tot de Erica-locaties zijn in 2017 verantwoord en geboekt in de administratie van het [concern A] . Sommige kosten heeft W&T zelf betaald, zoals kosten voor het verkrijgen van het SKAL-certificaat, verpakkingsmateriaal en nutsvoorzieningen. 6.61. Afnemers van producten die in Erica waren gekweekt, zoals Eosta en TOFF, hebben op briefpapier van W&T facturen hiervoor ontvangen, ook in de periode vóór 30 juni 2017. 7. De beoordeling van het geschil in conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie inzake de exploitatie van de Erica-locaties het geschil over de exploitatie 7.1. Tussen partijen is in geschil voor wiens rekening en risico de exploitatie van de Erica-locaties in 2017 was. Deze vraag is zowel van belang voor de beoordeling in conventie als voor de beoordeling in (deels voorwaardelijke) reconventie. Immers, W&T vordert onder meer dat Hareko wordt veroordeeld om door W&T 'voorgeschoten' plantenfacturen en verpakkingsmateriaal ten behoeve van Erica te vergoeden en een lening af te lossen die volgens haar verband houdt met deze exploitatie, terwijl Hareko in reconventie onder meer een vordering heeft ingesteld die neer komt op afrekening van de exploitatie van de Erica-locaties. Daarbij gaat zij er vanuit dat het bedrag dat W&T als terugbetaling van een lening vordert, een betaling betreft die W&T in het kader van de afrekening van de exploitatie aan het [concern A] moest betalen. 7.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv rust in conventie op W&T de stelplicht en de bewijslast, nu zij in conventie de rechtsgevolgen inroept van de door haar gestelde overeenkomst van geldlening en bevoorschotting. Op grond van diezelfde hoofdregel geldt in reconventie dat op Hareko de stelplicht en bewijslast rust nu zij zich in dit onderdeel van de procedure beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten. Nu de stellingen en verweren in conventie en in reconventie over en weer dezelfde zijn zal de rechtbank hierna de afzonderlijke standpunten weergeven en deze vervolgens, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, beoordelen. 7.3. Hareko stelt, verkort weergegeven, dat de exploitatie van de Erica-locaties bij W&T is opgestart en vervolgens nooit is overgedragen. Ook uit de wijze waarop er is gefactureerd voor de producten die in Erica werden geteeld - namelijk door W&T - en het door het [concern A] in rekening-courant bijhouden van kosten voor Erica die ten laste van W&T kwamen, volgt volgens haar dat de exploitatie voor rekening en risico van W&T kwam. Zij baseert dit meer specifiek op de volgende omstandigheden: - zonder (de bestuurders van) [beheer A] erbij te betrekken heeft [bestuurder 1] een rekening-courantkrediet bij [kwekerij E] afgesloten voor de exploitatie van de Erica-locaties, welk krediet is overgenomen door W&T; - W&T heeft zelfstandig het SKAL-certificaat aangevraagd en verkregen, waardoor W&T de enige partij was die de op de Erica-locaties geteelde biologische producten kon en mocht verkopen; - W&T heeft zelfstandig het kweekgoed voor de Erica-locaties aangeschaft, ten behoeve van de eigen exploitatie; - W&T heeft op datzelfde moment haar activiteitenomschrijving in het Handelsregister gewijzigd en een nevenvestiging ingeschreven op het adres van de Erica-locaties; - [werknemer AA] en [bestuurder 6] bevestigen in hun schriftelijke verklaringen dat de risico's voor de exploitatie van de Erica-locaties bij W&T waren ondergebracht; - de exploitatie van de Erica-locaties is niet opgenomen in het due diligence rapport van BDO; - de koopovereenkomst tussen [Holding A] en TFFG ter zake van de aandelen in [beheer A] noch de Groninger Akte bevat enige bepaling over de overdracht van de exploitatie van de Erica-locaties; wel is in de Groninger Akte uitdrukkelijk overeengekomen dat het kweekgoed (en daarmee de exploitatie) niet werd overgenomen; - [beheer A] , Hareko en [verwerking A] hebben alle kosten met betrekking tot de exploitatie van de Erica-locaties als vordering op W&T in rekening-courant geboekt; - W&T heeft diverse betalingen met omschrijving 'voorschot afrekening' aan [beheer A] , Hareko en [verwerking A] verricht, welke zijn verwerkt in diezelfde rekening-courant; - [bestuurder 1] heeft zich als bestuurder uitdrukkelijk, samen met [bestuurder 5] , bemoeid met alle verkopen namens W&T. Alle producten van de Erica-locaties zijn door W&T geleverd, getransporteerd en gefactureerd. Ook het deel van de producten dat door W&T aan dochtervennootschappen van [beheer A] is geleverd, is gefactureerd. Deze bestendige praktijk van facturatie is geëindigd nadat [bestuurder 5] niet langer werkzaam was voor [beheer A] en W&T; - de vergoeding van € 413.000,00 die in de Groninger Akte wordt genoemd betreft een vergoeding voor rente en risico en heeft niets met (ver)huur te maken. 7.4. W&T heeft aangevoerd, verkort weergegeven, dat tussen alle (op bestuurlijk niveau) betrokkenen bij W&T en het [concern A] in confesso was dat de exploitatie van de Erica-locaties was ondergebracht bij het [concern A] en ook voor rekening en risico van het concern geschiedde. Zij stelt hiertoe de volgende feiten en omstandigheden: - W&T is eigenaar van de Erica-locaties geworden omdat Rabobank de aankoop van de locaties door [beheer A] niet wilde financieren. Haar rol was niet meer dan het zijn van juridisch eigenaar. Het is altijd de bedoeling geweest dat de exploitatie voor rekening en risico zou komen van [beheer A] en het concern. Binnen het [concern A] werd Erica gezien als één van haar locaties, getuige onder andere de nieuwsbrief van het [concern A] van februari 2017 van de hand van [bestuurder 6] ; - W&T beschikte niet over personeel of materieel om een teeltbedrijf te exploiteren. W&T stelde enkel de onroerende zaak aan het [concern A] ter beschikking bij wege van verhuur en fungeerde in verband met de verkoop van een deel van de producten als factuuradres; - werknemers van Twaal Invest, de verkoper van de Erica-locaties, zijn overgenomen door Hareko onder vermelding van 'afdeling Hareko Erica'. Ander personeel benodigd voor de exploitatie werd ingeleend door Hareko. Het uitzendbureau stuurde hiervoor facturen naar 'Hareko afdeling Drenthe' of naar [beheer A] ; - op de Erica-locaties werden bedrijfswoningen verhuurd aan het daar werkzame personeel. De opbrengsten hiervan gingen naar [beheer A] ; - W&T heeft op 17 maart 2017 een bedrag van € 420.000,00 getrokken op het krediet in rekening-courant dat [kwekerij E] ter beschikking had gesteld en zij heeft dit bedrag al op dezelfde dag bij wijze van lening in twee tranches doorbetaald aan Hareko ten behoeve van de exploitatie van Erica. Dit zou zij vanzelfsprekend niet (op dezelfde dag) hebben gedaan als deze tuinen voor haar rekening en risico werden gedreven; - in bijlage 7 bij de koopovereenkomst tussen [Holding A] en TFFG ter zake van de aandelen in [beheer A] staat 'Erica' vermeld als één van de productielocaties van het [concern A] ; - de facturatie van de producten afkomstig van de Erica-locaties werd door het [concern A] verricht en niet door W&T. Er werd gefactureerd op naam van Hareko, [R] en ook op naam van W&T. De facturen werden met name opgesteld door [werknemer BB] , werknemer van één van de [concern A] -vennootschappen. W&T maakte hierbij geen keuzes, dit gebeurde binnen het [concern A] en ging geheel buiten W&T om. W&T tekende ook geen bonnen af, dat gebeurde door managers van het [concern A] ; - de vermelding van W&T op de facturen vloeide voort uit het feit dat de SKAL-vergunning op naam van W&T stond. Deze vermelding was juridisch niet verplicht, maar ongeveer een derde van de afnemers wilde dit. De reden dat de SKAL-vergunning op naam van W&T stond was om 'spreiding in de vergunning' te hebben, in verband met problemen met de SKAL-vergunning van Hareko; - de wijziging in het Handelsregister had enkel te maken met het aanvragen van het SKAL-certificaat door W&T; - W&T heeft de inkomsten die zij ontving uit de verkoop van de producten van de Erica-locaties steeds doorbetaald aan [beheer A] . Een deel moet nog worden betaald/verrekend; - in artikel 1.4. van de intentieverklaring wordt melding gemaakt van de 'aan [concern A] dienstbare productielocaties te Erica'. Ook wordt bevestigd dat [beheer A] de locaties gedurende het jaar 2017 zou huren van W&T. Volgens W&T onderschrijft de intentieverklaring daarom dat de exploitatie door [beheer A] als huurder zou plaatsvinden. Gelet op de bepalingen in de intentieverklaring is de huurvergoeding na levering van de onroerende zaak door W&T aan TFFG omgezet in een rentevergoeding omdat hiervoor een nieuwe titel moest worden gevonden; - in het kader van de overname van de aandelen in [Holding A] zijn geen afspraken gemaakt over de exploitatie van Erica omdat deze al plaatsvond voor rekening en risico van het [concern A] ; - met W&T is geen afspraak gemaakt dat de kosten ten laste van haar kwamen en voor zover deze kosten niettemin in rekening-courant zijn geboekt is dit eenzijdig door het [concern A] gebeurd na 30 juni 2017. Vóór die tijd was er slechts sprake van een zeer beperkte schuld van W&T aan het [concern A] (circa € 9.0000,00). 7.5. De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Vast staat dat een schriftelijke overeenkomst ontbreekt waaruit volgt dat op enig moment door [bestuurder 1] en/of W&T met [beheer A] en/of één of meer van haar dochtervennootschappen is overeengekomen dat de exploitatie van de Erica-locaties in het boekjaar 2017 voor rekening en risico van laatstgenoemde(
  5. n)zou komen. Verder kan aan Hareko worden toegegeven dat uit de gedingstukken niet blijkt dat op enig moment (expliciet) een mondelinge afspraak is gemaakt die inhoudt dat - in weerwil van het feit dat de gronden eerst eigendom waren van [bestuurder 1] en vanaf 3 februari 2017 van W&T - de exploitatie van de Erica-locaties in 2017 voor rekening en risico van het [concern A] zou plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat ook in zo'n situatie een dergelijke afspraak wel geacht kan worden te zijn gemaakt indien verklaringen en gedragingen van betrokkenen - met name op bestuurlijk niveau - binnen het [concern A] en W&T (over en weer) op het bestaan van deze afspraak wijzen. Voor wat betreft de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen komt het immers aan op wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen (wil) hebben mogen afleiden en welke zin daar onder de gegeven omstandigheden aan mocht worden toegekend (artikel 3:33/3:35 BW). Daarbij komt in dit verband mede betekenis toe aan de omstandigheid dat [bestuurder 1] zelfstandig bevoegd bestuurder was van zowel W&T als [beheer A] en indirect ook van haar dochtervennootschappen. Dit brengt mee dat hij beide partijen kon binden, ook al was hij niet de enige (direct dan wel indirect) bestuurder van de vennootschappen binnen het [concern A] . 7.6. Voorts neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de vennootschap die de activiteiten exploiteert, ook het exploitatierisico draagt. Daarvoor is - voor zover Hareko dat heeft beoogd aan te voeren - naar het oordeel van de rechtbank dus niet nodig dat (expliciet) een afspraak wordt gemaakt dat het exploitatierisico bij de exploiterende vennootschap berust, nu het één reeds uit het ander volgt. Weliswaar is in beginsel niet geheel ondenkbaar dat een afspraak wordt gemaakt dat het exploitatierisico bij een derde wordt ondergebracht, maar daartoe zullen voldoende feiten en omstandigheden moeten worden gesteld door degene die zich op zo'n afspraak beroept. 7.7. De rechtbank is onder toepassing van de hiervoor vermelde maatstaf van oordeel dat W&T in conventie voldoende onderbouwd heeft gesteld dat Erica in 2017 voor rekening en risico van het [concern A] (en in belangrijke mate door Hareko) werd geëxploiteerd en dat Hareko dit vervolgens onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Voor wat betreft de vorderingen in (deels voorwaardelijke) reconventie heeft Hareko in het licht van de gemotiveerde betwisting door W&T haar stelling dat de exploitatie in 2017 voor rekening en risico van W&T kwam onvoldoende onderbouwd. Bewijslevering in conventie is daarom niet nodig en in reconventie wordt hieraan niet toegekomen. Hiervoor is in de kern genomen beslissend dat in de periode februari - juni 2017 sprake is geweest van gedragingen en uitlatingen op (met name) bestuurlijk niveau die - in onderlinge samenhang bezien - onmiskenbaar wijzen op de juistheid van de stelling (in conventie) en het verweer (in - deels voorwaardelijke - reconventie) van W&T dat de exploitatie van Erica in 2017 bij het [concern A] was belegd en daarmee ook het risico, terwijl van andersluidende afspraken op dit punt niet is gebleken. De verweren (in conventie) en stellingen (in - deels voorwaardelijke - reconventie) van Hareko kunnen daar onvoldoende aan af doen. Hiervoor is het volgende redengevend. 7.8. In de eerste plaats is van belang dat het [concern A] (lees: de bestuurders) Erica vrijwel vanaf het begin heeft gezien als onderdeel van haar areaal en organisatie. Het staat vast dat de werkzaamheden in Erica zijn uitgevoerd met behulp van personeel en materieel van het [concern A] (zie r.o. 6.15). Het [concern A] heeft voorts al in februari 2017 - de maand waarin ook de overdracht van de onroerende zaken in Erica door [bestuurder 1] aan W&T plaatsvond - een nieuwsbrief voor alle medewerkers uitgebracht. In deze nieuwsbrief van de hand van [bestuurder 6] , destijds ook bestuurder van [beheer A] , is de stand van zaken met betrekking tot de productielocaties en de organisatie van het [concern A] beschreven. Erica wordt hierin als één van deze locaties genoemd en er wordt door [bestuurder 6] niet op gezinspeeld dat Erica op enigerlei wijze een status aparte zou hebben, in die zin dat deze tuinen in feite géén onderdeel van het concern zouden zijn. Het tegendeel is juist het geval: Erica wordt meegeteld voor het totaal aan areaal, er wordt benoemd dat op korte termijn ook in Erica geplant zal worden en er wordt ingegaan op de nieuwe wijze van organisatie van de verschillende tuinen, met het oog waarop ook in Erica een voorlichtingsbijeenkomst is geweest. 7.9. De rechtbank hecht voorts betekenis aan de verklaringen en gedragingen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen [Holding A] en TFFG. In artikel 1.4 van de LOI (waar ook [beheer A] partij bij was) worden de tuinen in Erica omschreven als 'de aan [concern A] dienstbare productielocaties'. Erica is vervolgens ook als productielocatie van het [concern A] genoemd in bijlage 7 van de koopovereenkomst. Daar komt bij dat in artikel 1.4 van de LOI is afgesproken dat [beheer A] de gronden in Erica met ingang van 1 januari 2017 tot aan de datum van levering van W&T zou huren en hier een vergoeding van € 413.000,00 voor zou betalen. Dit betreft weliswaar op dat moment een niet-bindende afspraak tussen [Holding A] , [beheer A] en TFFG, maar [bestuurder 6] heeft vervolgens bij e-mail van 21 juni 2017 (zie r.o. 6.28) aan [werknemer TFFG C] bevestigd dat die afspraak over de huur was gemaakt. Uiteindelijk is weliswaar gekozen voor een andere titel voor deze vergoeding (namelijk 'rentevergoeding'), maar onder verwijzing naar de inhoud van bedoelde e-mail van [bestuurder 6] heeft W&T voldoende onderbouwd gesteld wat hiervan de reden was: huren was niet meer aan de orde toen door de bij de LOI betrokken partijen de keuze werd gemaakt om (onder de ontbindende voorwaarde van betaling van de koopsom per eind 2017) de gronden eerder dan aanvankelijk de bedoeling was over te dragen en dan niet aan [beheer A] , maar aan TFFG. Wat daar verder ook van zij, de hiervoor bedoelde afspraak draagt bij aan het oordeel dat de locaties in Erica al in het eerste half jaar van 2017 werden geëxploiteerd voor rekening en risico van het [concern A] . Anders valt niet in te zien waarom er per 1 januari 2017 al huur zou moeten worden betaald. Hareko heeft weliswaar aangevoerd dat deze afspraken zijn gemaakt in het kader van de beoogde verkoop van de aandelen aan TFFG en dus als zodanig niets zeggen over de afspraken tussen W&T en het [concern A] in de periode vóór 30 juni 2017, maar de rechtbank volgt haar daarin niet. [bestuurder 6] heeft immers al per e-mail van 10 mei 2017 (zie r.o. 6.22) - dus vóór het sluiten van de LOI - aan [bestuurder 1] in duidelijke bewoordingen bevestigd dat Erica in 2017 voor een bedrag van € 413.000,00 aan [beheer A] zal worden verhuurd en in die e-mail tevens zonder enig voorbehoud een voorstel gedaan voor de tijdstippen van betaling van dit bedrag in twee termijnen, te weten € 310.000,00 op 1 oktober 2017 en € 103.000,00 op 31 december 2017. 7.10. Ook een deel van de inhoud van de e-mailcorrespondentie direct voorafgaand aan het passeren van de Groninger Akte wijst naar het oordeel van de rechtbank op de juistheid van het standpunt van W&T. Uit deze e-mails, gewisseld tussen [bestuurder 6] , [werknemer TFFG C] en de notaris, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [bestuurder 6] , handelend als bestuurder van [beheer A] , de mening was toegedaan dat het kweekgoed van de Erica-locaties op dat moment al eigendom was van [beheer A] en om die reden niet in de verkoop van de Erica-locaties hoefde te worden begrepen. Hareko heeft weliswaar aangevoerd dat men met deze term alleen op de planten doelde en niet op de vruchten daarvan, maar dat blijkt niet uit de teksten van de hiervoor bedoelde e-mails en het is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ook een onbegrijpelijk standpunt, nu de vruchten uit het plantgoed voortkomen. Verder valt op dat [werknemer TFFG C] aan de notaris heeft verzocht om het in de concept akte voor TFFG opgenomen verbod om de onroerende zaken ter beschikking te stellen aan derden zodanig aan te passen dat verder (cursivering
  6. rb)gebruik van de onroerende zaken door de operationele vennootschappen van het [concern A] uitdrukkelijk niet onder dat verbod zou worden begrepen. In de (definitieve) Groninger Akte is deze tekst conform het verzoek van [werknemer TFFG C] overgenomen. Deze aanpassing valt niet te rijmen met het standpunt van Hareko dat de exploitatie van Erica niet in handen was van het [concern A] , maar van W&T. 7.11. W&T heeft verder terecht aangevoerd dat ook de omstandigheid dat [beheer A] de inkomsten genoot die werden ontvangen vanwege de verhuur van de in Erica aanwezige bedrijfswoningen (tot de overdracht van de onroerende zaken aan TFFG) een indicatie vormt voor de juistheid van haar standpunt. Hareko heeft op dit punt geen gemotiveerd verweer gevoerd. 7.12. Hareko heeft voor de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden geen plausibele verklaring gegeven. 7.13. W&T heeft voorts terecht betoogd dat het standpunt van Hareko dat de exploitatie van Erica niet bij het [concern A] was ondergebracht, niet valt te rijmen met het feit dat TFFG als aandeelhouder van [beheer A] bij brief van 18 oktober 2017 (zie r.o. 6.41) aan [bestuurder 1] / [Holding A] heeft geschreven dat [beheer A] schade leed als gevolg van een besmetting met clavibacter/aaltjes die zich in Erica had voorgedaan en dat [Holding A] als verkoper van de aandelen hiervan een verwijt viel te maken. Ook maakt TFFG melding van een vordering op laatstgenoemde. Hiervoor heeft Hareko evenmin een plausibele verklaring gegeven. Uitgaande van de stelling van Hareko dat de exploitatie van Erica bij W&T lag, zou dit [beheer A] immers niet aangaan. 7.14. Hareko heeft daarentegen wel gesteld dat uit een aantal (andere) feiten en omstandigheden blijkt dat de exploitatie in handen was van W&T. Dit betreft volgens haar in de eerste plaats de omstandigheid dat W&T op 3 februari 2017 haar omschrijving in het Handelsregister heeft gewijzigd en toen een nevenvestiging in Erica heeft ingeschreven en vervolgens het SKAL-certificaat heeft aangevraagd. Wat er verder ook zij van de redenen waarom dit is gebeurd (daar zijn partijen het niet over eens), deze feiten kunnen in het licht van de vorige rechtsoverwegingen niet tot een andersluidend oordeel leiden. Hierbij wordt aangetekend dat W&T voor deze feiten een plausibele verklaring heeft gegeven, namelijk dat vanwege het bedrijfsbelang is gekozen voor een afzonderlijk SKAL-certificaat, met het oog waarop W&T als eigenaar van de grond haar activiteitomschrijving in het Handelsregister noodzakelijkerwijs eerst heeft moeten wijzigen. 7.15. Hareko is in haar processtukken en tijdens de pleidooizitting daarnaast met name ingegaan op de wijze van factureren en op de boekingen die in rekening-courant ten laste van W&T hebben plaatsgevonden. Daarbij heeft zij om te beginnen gewezen op de inhoud van de twee schriftelijke verklaringen van [werknemer AA] van 5 december 2017 en 5 december 2018 (zie r.o. 6.45 en 6.57) en de twee schriftelijke verklaringen van [bestuurder 6] van 5 december 2017 en 7 december 2018 (zie r.o. 6.46 en 6.58), waaruit reeds zou volgen dat de wijze van administreren van kosten en inkomsten ten behoeve van Erica duidt op exploitatie door W&T. Geconstateerd kan worden dat beide personen (in de kern genomen) hebben verklaard dat Erica 'los van [concern A] ' werd geëxploiteerd. 7.16. Voor wat betreft [bestuurder 6] is de rechtbank van oordeel dat zijn verklaringen in tegenspraak zijn met zijn uitlatingen in de periode vóór de overdracht van de aandelen aan TFFG, zoals hiervoor omschreven. Hareko heeft voor deze tegenstrijdigheid geen plausibele verklaring gegeven. De rechtbank gaat daarom aan deze verklaringen van [bestuurder 6] voorbij. 7.17. Aan de verklaringen van [werknemer AA] kan om andere redenen niet het door Hareko beoogde effect worden toegekend. [werknemer AA] heeft uitgebreid verklaard over de wijze waarop zij de exploitatie van Erica administratief verwerkte: op aanwijzing van (mede-bestuurder) [bestuurder 5] boekte zij kosten (die verband hielden met bijvoorbeeld de inzet van personeel en materieel ten behoeve van Erica) die door het [concern A] werden gemaakt en facturen ten behoeve van de exploitatie van Erica in rekening-courant ten laste van W&T. De juistheid van deze verklaringen is echter weersproken door [bestuurder 5] . Volgens hem (zie zijn e-mail van 5 december 2017 aan mr. Mollema, r.o. 6.47) heeft hij [werknemer AA] juist gemeld dat de kosten en opbrengsten van de Erica-locaties bij [beheer A] moesten liggen en niet bij W&T. Er kan dus niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van [werknemer AA] . De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt een bewijsopdracht aan Hareko te geven. Indien het al zo zou zijn dat [bestuurder 5] [werknemer AA] daadwerkelijk heeft opgedragen om kosten en facturen ten laste van W&T in rekening-courant te boeken, dan zou aan deze (beweerde) instructie alleen enige betekenis kunnen toekomen als [bestuurder 5] daarbij ook namens W&T zou hebben gesproken. Dat blijkt niet uit het gestelde feitencomplex. [bestuurder 5] was immers geen bestuurder van W&T (alleen van [beheer A] ). Hij was ook geen werknemer van W&T. Hareko heeft niet (onderbouwd) gesteld dat [beheer A] er niettemin op mocht vertrouwen dat de beweerde mededeling (ook) namens W&T is gedaan. Het handelen van [werknemer AA] op beweerdelijke instructie door [bestuurder 5] moet, indien dit na bewijslevering al zou komen vast te staan, daarom als onterecht worden beschouwd omdat deze instructie dan alleen namens [beheer A] zou zijn gegeven. Aan deze eenzijdig gegeven instructie kunnen alsdan geen rechtsgevolgen worden verbonden. Beslissend is hier immers niet het feitelijk boeken in rekening-courant als zodanig, maar - zoals W&T terecht heeft betoogd - het bestaan van een daaraan ten grondslag liggende afspraak. Voor zover Hareko heeft willen betogen dat met het beweerdelijk geven van de instructie aan [werknemer AA] het exploitatierisico (als zodanig) aan W&T zou zijn overgedragen faalt dit eveneens, alleen al om de hiervoor vermelde reden. 7.18. De rechtbank komt daarom niet toe aan bespreking en beoordeling van productie 64 van Hareko (de weergave van het verloop van de volgens haar bestaande rekening-courantverhouding met W&T en de daaraan ten grondslag liggende grootboekkaarten) versus productie 39 van W&T (de enkelvoudige balans van [beheer A] tot 23 april 2017 die bij de Data Room-documenten was gevoegd en waaruit volgens W&T de enige bestaande rekening-courantverhouding met [beheer A] blijkt). Om dezelfde reden kan voorbij worden gegaan aan de vermelding van een rekening-courantverhouding met W&T in het rapport van BDO, nu die rekening-courantverhouding voortborduurt op de naar het oordeel van de rechtbank (op grond van hetgeen hiervoor is overwogen) onjuiste veronderstelling dat de exploitatie van de Erica-locaties in 2017 voor rekening en risico van W&T kwam. Immers, ook uit het rapport van BDO blijkt niet van een afspraak zoals hiervoor bedoeld. Voor wat betreft dit laatste feit overweegt de rechtbank in aanvulling op hetgeen hiervoor al is overwogen dat onweersproken door W&T is aangevoerd dat [bestuurder 1] , noch [Holding A] en W&T (en evenmin [bestuurder 4] en [bestuurder 5] , naast [bestuurder 6] de toenmalige mede-bestuurders van Hartman-Beheer) bij de totstandkoming van het rapport betrokken zijn geweest. Volgens W&T heeft BDO geen enkele vraag gesteld aan [bestuurder 1] of [bestuurder 5] en is alle informatie voor de Data Room aangeleverd door [bestuurder 6] , zodat het rapport in zoverre eenzijdig is opgesteld. De rechtbank is onder deze omstandigheden dan ook van oordeel dat de inhoud van het BDO-rapport geen afbreuk kan doen aan hetgeen hiervoor ten aanzien van de exploitatie als zodanig is overwogen. Het aanleveren van informatie ten behoeve van de Data Room blijkt bovendien niet volledig en/of juist te zijn geweest, nu daarbij ten onrechte niet tot uitdrukking is gebracht dat de Erica-locaties onderdeel waren van het [concern A] . 7.19. Voor wat betreft de wijze van factureren heeft Hareko uiteengezet dat alle inkoopbevestigingen, leverings- en transportbonnen en alle bijbehorende facturen (gekoppeld aan de inkoopbevestigingen) op naam staan van W&T (producties 24 en 25 bij de verzetdagvaarding). Dit is volgens haar te verklaren uit het feit dat de verkoop van producten die in Erica werden geteeld, verkocht werden door W&T, wat op grond van het SKAL-certificaat ook niet anders kon. Er waren ook vennootschappen binnen het [concern A] die producten uit Erica verkochten, maar voordat zij dat deden kochten zij deze eerst van W&T en daar ontvingen zij van W&T facturen voor (productie 65). Dit was al het geval in de periode vóór 30 juni 2017. Het klopt weliswaar dat de facturen door het [concern A] werden opgesteld, maar dit gebeurde op instructie van [bestuurder 1] en [bestuurder 5] en zij tekenden ook alle facturen af, zoals blijkt uit de verklaring van [werknemer AA] , aldus nog steeds Hareko. W&T heeft dit bestreden. W&T heeft weliswaar voor een deel van de oogst (circa een derde) facturen gestuurd naar klanten die dat volgens haar persé wilden, maar de rest werd rechtstreeks gefactureerd op naam van vooral Hareko en overigens [R] . W&T maakte daar geen keuze in, dat deed het [concern A] volgens haar. In de gevallen waarin facturen op naam van W&T werden verzonden betaalde W&T de ontvangen bedragen door aan Hareko. Voor wat betreft de aan Hareko gerichte facturen, die door Hareko als productie 65 zijn overgelegd, heeft W&T aangevoerd dat deze niet in haar administratie voorkomen en ook niet door haar zijn opgesteld. Hareko heeft deze facturen ook niet aan haar betaald. W&T gaat ervan uit dat deze facturen pas na 30 juni 2017 zijn opgesteld. Overigens betwist zij dat [bestuurder 1] specifieke instructies aan de administratieve afdeling gaf. Hij zal volgens W&T op hoofdlijnen op de hoogte zijn geweest, maar beschikte niet over een specifiek kennisniveau. W&T heeft tot slot opgemerkt dat het logisch is dat de transportbonnen op haar naam stonden nu deze werden gebruikt in Erica. 7.20. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het staat vast dat de facturering feitelijk werd uitgevoerd door de administratie van het [concern A] , die daarbij kennelijk ook de beschikking had over briefpapier van W&T. De meeste facturen voor derden zijn niet door W&T verstuurd, maar door Hareko en [vastgoed C] . Een deel is op briefpapier van W&T verzonden en deze facturen zijn geheel of gedeeltelijk ook aan W&T betaald, terwijl hiervoor als vaststaand is aangenomen dat W&T een deel van deze ontvangsten na de overname van de aandelen door TFFG (
  7. al)heeft doorbetaald aan Hareko (waarbij in ieder geval ten aanzien van Eosta geldt dat het daarbij om een één-op-één-doorbetaling ging). De rechtbank is van oordeel dat uit deze feitelijke en weinig duidelijke gang van zaken niet kan worden afgeleid dat Erica door W&T werd geëxploiteerd, zoals Hareko ingang wil doen vinden. Hareko stelt weliswaar dat één en ander op instructie van [bestuurder 1] plaatsvond, maar zo concreet zijn de verklaringen van [werknemer AA] niet op dit specifieke punt en W&T heeft gemotiveerd weersproken dat [bestuurder 1] deze instructies heeft gegeven. Op de beweerde instructie door [bestuurder 5] is hiervoor al ingegaan. Voor wat betreft het aftekenen van facturen kan overigens worden gewezen op de e-mail van 24 augustus 2017 (zie r.o. 6.39) van [werknemer DD] aan [werknemer EE] en [werknemer FF] , waaruit blijkt dat [werknemer FF] en [werknemer DD] facturen eerst moesten aftekenen voordat er betaald mocht worden. Deze e-mail is weliswaar van na de overname van de aandelen, maar uitgaande van de juistheid van de stellingen en verweren van Hareko dat de exploitatie van Erica ook na overname bij W&T zou zijn gebleven, zou die taak ook op dat moment nog steeds bij [bestuurder 1] (namens W&T) hebben berust en Hareko heeft niet gesteld dat dat na 30 juni 2017 ook feitelijk het geval was. 7.21. Voor wat betreft de facturen die Hareko zou hebben ontvangen van W&T is de rechtbank van oordeel dat Hareko, mede gezien de gemotiveerde betwisting door W&T, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat deze daadwerkelijk door W&T zijn opgesteld, reeds vanwege de omstandigheid dat deze op blanco briefpapier zijn afgedrukt en uit de facturen niet kan worden afgeleid of deze daadwerkelijk op producten uit Erica zien. Ook aan de overgelegde transportbonnen kan onvoldoende betekenis worden gehecht. Op de bonnen staat als afhaallocatie/verzender W&T met haar vestigingsadres vermeld, zowel voor als na 30 juni 2017. Indachtig het feit dat in het Handelsregister W&T op dat adres als onderneming stond ingeschreven en het SKAL-certificaat eveneens op haar naam stond kan hieraan - in het licht van alle hiervoor relevant geachte feiten en omstandigheden die wijzen op het tegendeel - geen doorslaggevende betekenis worden gehecht voor de vraag door wie deze tuinen werden geëxploiteerd. 7.22. Ten aanzien van de periode ná de overname van de gronden door TFFG per 23 juni 2017 en (een week later) de overdracht van de aandelen in [beheer A] aan TFFG is de rechtbank van oordeel dat de exploitatie onverminderd in handen is gebleven van het [concern A] . Op dat moment was immers - zoals tussen partijen niet in geschil is - de juridische band die er voordien nog was tussen het [concern A] en [bestuurder 1] (en diens managementvennootschap W&T) geheel doorgesneden, afgezien dan van het hier niet relevante feit dat [bestuurder 1] na de levering van de aandelen commissaris van [beheer A] is geworden. Uit niets blijkt dat W&T destijds niettemin de exploitatie van Erica van het [concern A] heeft overgenomen. In tegendeel, uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat tussen de betrokken partijen vaststond dat de Erica-locaties onderdeel waren van het over te dragen en overgedragen [concern A] . Het maken van een afzonderlijke afspraak hierover was dan ook niet noodzakelijk, zoals W&T terecht heeft betoogd. 7.23. De juistheid van de stellingen en verweren van Hareko ten aanzien van deze periode kan tot slot evenmin worden gebaseerd op het handelen van W&T destijds. Hiertoe wordt overwogen als volgt. In een door W&T overgelegd overzicht over de periode vanaf 23 juni 2017 tot en met 6 september 2017 (productie 28) staat in totaal een bedrag van € 300.405,43 aan ontvangsten en doorbetalingen aan het [concern A] vermeld naar aanleiding van facturen die volgens W&T op haar naam door het [concern A] zijn verzonden ten behoeve van de verkoop van de oogst van de Erica-locaties. In dit overzicht wordt vermeld dat W&T de ontvangsten van onder meer Eosta en Toff heeft doorbetaald aan Hareko, waarbij het in het geval van Eosta ging om een één-op-één-doorbetaling. De ontvangsten tot en met 7 juli 2017 ad € 57.521,43 zijn onder de omschrijving 'ontvangsten tm 7-7' op 7 juli 2017 aan Hareko overgemaakt. Daarnaast is op 18 augustus 2017 een overboeking gedaan voor een bedrag van € 100.000,00, met als omschrijving 'voorschot afrekening'. Deze betalingen - die als zodanig zijn erkend door Hareko - duiden er niet op dat de Erica-locaties door W&T werden geëxploiteerd, maar juist op het tegendeel. 7.24. Voor zover W&T op 17 maart 2017 een lening heeft verstrekt aan Hareko ten behoeve van de exploitatie van de Erica-locaties draagt dit overigens bij aan het oordeel dat de Erica-locaties al in het voorjaar van 2017 voor rekening en risico van het [concern A] werden geëxploiteerd (zie voor het oordeel over dit geschilpunt hierna r.o. 7.44). 7.25. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de stellingen en verweren van Hareko in zoverre niet opgaan. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat Erica, in de periode dat de gronden nog eigendom waren van [bestuurder 1] en vervolgens van W&T, werd geëxploiteerd door het [concern A] . Daarmee is, zoals hiervoor overwogen in r.o. 7.6, ook het exploitatierisico voor (geheel) 2017 bij het [concern A] ondergebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Hareko onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld - voor zover zij dat al heeft beoogd te stellen - waaruit volgt dat het exploitatierisico op grond van een daartoe gemaakte afspraak bij een derde (niet zijnde een vennootschap van het [concern A] ) was ondergebracht, noch voor de periode tot 23/30 juni 2017, noch voor de periode daarna. de vorderingen in reconventie onder 3. en 4. 7.26. Het oordeel dat Erica in 2017 werd geëxploiteerd voor rekening en risico van het [concern A] maakt dat de door Hareko in reconventie gevorderde verklaring voor recht onder 3. dat de exploitatie van de Erica-locaties over het boekjaar 2017 voor rekening en risico van W&T heeft plaatsgevonden, zal worden afgewezen. De door Hareko in reconventie gevorderde exploitatiekosten van € 3.107.478,95 onder 4. komen daarmee evenmin voor vergoeding in aanmerking en zullen dus eveneens worden afgewezen. de vorderingen onder II en III in conventie 7.27. Voor wat betreft de vorderingen van W&T die betrekking hebben op voorgeschoten plantenfacturen en verpakkingsmateriaal (de vorderingen onder respectievelijk II en III in conventie) overweegt de rechtbank dat W&T hierover heeft gesteld dat Hareko deze kosten 'vanzelfsprekend' aan haar moet vergoeden. Zij heeft echter niet toegelicht waarom, in het geval de rechtbank zou oordelen dat Erica in 2017 voor rekening en risico van het [concern A] werd geëxploiteerd, specifiek Hareko hierop aangesproken kan worden (in plaats van een andere vennootschap binnen het concern). Daar staat tegenover dat Hareko niet heeft bestreden dat, áls de exploitatie voor rekening en risico van het [concern A] zou zijn en haar overige verweren tegen deze vorderingen zouden worden verworpen, het inderdaad Hareko is die in dat geval jegens W&T gehouden is om tot vergoeding van de door W&T betaalde facturen over te gaan. Deze impliciete stellingname sluit ook aan bij het feit dat de exploitatie van de tuinen met biologische teelt binnen het [concern A] was ondergebracht bij Hareko. De rechtbank zal W&T dan ook volgen in haar hiervoor vermelde standpunt. 7.28. Ten aanzien van de plantenfacturen heeft Hareko aangevoerd dat TFFG in de Akte schuldoverneming de verplichtingen van W&T jegens [kwekerij E] heeft overgenomen en deze facturen aan laatstgenoemde heeft voldaan, waarvoor W&T haar in genoemde akte volledig decharge heeft verleend. Een basis voor 'doorbelasting' van deze verplichting aan Hareko ontbreekt daarom volgens haar. W&T heeft bestreden dat deze akte de rechtsverhouding tussen haar en Hareko raakt. De rechtbank volgt haar hierin, nu in de Akte schuldoverneming voor wat betreft de plantenfacturen enkel afspraken zijn gemaakt tussen [kwekerij E] , TFFG en W&T. Hareko was weliswaar ook partij bij deze akte, maar ten aanzien van de plantenfacturen bevat de akte geen afspraken die zien op de rechtsverhouding tussen W&T en Hareko, laat staan dat tussen deze partijen een kwijting is afgesproken. Dit verweer faalt dan ook. 7.29. Het verweer dat een juridische basis voor deze vorderingen ontbreekt omdat deze kosten nooit in de rekening-courantverhouding zouden zijn geboekt slaagt evenmin. De verplichting tot het betalen van deze kosten volgt reeds uit de omstandigheid dat de exploitatie voor rekening en risico van het [concern A] plaatsvond. De door W&T gevorderde vergoeding van € 441.242,80 aan voorgeschoten plantenfacturen en betaling van een bedrag van € 11.618,87 aan voorgeschoten facturen ter zake van verpakkingsmateriaal, acht de rechtbank daarom toewijsbaar, tenzij de beroepen op verrekening over en weer zouden slagen. Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 10 oktober 2018 tot de dag van volledige betaling heeft Hareko geen op zichzelf staand verweer gevoerd. De rechtbank acht deze rente als niet betwist en gegrond op de wet toewijsbaar, tenzij een terecht beroep op verrekening zoals hiervoor bedoeld ook wat betreft dit deel van de vordering ertoe zou leiden dat de vordering op die grond zou moeten worden afgewezen. de vorderingen in voorwaardelijke reconventie onder 6. tot en met 8. 7.30. De voorwaarde waaronder Hareko haar vorderingen heeft ingesteld (te weten het oordeel van de rechtbank dat de exploitatie van de Erica-locaties voor rekening en risico van het [concern A] kwam) is vervuld. Met het hiervoor gegeven oordeel staat in rechte vast dat Hareko (na de cessie) aanspraak heeft op de opbrengsten van Erica voor zover deze nog niet door W&T aan haar zijn afgedragen. Op deze kwestie ziet de vordering onder 6. Tussen partijen is in geschil welk bedrag dit betreft. 7.31. Hareko stelt, onder verwijzing naar haar productie 26 en verkort weergegeven, dat W&T in elk geval voor een bedrag van € 567.532,18 inclusief btw aan 'derden' heeft geleverd en gefactureerd (waarmee zij bedoelt: entiteiten die niet behoorden tot het [concern A] ). Van dit bedrag dienen volgens Hareko de door W&T al betaalde bedragen van € 57.521,43 en € 100.000,00 te worden afgetrokken. Voorts stelt Hareko dat het [concern A] de klanten Eosta, Naturelle en TOFF heeft gefactureerd voor een totaalbedrag van € 192.796,63 inclusief btw op naam van W&T met het rekeningnummer van [beheer A] , als gevolg van een communicatiefout binnen [beheer A] . Hareko heeft in dit verband erkend dat hiervoor geen akkoord was gegeven vanuit W&T. Dit bedrag dient eveneens te worden afgetrokken van het bedrag van € 567.532,18, evenals het door een klant per abuis aan [beheer A] betaalde bedrag van € 75.654,08 terwijl de factuur op naam van W&T was gesteld. Er resteert aldus een vordering van € 141.560,04 inclusief btw op W&T, aldus nog steeds Hareko. 7.32. W&T heeft betwist dat zij heeft geleverd aan derden. Voor wat betreft de door haar ontvangen bedragen heeft W&T met een beroep op haar productie 28 gesteld dat zij in totaal een bedrag van € 300.405,43 betaald heeft gekregen naar aanleiding van door haar verzonden facturen, waarvan zij al € 157.521,43 aan Hareko heeft doorbetaald. Aldus resteert nog een bedrag van € 142.884,00 dat afgedragen moet worden aan Hareko, maar W&T beroept zich op verrekening met haar vorderingen in conventie. 7.33. De rechtbank stelt vast dat er kennelijk een verschil bestaat tussen (enerzijds) wat volgens W&T het door haar in totaal gefactureerde en wat het in totaal door haar ontvangen bedrag is en (anderzijds) de omvang van de volgens Hareko door W&T gefactureerde en ontvangen bedragen. Partijen hebben zich over de oorzaak van dit verschil in berekeningen verder niet uitgelaten, maar uit de standpunten volgt wel dat partijen het er over eens zijn dat er een verschil is tussen door W&T gefactureerde en vervolgens door haar ontvangen bedragen. Bij deze stand van zaken zal er dan ook van moeten worden uitgegaan dat een deel van de door W&T verzonden facturen nog niet aan haar is voldaan. Gelet op de omstandigheid dat de exploitatie van Erica voor rekening en risico van het [concern A] kwam, behoeft W&T echter slechts de daadwerkelijk door haar ontvangen bedragen aan Hareko af te dragen. Hareko heeft niet (gemotiveerd) onderbouwd dat dit méér was dan het bedrag dat W&T stelt ontvangen te hebben. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. Rekening houdend met de reeds betaalde bedragen resteert volgens de berekening van W&T een bedrag van € 142.884,00. Nu Hareko op dit punt een (iets) lager bedrag vordert (namelijk: € 141.560,04) is slechts dit lagere bedrag toewijsbaar. Gelet hierop zal de primaire vordering onder 6. in reconventie worden afgewezen en is het subsidiair gevorderde bedrag onder 6. - behoudens het hierna te bespreken beroep op verrekening - toewijsbaar. 7.34. W&T heeft voor wat betreft het toe te wijzen bedrag van (thans) € 141.560,04 een beroep gedaan op verrekening met haar vorderingen in conventie, zoals uiteengezet onder r.o. 3.3. De vordering van Hareko onder 6. houdt eveneens rekening met een beroep op verrekening door W&T. De rechtbank komt hierna nog op deze beroepen op verrekening terug. 7.35. De vordering onder 7. is gebaseerd op de stelling van Hareko dat nog niet alle producten, die in Erica zijn geteeld, gefactureerd zijn door W&T en daarom ook nog niet zijn betaald aan het [concern A] . Volgens Hareko weigert namelijk in ieder geval Eosta betaling aan het [concern A] , omdat het SKAL-certificaat op naam van W&T staat en de facturering en betaling altijd op naam van W&T gebeurden. Om die reden vordert Hareko veroordeling van W&T om de afnemers die niet aan het [concern A] willen betalen, te factureren onder gebruikmaking van het SKAL-certificaat. Daarnaast vordert Hareko om W&T te veroordelen alle nog door W&T te ontvangen gelden van derden aan Hareko binnen zeven dagen na ontvangst door te betalen (de vordering onder 8.). 7.36. W&T - die dus betwist zelf geleverd te hebben - heeft ten aanzien van deze vorderingen, samengevat weergegeven, aangevoerd dat na de zitting in kort geding tussen W&T en TFFG uit een door mr. Kamerbeek op 13 december 2017 aan mr. Mollema verzonden Excel-document is gebleken dat de facturatie van de kennelijk nog niet verzonden facturen al had plaatsgevonden via Hareko en [R] . Volgens W&T heeft ook [werknemer TFFG C] tijdens een bespreking op 20 januari 2018 in Emmeloord bevestigd dat het grootste deel van de oogst van de Erica-locaties ten tijde van de zitting in kort geding (6 december 2017) al door Hareko en [R] was gefactureerd. W&T betwist voorts dat op naam van W&T zou moeten worden gefactureerd. Volgens W&T kunnen Hareko dan wel overige groepsvennootschappen dit ook zelf doen. Daartoe heeft W&T aangevoerd dat alle verkopen geheel buiten W&T hebben plaatsgevonden en dat slechts een deel van de verkopen op naam van W&T, met gebruikmaking van het briefpapier van W&T, werd gefactureerd. W&T concludeert dan ook tot afwijzing van de overige vordering die hier voorliggen. 7.37. Ten aanzien van de volgens Hareko geleverde, maar nog niet door W&T gefactureerde oogst van de Erica-locaties overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is - zoals hiervoor overwogen - niet in geschil dat de facturen van W&T werden opgesteld door de administratie van het [concern A] . Ook zijn partijen het erover eens dat op naam van W&T (en onder vermelding van het rekeningnummer van W&T) aan derden werd gefactureerd op het moment dat die derden facturatie eisten van de partij op wiens naam het SKAL-certificaat stond. Het verweer van W&T dat Hareko en [R] al facturen hebben verzonden voor de aan derde partijen geleverde goederen heeft Hareko op zichzelf genomen niet betwist, maar Hareko heeft onweersproken gesteld dat de afnemers die vermeld staan in de lijst die is overgelegd als productie 48 weigeren om aan het [concern A] te betalen zolang zij niet over een factuur van W&T beschikken. Gelet op het feit dat partijen het er enerzijds over eens zijn dat W&T gehouden is tot facturatie in de situatie waarin een afnemer facturatie eist van de houder van het SKAL-certificaat, maar anderzijds ook vaststaat dat die facturatie altijd door de administratie-afdeling van het [concern A] werd verzorgd, acht de rechtbank het volgende - als zijnde het mindere van wat meer is gevorderd - toewijsbaar. De rechtbank zal bepalen dat W&T dient te gedogen dat Hareko namens W&T aan afnemers factureert met gebruikmaking van het SKAL-certificaat dat op naam van W&T staat (of destijds stond), onder de gelijktijdige verplichting van Hareko om W&T daarover te informeren (door toezending van een kopie van de door haar aldus verstuurde facturen). 7.38. Voorts acht de rechtbank de vordering tot doorbetaling door W&T van de na het factureren te ontvangen bedragen (de vordering onder 8.) toewijsbaar. Terzijde overweegt de rechtbank dat W&T enkel hoeft door te betalen wat zij na de hiervoor bedoelde facturatie daadwerkelijk ontvangt. Een verderstrekkende betalingsverplichting is niet in overeenstemming met het uitgangspunt dat het risico van de exploitatie van Erica bij het [concern A] berustte. 7.39. Overigens zal de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente worden afgewezen voor zover het om de nog te ontvangen bedragen gaat, nu deze betalingsverplichting van W&T niet voortspruit uit een handelsovereenkomst. In plaats daarvan zal de rechtbank W&T veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien en voor zover W&T niet - zoals gevorderd - binnen zeven dagen na ontvangst van de bedragen van derden deze bedragen heeft doorbetaald aan Hareko. 7.40. De door Hareko gevorderde dwangsommen acht de rechtbank niet toewijsbaar voor zover het om betaling van geldsommen gaat. Betaling hiervan kan door rechtstreekse executie worden afgedwongen, zodat voor het versterken van de veroordeling met een dwangsom geen plaats is (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:667). Voor wat betreft de hiervoor bedoelde gedoogplicht ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan een dwangsomoplegging te verbinden. Gelet op de processuele houding van W&T gaat de rechtbank ervan uit dat W&T hieraan gevolg zal geven. 7.41. Voor wat betreft facturen die Hareko nog van W&T zou moeten ontvangen voor producten die Hareko vervolgens heeft doorverkocht aan derden overweegt de rechtbank dat Hareko dit weliswaar heeft benoemd in haar processtukken, maar hier vervolgens geen processuele consequenties aan heeft verbonden. Dit blijkt in ieder geval niet op kenbare wijze uit de vorderingen. De rechtbank zal daarom aan dit geschilpunt voorbij gaan. de vorderingen in conventie onder I en IV en in oppositie onder 1. en 2. 7.42. Volgens W&T heeft Hareko van haar een bedrag van € 420.000,00 geleend en niet terugbetaald. W&T leende dit bedrag op 17 maart 2017 van [kwekerij E] en W&T leende het bedrag op dezelfde dag door aan Hareko, tegen gelijke voorwaarden. Er is hierbij een rentepercentage van 5% per jaar overeengekomen, zoals dit ook is overeengekomen tussen W&T en [kwekerij E] . Het bedrag was voor de exploitatie van de Erica-locaties die immers door het [concern A] werd gevoerd. De omstandigheid dat TFFG de verplichtingen van W&T jegens [kwekerij E] heeft overgenomen doet niet af aan de verplichtingen die Hareko jegens W&T heeft, zodat Hareko gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van € 420.000,00, te vermeerderen met 5% rente per jaar, aldus nog steeds W&T. 7.43. Hareko heeft betwist dat tussen haar en W&T een overeenkomst van geldlening is gesloten en vordert daarom ontheffing van de tegen haar in het verstekvonnis van 18 april 2018 uitgesproken veroordeling. Uit de door W&T overgelegde financieringsstukken, bestaande uit de overeenkomst van geldlening tussen [kwekerij E] en [bestuurder 1] , volgt volgens Hareko niet dat er een overeenkomst van geldlening tussen haar en W&T bestaat. De omschrijving 'lening' op een bankafschrift van W&T levert volgens Hareko ook onvoldoende bewijs op van het bestaan van een geldleningsovereenkomst. Hareko gaat er vanuit dat W&T deze overboeking heeft gedaan als voorschotbetaling op bij haar in rekening te brengen exploitatiekosten voor de Erica-locaties. Daarbij komt dat TFFG de overeenkomst van geldlening tussen W&T en [kwekerij E] heeft overgenomen als onderdeel van de tussen TFFG en W&T overeengekomen minnelijke regeling, vastgelegd in de Akte schuldoverneming (zie r.o. 6.52). W&T is dus zelf geen partij meer bij de overeenkomst van geldlening en TFFG heeft aan de verplichtingen van W&T jegens [kwekerij E] inmiddels voor het grootste gedeelte voldaan. Van een betalingsverplichting van Hareko jegens W&T uit hoofde van een overeenkomst van geldlening is dan ook geen sprake, aldus Hareko. Indien en voor zover de rechtbank enige (terug)betalingsverplichting van Hareko aan W&T zou aannemen, betwist Hareko voorts het gestelde rentepercentage van 5% per jaar. 7.44. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 2 lid 5 van de tussen [bestuurder 1] en [kwekerij E] gesloten overeenkomst van geldlening van 23 december 2016 (zie r.o. 6.11) volgt dat [bestuurder 1] het rekening-courantkrediet van [kwekerij E] slechts kon aanwenden ter financiering van de exploitatie van de Erica-locaties. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de exploitatie van de Erica-locaties over het boekjaar 2017 voor rekening en risico van het [concern A] werd gevoerd. Gelet daarop, alsmede op het feit dat W&T (na overname van de financiering van [bestuurder 1] ) het op het rekening-courantkrediet van [kwekerij E] getrokken bedrag dezelfde dag aan Hareko heeft doorbetaald onder de omschrijving 'lening', gaat de rechtbank ervan uit dat W&T als het ware als een 'doorgeefluik' heeft gefungeerd en dat de bedoeling van W&T en Hareko was om het door W&T van het rekening-courantkrediet getrokken bedrag te lenen aan Hareko voor de exploitatie van de Erica-locaties. In dit verband acht de rechtbank van belang dat [bestuurder 1] ten tijde van de doorbetaling van het bedrag van € 420.000,00 door W&T aan Hareko zowel (indirect) bestuurder was van W&T als van het [concern A] . Uit de omschrijving 'lening' op het desbetreffende bankafschrift kan de wil van W&T en Hareko aldus genoegzaam worden afgeleid. Hareko heeft weliswaar betoogd dat er 'van alles had kunnen staan', maar doorslaggevend is hier - bij gebreke van aanwijzingen die op een andere bedoeling duiden - wat de daadwerkelijk gekozen bewoordingen in het kader van de overboeking waren. Daarmee is het bestaan van een overeenkomt van geldlening tussen W&T en Hareko naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan. 7.45. Voor wat betreft de vraag of de Akte schuldoverneming in de weg staat aan toewijzing van de vordering overweegt de rechtbank dat uit deze akte volgt, zoals W&T heeft aangevoerd, dat TFFG onder andere de verplichtingen van W&T jegens [kwekerij E] uit hoofde van een overeenkomst van geldlening (inclusief een financieringsfee) tussen laatstgenoemde partijen tot een bedrag van € 1.940.845,82 heeft overgenomen. Dit betrof een tegenprestatie voor de verplichtingen van TFFG jegens W&T (koopprijs, rente- en risicovergoeding en rente) uit hoofde van de Groninger Akte waarbij W&T de Erica-locaties aan TFFG heeft verkocht. W&T heeft hiervoor kwijting verleend aan TFFG. Hareko heeft niet gesteld dat in de Akte schuldoverneming, waarbij zij ook partij was, afspraken zijn gemaakt over háár rechtsverhouding tot W&T voor zover het de overeenkomst van geldlening betreft als bedoeld in r.o. 7.44. De met haar gemaakte afspraken zien, zo blijkt uit de Akte schuldoverneming, enkel op andere verplichtingen die haar aangingen (de borgstelling jegens [kwekerij E] ). Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat ondanks het overnemen van de hiervoor bedoelde betalingsverplichtingen van W&T jegens [kwekerij E] door TFFG, W&T nog steeds een opeisbare vordering op Hareko heeft voor zover het om de door haar verstrekte geldlening gaat. 7.46. Verder staat vast dat [bestuurder 1] en [kwekerij E] een rente van 5% per jaar over het rekening-courantkrediet zijn overeengekomen. Gelet daarop, alsmede op de overname van de financiering door W&T en op het feit dat W&T naar het oordeel van de rechtbank als 'doorgeefluik' ten aanzien van het in rekening-courantkrediet getrokken bedrag van € 420.000,00 voor Hareko heeft gefunctioneerd, acht de rechtbank de door W&T van Hareko gevorderde rente van 5% per jaar eveneens toewijsbaar. De rechtbank gaat er op grond van de door W&T gestelde en hiervoor geschetste omstandigheden namelijk van uit dat het tevens de bedoeling van W&T en Hareko was om de tussen [bestuurder 1] en [kwekerij E] overeengekomen rente door te belasten aan Hareko, een en ander conform de door W&T aan Hareko verzonden factuur van 28 april 2017 (zie r.o. 6.21). Hareko heeft deze bedoeling onvoldoende gemotiveerd weersproken. 7.47. Hareko betwist de door W&T gevorderde en bij verstek toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. Volgens Hareko heeft W&T deze kosten onvoldoende onderbouwd. W&T heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat zij een advocaat heeft moeten inschakelen die op haar kosten Hareko heeft gesommeerd, stukken heeft moeten bestuderen en contact heeft gehad met (de advocaat van) Hareko. W&T heeft in dit verband een sommatiebrief overgelegd van 13 februari 2018. 7.48. De rechtbank stelt vast dat W&T voldoende onderbouwd heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het verweer van Hareko dat W&T slechts één sommatiebrief heeft verzonden, kan Hareko niet baten. Het versturen van een enkele brief is voldoende voor het verschuldigd raken van buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. het beroep op verrekening door W&T 7.49. Zoals hiervoor vermeld heeft W&T een beroep gedaan op verrekening van het in reconventie toewijsbaar geachte bedrag van € 141.560,04 met haar vorderingen in conventie. Hareko gaat in haar vordering onder 6. ook uit van verrekening door W&T. Gelet op de toewijsbaarheid van de vorderingen van W&T in conventie, slaagt het beroep op verrekening door W&T. De rechtbank zal voornoemd bedrag in mindering brengen op de vordering onder I. Aldus is in beginsel toewijsbaar een bedrag van (€ 420.000,00 - € 141.560,04 + € 441.242,80 + € 11.618,87 + € 3.775,00 =) € 735.076,63, te vermeerderen met rente zoals hiervoor vermeld. Ten aanzien van het resterend toewijsbaar geachte bedrag in conventie heeft Hareko een beroep gedaan op verrekening met haar in reconventie ingestelde vordering tot vergoeding van de door haar geleden schade uit hoofde van het tekortschieten in de overeenkomst van opdracht door W&T, althans het onrechtmatig handelen van W&T. De beslissing op dit punt zal worden aangehouden totdat een beslissing over die vordering is gegeven. de conclusie in conventie en in oppositie 7.50. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank het verzet van Hareko tegen het jegens haar gewezen verstekvonnis van 18 april 2018 gegrond zal verklaren, de gevorderde ontheffing van de veroordelingen in voornoemd vonnis (gedeeltelijk) zal toewijzen en het vonnis in zoverre zal vernietigen. Opnieuw recht doende zijn in beginsel toewijsbaar de (oorspronkelijke) vorderingen van W&T (zoals weergegeven in r.o. 3.3 onder I. en IV) tot een bedrag van (€ 420.000,00 - € 141.560,04 + € 3.775,00 =) € 282.214,96, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per jaar over € 278.439,96 vanaf 17 maart 2017 tot aan de dag van volledige voldoening, tenzij voornoemd beroep van Hareko op verrekening slaagt. De na het verstekvonnis ingestelde vorderingen door W&T (zoals weergegeven in r.o. 3.3 onder II. en III.) zijn in beginsel eveneens toewijsbaar. Dit betreft een bedrag van in totaal (€ 441.242,80 + € 11.618,87 =) € 452.861,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018 tot aan de dag van volledige voldoening, tenzij het beroep van Hareko op verrekening slaagt. 8Vervolg van de feiten 8.1. Via W&T factureerde [bestuurder 1] een managementvergoeding aan [beheer A] . De omschrijving op de facturen was 'advieskosten [bestuurder 1] '. Binnen W&T werd loonbelasting afgedragen voor [bestuurder 1] . [bestuurder 1] stond niet bij [beheer A] (of een andere vennootschap binnen het [concern A] ) op de loonlijst. 8.2. [bestuurder 1] heeft als bestuurder van [beheer A] op enig moment besloten om 2e klasse producten (komkommers, tomaten, paprika's et cetera die geschikt zijn voor consumptie maar die afwijkingen in bijvoorbeeld vorm, kleur en ontwikkeling vertonen), daar waar mogelijk, te verkopen. Deze producten werden bij de oogst gesorteerd en gescheiden van de 1e klasse producten. 8.3. In 2015 heeft [bestuurder 1] gebruik gemaakt van de inkeerregeling van de Belastingdienst, in verband met door hem in Oostenrijk gehouden vermogen dat hij voor de Belastingdienst heeft verzwegen. Hierbij is overeengekomen dat de verzwegen verdiensten die zijn gestort in de periode 2003 tot en met 2009 moeten worden toegerekend aan de jaren 2003 tot en met 2007 en dat aldus een bedrag van in totaal € 770.500,00 alsnog aan inkomstenbelasting moet worden betaald. In de 'Vaststellingsovereenkomst vrijwillige verbetering' die [bestuurder 1] in 2015 met de Belastingdienst heeft gesloten heeft hij ( [bestuurder 1] ) over de herkomst van voornoemd vermogen verklaard: (…) is afkomstig van binnenlandse handel in groente en fruit voor eigen rekening en risico (inkoop van derden, verkoop aan derden). Deze activiteiten zijn gestart in de jaren '90/'91 en gestaakt omstreeks 2007. (…). 8.4. In een memo van de Belastingdienst met de titel 'Gespreksverslag inzake inkeerverzoek [bestuurder 1] ' van 1 december 2015 staat vermeld: • Wanneer bent u begonnen en wanneer bent u gestopt (en waarom)? [bestuurder 1] : de activiteiten zijn gestart in de jaren '90 /'91 en gestaakt omstreeks 2007. (…) De reden van stoppen waren privéomstandigheden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.