vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/166963 / HA ZA 19-102 Vonnis van 20 mei 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TEAM FREIGHT FORWARDING & LOGISTICS B.V., gevestigd te Heerenveen, hierna te noemen TFF, eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. D.F.W. Schalkwijk te Leeuwarden, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen [A] , gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. O.A. van Oorschot te Leeuwarden. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 17 juli 2019, de akte tot rectificatie in conventie, tevens houdende akte wijziging van eis in reconventie, de aanvullende producties van TFF, die voorafgaand aan de aanvankelijk op 16 oktober 2019 geplande comparitie naar de rechtbank zijn gestuurd, de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, het proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2020, - de weigering van de rechtbank om de akte "incidentele vordering tot inzage, althans afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv" door [A] te laten nemen, de akte overlegging producties, tevens houdende akte vermindering van eis, van TFF, de antwoordakte van [A] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten in conventie en in reconventie 2.1. [A] houdt zich bezig met het verzorgen van de visuele aspecten van (zeer) grote festivals en andere grote evenementen. Zij opereert wereldwijd. [A] besteedt het vervoer van haar apparatuur uit aan derden. 2.2. [A] heeft op enig moment van Qatar Foundation International LCC opdracht gekregen om op een zestal data in 2019 een zeer professionele set-up te verzorgen ten behoeve van de "Doha Debates" (hierna ook te noemen: de shows) in Doha (Qatar), Edinburgh (Schotland) en Kaapstad (Zuid-Afrika). In het contract staat dat de eerste show in Doha plaatsvindt op 26 februari 2019. 2.3. [A] heeft een overzicht gemaakt ("Production schedule Doha Debates 2019", verder: "Production schedule") met daarin vermeld het tijdschema per show. Voor wat betreft de eerste show in Doha is in het schema vermeld dat de containers op 19 februari 2019 op de set moeten arriveren, de opbouw (de rechtbank leest) van 19 tot en met 23 februari 2019 moet gebeuren en dat de show op 26 februari 2019 plaatsvindt. 2.4. Een toenmalig medeweker van [A] , [B] (hierna: [B] ), hield zich destijds bij [A] bezig met de logistiek en de budgettering daarvan. Hij heeft bij brief van 17 oktober 2018 zijn dienstverband bij [A] met ingang van 1 januari 2019 opgezegd omdat hij per die datum een baan bij TFF had aanvaard. 2.5. [B] heeft op verzoek van een toenmalige collega [C] , verder te noemen: [C] ) op 1 november 2018 tarieven opgevraagd bij QSP Logistics (verder: QSP) voor het (doen) vervoeren van tien zeecontainers met apparatuur ten behoeve van de "Doha Debates" (inclusief het retourvervoer naar Nederland na afsluiting van de shows). QSP heeft vervolgens een offerte uitgebracht. 2.6. [C] heeft op 6 december 2018 per e-mail een Excel-bestand aan [B] gestuurd met daarin het budget van [A] . Dit budget was (mede) gebaseerd op de offerte van QSP, vermeerderd met 25% marge voor eventuele tegenvallers. [C] heeft [B] verzocht om deze marge te bewaken. 2.7. [B] heeft vervolgens een offerte opgevraagd bij TFF. Hij heeft daarbij (in ieder geval) de tarieven doorgegeven van QSP en gevraagd of TFF het zeevervoer voor hetzelfde bedrag of goedkoper kon uitvoeren. Hij heeft hierbij het "Production schedule" aan TFF ter beschikking gesteld. 2.8. [D] , technisch producent in dienst van [A] , heeft per e-mail enkele vragen aan [B] gesteld over het transport naar Doha. Hij heeft onder meer de vraag gesteld: Welke forwarder gebruik je en wie verzorgd laden en lossen [B] heeft per e-mail van 11 december 2018 hierop geantwoord: TFF Logistics, Heerenveen. Laden en lossen moet gedaan worden door Unbranded en [A] in [vestigingsplaats] en Hilversum. 2.9. [B] en een medewerker van TFF hebben op 13 december 2018 over het vervoer naar Doha per schip met elkaar gemaild. TFF heeft een aantal tijdstippen voorgesteld van afvaarten van vervoerder Maersk. In één van de e-mails van TFF van die dag is - voor zover hier van belang - vermeld: (…) Maersk heeft een behoorlijke toeslag voor shippers owned containers, maar we komen nog weg met het budget. Ik denk dat de afvaart van 19 Januari de beste is dan hebben ze in Hilversum nog wat meer lucht? Aankomst is dan 11 februari. Als jij het goed vindt gaan we 12 containers boeken voor de afvaart van de 19e. [B] heeft hierop namens [A] akkoord gegeven. 2.10. Na 13 december 2018 is door partijen gekozen voor een eerdere afvaart (12 januari 2019 vanuit Rotterdam). Volgens de planning zou de vracht aldus - met een overslag in Salalah (Oman) - op 4 februari 2019 aankomen in Doha. Vanuit Salalah gaat er één keer per week een vaart naar Doha. 2.11. Onder de e-mails van TFF (ook op die van 13 december 2018) is standaard opgenomen: "Op al onze werkzaamheden zijn van toepassing de Nederlandse Expeditievoorwaarden […]" (hierna mede te noemen: FENEX-voorwaarden). In deze voorwaarden is onder meer bepaald: (…) Artikel 11. Aansprakelijkheid (…) 2. De Expediteur is - onverminderd het bepaalde in artikel 17 - niet aansprakelijk voor enige schade, tenzij de Opdrachtgever bewijst dat de schade is ontstaan door schuld of nalatigheid van de Expediteur of diens ondergeschikten. (…) 5. De Expediteur is nimmer aansprakelijk voor gederfde winst, gevolgschade en immateriële schade hoe ook ontstaan. (…) Artikel 15. Betalingsvoorwaarden (…) 10. Beroep op verrekening van vorderingen tot betaling van vergoedingen voortvloeiend uit de Overeenkomst, van het uit anderen hoofde ter zake van de Diensten door de Opdrachtgever verschuldigde of van verdere op de Zaken drukkende kosten, met vorderingen van de Opdrachtgever of opschorting van voormelde vorderingen door Opdrachtgever is niet toegestaan. Artikel 16. Toerekening betalingen en rechtelijke-buitengerechtelijke kosten (…) 2. De Expediteur is gerechtigd om buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten ter incasso van de vordering aan de Opdrachtgever in rekening te brengen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd vanaf het moment dat de Opdrachtgever in verzuim is en bedragen 10% van de vordering met een minimum van € 100,-. (…). 2.12. Tussen 7 en 11 januari 2019 heeft [B] (inmiddels in dienst van TFF) met medewerkers van [A] gemaild over de tarieven voor het vervoer per lucht, zee en land ten behoeve van de show in Doha. Daarbij is onder meer aan de orde geweest dat de tarieven afweken ten opzichte van wat eerder door TFF was opgegeven. [B] heeft hierop desgevraagd een toelichting gegeven en daarbij onder meer vermeld dat de eerdere tarieven waren gebaseerd op meer containers per schip en minder luchtvracht en op veel minder gewicht (2.500 kg, wat inmiddels 9.000 kg was geworden). 2.13. Bij e-mail van 10 januari 2019 heeft [B] aan [A] geschreven dat de kosten voor de opslag in Doha voor twee maanden € 3.445,00 per container bedragen, inclusief het gebruik van de kraan en de manuren van de machinist. [B] heeft hieraan toegevoegd dat de kosten van opslag één op één doorberekend zullen worden aan [A] . 2.14. De containers zijn door chauffeurs van [E] B.V. tijdig afgeleverd in de haven van Rotterdam. De containers zijn echter niet aan boord gebracht van het geboekte schip als gevolg van problemen bij de douane. In een "Statement of facts" van NWS Shipping - het bedrijf dat de boeking bij Maersk heeft gedaan - van 12 februari 2019 is hierover vermeld: Dear Customer, Please take note of below statement of facts for shipment 606251687. We will create a time frame so you can check exactly what happened. On 9-01 containers were delivered on the terminal in Rotterdam. As per information of TFF the ATA CARNETS were also delivered at this time towards the terminal. On 12-01 we received a message from Maersk mentioning that the full shipment was rolled bij Maersk due to custom restrictions. At this point the hard copy's of the ATA CARNETS where missing at the terminal. Een ATA-carnet (hierna ook te noemen: carnet) is een internationaal douanedocument. 2.15. Bij e-mail van 14 januari 2019 heeft [F] van TFF aan [G] , werkzaam bij [E] B.V., geschreven: We hebben een probleem met de 8 containers in Rotterdam ze hebben de aansluiting gemist met als reden dat ze de kopieen Carnet niet hadden. deze heb ik nog naar jullie depot gebracht in de Botlek zodat de chauffeur deze konden indienen. Is dat gedaan en zo ja heb je daar ook bewijs van? (…) [G] voornoemd heeft daarop geantwoord dat de kopieën "zijn meegegaan naar de APM". 2.16. TFF heeft op 14 januari 2019 (ook) van NWS Shipping het bericht ontvangen dat de containers niet mee zijn gegaan met de vaart van 12 januari 2019. Zij heeft vervolgens georganiseerd dat de containers aan boord konden van een schip dat op 18 januari 2019 vanuit Antwerpen (België) zou vertrekken. 2.17. Laatstbedoeld schip is op 7 februari 2019 in Salalah aangekomen. De containers zouden daar worden gelost en worden overgebracht naar een schip dat op 9 februari 2019 uit Salalah zou vertrekken en op 11 februari 2019 in Doha zou arriveren. Dit is echter niet gebeurd door een interne fout bij Maersk. 2.18. [A] heeft op 10 februari 2019 een e-mail ontvangen van een medewerker van de Qatar Foundation International LCC met de volgende inhoud: According to Nasser, ISS had informed him that there's a delay in getting the containers to Doha. They wil now arrive on the 18th. 2.19. Er zijn vervolgens tussen [A] ( [A] ) en TFF ( [B] ) op 10 februari 2019 meerdere e-mails gewisseld over deze vertraging, met onder andere de volgende inhoud: - om 12:37 uur ( [A] aan TFF): Volgens [D] zouden deze containers al op de 4de aankomen?? (…) Hoe kan het zijn dat we een week later met deze shit worden geconfronteerd? (…) - om 13:18 uur (TFF aan [A] ): Destijds is met [H] besproken dat de containers een week vertraging hadden en op 11-2 zouden aankomen. (…) - om 13:51 uur ( [A] aan TFF): Niemand is bij ons op de hoogte dat de 4de de 11de was geworden. - om 13.54 uur (TFF aan [A] ): Vanaf het begin hebben we rekening gehouden met eventuele vertragingen door 14 dagen speling te houden op de afleverdatum. Helaas ging het in Rotterdam meteen al mis, waardoor de containers niet mee gingen op het schip. We hebben toen meteen de containers naar Antwerpen laten vervoeren om 2 dagen later alsnog met een ander schip naar Qatar te gaan. Hierdoor was de ETA dus 11-2. Dit is destijds telefonisch besproken. Tot vanochtend leek dit allemaal volgens plan te gaan. - om 13:56 uur ( [A] aan TFF): Waar is de boot nu?(…) Hoe zeker zijn we dat het de 18de aankomt? - om 14:15 uur (TFF aan [A] ): Dat is dus het probleem, we hebben nog geen terugkoppeling waar het mis gaat. Container zou op 7-2 gelost worden in Salalah, Oman en daarop 9-2 op de boot gaan die naar Doha, Qatar vaart. Die boot naar Qatar is onderweg en komt de 11e aan. (…) dus waarschijnlijk is de container gister niet over geladen op het andere schip. 2.20. De luchtvrachtzending is op 12 februari 2019 aangekomen op de luchthaven van Doha. De douane heeft vervolgens aangegeven dat de carnets niet bij de vracht aanwezig waren. [A] heeft hiervoor duplicaten aangevraagd. De carnets bleken achteraf (enkele dagen later) wel met de vracht meegekomen te zijn, althans aanwezig te zijn op de luchthaven. 2.21. [A] heeft bij TFF een offerte opgevraagd voor een extra luchtvrachtzending naar Doha en op 13 februari 2019 ingestemd met de aangeboden prijzen voor dit transport. Dit transport is met priority op 14 februari 2019 door Turkish Airlines uitgevoerd. Partijen zijn een prijs overeengekomen van € 6,45 per kg, inclusief een toeslag van € 1,70 per kg vanwege de overeengekomen priority. 2.22. [A] heeft extra personeel naar het opbouwterrein in Doha gestuurd. 2.23. De zeevracht is op 19 februari 2019 in de haven van Doha aangekomen. De douane was niet bereid om op die dag de containers al vrij te geven. De containers zijn op 20 februari 2019 afgeleverd op de plek van bestemming in Doha. 2.24. [A] is op 20 februari 2019 begonnen met de opbouw van (haar deel van) de set. Ondanks de opgetreden vertraging is het haar gelukt om haar verplichtingen jegens Qatar Foundation International LCC na te komen. 2.25. Partijen hebben overleg gehad over een eventueel vervolg van de samenwerking ten aanzien van de "Doha Debates" en daarbij over prijzen gesproken. Hierbij zijn zij niet tot overeenstemming gekomen. 2.26. [A] heeft de (overeengekomen dan wel geoffreerde prijzen) van TFF voorgelegd aan Sound Move Inc. en om een reactie gevraagd. Dit bedrijf heeft in een e-mail van 21 februari 2019 een aantal prijzen vermeld en heeft afgesloten met de opmerking: They seem VERY expensive who on earth is it?? 2.27. TFF heeft [A] facturen gestuurd die deels onbetaald zijn gebleven. Onbetaald zijn gebleven: Factuurnummer Factuurdatum Factuurbedrag 1891435 23-02-2019 46.008,50 1891437 23-02-2019 12.625,50 1891468 26-02-2019 4.418,60 1891733 11-03-2019 6.442,35 totaal 69.594,95 Deze facturen hebben betrekking op luchtvracht van "Sint Annaparochie naar Doha" en van "Doha naar Sint Annaparochie". Op de facturen staat vermeld: "Graag betaling binnen 30 dagen." 2.28. [A] heeft TFF bij brief van 30 maart 2019 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij naar haar zeggen door toedoen van TFF heeft geleden. 2.29. TFF heeft daarop gereageerd bij brief van 5 april 2019. TFF heeft in die brief aangegeven dat [A] in verzuim is voor wat betreft de reeds verstreken betalingstermijnen en haar de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. 2.30. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op verzoek van TFF op 19 april 2019 verlof verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van [A] voor een bedrag van € 80.000,-. 3De vordering in conventie 3.1. TFF vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [A] veroordeelt om aan TFF te betalen een bedrag van € 69.594,95, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.278,28, en beide te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 5 april 2019, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; [A] veroordeelt in de kosten van deze procedure met inbegrip van de beslagkosten ten bedrage van € 2.078,79, het salaris van de advocaat en tot betaling van de nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en - zo zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoet - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn. 3.2. [A] heeft verweer gevoerd en concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van TFF in haar vorderingen, althans tot partiële verrekening van de vorderingen van TFF met de vorderingen van [A] tot een bedrag van € 69.594,95 op grond waarvan TFF in deze procedure geen enkel bedrag te vorderen heeft van [A] en subsidiair tot matiging van de vorderingen van TFF, met veroordeling van TFF in de kosten van het geding. 3.3. TFF heeft tijdens en na de comparitie haar eis verminderd tot een bedrag van (uiteindelijk) € 62.782,86. 3.4. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. in reconventie 3.5. [A] vordert - na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair voor recht verklaart dat in verband met de onjuiste toepassing van artikel 6:233 sub a en b BW, de algemene voorwaarden aan de zijde van TFF worden vernietigd, in het bijzonder de artikelen 8 en 11 van deze voorwaarden, waar in artikel 11 de beperking van een aansprakelijkheid is genoemd; TFF veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 75.685,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, dit in geval het primaire beroep van [A] op verrekening in conventie wordt toegestaan; TFF gebiedt binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het gelegde conservatoire beslag op te heffen, bij gebreke waarvan TFF een eenmalige dwangsom verbeurt van € 75.000,00; Subsidiair 4. voor recht verklaart dat de algemene voorwaarden van TFF, althans haar beroep op artikel 8 en 11 van deze voorwaarden, zijnde onder andere de exoneratie van aansprakelijkheid, wordt vernietigd, daar dit in de onderhavige casus in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, ten gevolge waarvan er geen beperking van aansprakelijkheid is aan de zijde van TFF; 5. TFF veroordeelt tot betaling van een bedrag aan [A] van € 145.280,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding; Meer subsidiair 6. TFF veroordeelt tot betaling van een bedrag in goede justitie door de rechtbank te bepalen, dit ten gevolge van de door haar gepleegde onrechtmatige daad althans toerekenbare tekortkoming, dit alles ten titel van schade die door [A] is geleden; met veroordeling van TFF in alle kosten van dit geding. 3.6. TFF heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [A] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen. 3.7. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie 4.1. [A] heeft in de kop van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, vermeld dat het om een voorwaardelijke eis in reconventie zou gaan. Uit deze conclusie valt echter niet af te leiden dat het daadwerkelijk om een voorwaardelijke vordering zou gaan en, indien dat al anders zou zijn, onder welke voorwaarde de vordering is ingesteld. De rechtbank houdt het er daarom voor dat door [A] is beoogd om een onvoorwaardelijke vordering in te stellen, die direct samenhangt met het verweer tegen de vordering in conventie. 4.2. De rechtbank ziet vanwege de nauwe samenhang tussen conventie en reconventie aanleiding om de stellingen en verweren hierna zoveel mogelijk gezamenlijk te beoordelen. 4.3. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld hoe de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd moet worden. Volgens TFF is sprake geweest van expeditie in enge zin (ofwel doen vervoeren), terwijl [A] zich op het standpunt stelt dat partijen een vervoersovereenkomst hebben gesloten. Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst in ieder geval niet inhield dat TFF zich jegens [A] had verbonden om de apparatuur zelf te vervoeren. In de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, heeft [A] immers gesteld dat TFF derden inschakelt voor het vervoer. Het vervoer is feitelijk ook door derden uitgevoerd. De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht ten aanzien van de vraag of de opgedragen werkzaamheden als expeditie kunnen worden aangemerkt op TFF ligt, nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Het antwoord op deze vraag moet worden gevonden in de uitleg van de gesloten overeenkomst, waarbij het aankomt op de zin die de partijen bij de overeenkomst onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. 4.4. TFF heeft gesteld dat zij expediteur is. Dat kon voor [A] ook duidelijk zijn nu dit uit haar naam (Team Freight Forwarder, onderstreping rechtbank) volgt en ook uit de verwijzing naar de FENEX-voorwaarden onder al haar e-mails aan [A] . Zij heeft enkel de verplichting op zich genomen om het materiaal van [A] te doen vervoeren. Ook QSP, die eerder door [A] was benaderd, is (slechts) een expediteur. Dat [A] destijds ook heeft begrepen dat TFF alleen als expediteur zou optreden blijkt bovendien uit de e-mail van 11 december 2018 van [B] aan zijn toenmalige collega [D] , nu hij daarin op de vraag van [D] "Welke forwarder gebruik je" heeft geantwoord "TFF Logistics (…)", aldus nog steeds TFF. [A] heeft op haar beurt gesteld dat "nergens uit blijkt" dat TTF expediteur is. Nu een schriftelijke overeenkomst ontbreekt en het woord "expediteur" niet op de facturen staat vermeld is TFF volgens [A] opgetreden als vervoerder. De rechtbank stelt vast dat partijen in de e-mails rond de totstandkoming van de overeenkomst geen aandacht hebben besteed aan de vraag of TFF enkel belast zou worden met de organisatie van het vervoer of dat zij op zich zou nemen om de materialen te (laten) vervoeren. Gelet echter op de naam van TFF en de standaard-verwijzing naar de FENEX-voorwaarden onder de e-mails van TFF presenteert TFF zich als expediteur. Uit de hiervoor bedoelde e-mail van [B] aan [D] blijkt dat [B] , die destijds de overeenkomst namens [A] met TFF heeft gesloten, daar kennelijk ook van is uitgegaan. TFF heeft aldus voldoende onderbouwd gesteld dat zij zich als expediteur jegens [A] heeft gepresenteerd en dat [A] dit destijds ook zo heeft begrepen. De enkele omstandigheid dat partijen niet een contract hebben opgesteld en het woord "expediteur" op de facturen als zodanig niet voorkomt is een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van TFF op dit punt. Terzijde wordt overwogen dat uit de latere opdrachten niet blijkt dat de aard van de overeenkomst nadien van kleur is verschoten, in die zin dat in zoverre wel sprake zou zijn van een vervoersovereenkomst. Bij de verdere beoordeling in deze zaak neemt de rechtbank dan ook als vaststaand aan dat sprake is van een expeditie-overeenkomst, ofwel dat TFF zich als logistiek tussenpersoon heeft verbonden tot het ten behoeve van [A] met een vervoerder sluiten van een of meer overeenkomsten van vervoer. Dit brengt mee dat TFF slechts aansprakelijk kan zijn indien zij toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de expeditie-overeenkomst. Voor fouten die zijn begaan door de vervoerders kan TFF niet worden aangesproken. 4.5. Volgens TFF zijn op deze overeenkomst de FENEX-voorwaarden van toepassing omdat een verwijzing naar deze voorwaarden onder alle e-mails is opgenomen die betrekking hebben op de totstandkoming van de overeenkomst en de latere extra opdracht(en). Volgens [A] zijn deze voorwaarden niet van toepassing omdat er geen sprake is geweest van een offerte en/of schriftelijke overeenkomst voorzien van handtekeningen, waarin de toepasselijkheid van de FENEX-voorwaarden wordt vermeld. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van [A] zoals hiervoor vermeld geen steun vindt in het recht. TFF heeft terecht gesteld dat deze voorwaarden via aanbod en (stilzwijgende) aanvaarding deel zijn gaan uitmaken van de overeenkomst tussen partijen. [A] heeft immers destijds niet afwijzend gereageerd op de vermelding dat de FENEX-voorwaarden van toepassing zijn op de aangeboden diensten van TFF. 4.6. Het standpunt van [A] komt er verder kennelijk op neer dat de voorwaarden ook niet van toepassing zijn omdat volgens haar sprake is geweest van een vervoersovereenkomst in plaats van een expeditie-overeenkomst. Dit verweer is hiervoor al besproken en verworpen. 4.7. Voor zover door [A] een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van (een beding
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.