RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rekestnummers: C/18/192342 / FA RK 19-1451 en C/18/192431 / FA RK 19/148 beschikking van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2020 in de zaken van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Noord-Nederland, locatie Groningen, die hierna "de Raad" wordt genoemd, die betrekking hebben op: [minderjarige 1] die geboren is op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , en die hierna " [minderjarige 1] " wordt genoemd, en [minderjarige 2] , die geboren is op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , en die hierna " [minderjarige 2] " wordt genoemd. De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [belanghebbende 1] die gedetineerd is in Leeuwarden, en die hierna "de vader" wordt genoemd, advocaat: mr. A. Atema, die kantoor houdt in Groningen, en de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, die kantoor houdt in Groningen, en die hierna "de GI" wordt genoemd, en [belanghebbende 2] , die wonen in [woonplaats] , en die hierna "de pleegouders" worden genoemd, en mr. J. Doornbos q.q., die kantoor houdt in Groningen, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en die hierna "de bijzondere curator" wordt genoemd. Het procesverloop Op 29 mei en 5 juni 2019 heeft de rechtbank verzoekschriften van de Raad ontvangen. Daarin verzoekt de Raad de rechtbank, verkort weergegeven, het gezag van de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen, de GI tot voogd over hen te benoemen en om aan de vader het recht op omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te ontzeggen. Op 10 januari 2020 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 1] en de heer [vertegenwoordiger van de raad 2] , die de Raad vertegenwoordigen, de vader, zijn advocaat, de bijzondere curator en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] , die de GI vertegenwoordigen. De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, ter zitting niet verschenen. Tenslotte is bepaald dat vandaag deze beschikking zal worden gegeven. De feiten De rechtbank kan bij de beoordeling van de verzoeken van de Raad uitgaan van de volgende feiten. Uit het huwelijk van de vader en [naam] (hierna: "de moeder") zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Op 28 februari 2019 zijn de moeder en het nog ongeboren maar wel levensvatbare kind van de vader en de moeder, overleden. Op 17 september 2019 is de vader door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar voor het opzettelijk van het leven beroven van de moeder en haar ongeboren kind. De rechtbank heeft in het strafvonnis overwogen dat de vader volledig toerekeningsvatbaar is. De vader is in hoger beroep gekomen tegen het strafvonnis. Ter zitting heeft de vader verklaard dat dit hoger beroep is ingesteld, omdat hij het niet eens is met de aan hem opgelegde straf en in samenhang daarmee, het oordeel dat hij volledig toerekeningsvatbaar is. Bij beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2019 is door toepassing van art. 1:241 BW, de vader in de uitoefening van het gezag geschorst en is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank heeft in deze beschikking verder bepaald dat de schorsing in de uitoefening van het gezag op 1 juni 2019 vervalt, tenzij de Raad voor het einde van de termijn om beëindiging van het gezag van de vader verzoekt. De Raad heeft tijdig om beëindiging van het gezag van de vader verzocht. Bij beschikking van 12 juni 2019 heeft deze rechtbank in verband met de toepassing van art. 1:250 lid 2 BW, mr. J. Doornbos benoemd tot bijzondere curator over de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de pleegouders. Er is sprake van een netwerkplaatsing. De pleegvader is de broer van de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek en het verweer De Raad verzoekt de rechtbank om het gezag van de vader te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen. De Raad verzoekt de rechtbank ook om het recht op omgang aan de vader te ontzeggen. Daartoe stelt de Raad, samengevat weergegeven, dat uit het onderzoeksrapport van de Raad blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en dat de vader niet in staat is om binnen een voor hen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid te nemen voor hun verzorging en opvoeding. De Raad stelt dat het, in het licht van de in dit verband in het onderzoeksrapport uiteengezette feiten en omstandigheden, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is als niet de pleegouders, maar de GI tot voogd wordt benoemd. De Raad voert verder aan dat in het licht van de in het onderzoeksrapport naar voren gebrachte feiten en omstandigheden aan de vader het recht op omgang moet worden ontzegd. De Raad heeft verder aangevoerd dat hij geen concrete termijn aan de ontzegging kan verbinden, omdat daarvoor nader deskundig onderzoek nodig is. De Raad heeft ter zitting aangevoerd dat met de ontzegging wordt beoogd te voorkomen dat de vader contact met de kinderen kan afdwingen, zonder dat dit naar het oordeel van de betrokken en deskundige hulpverleners voor hen verantwoord is. Door en namens de vader is ter zitting een verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van de verzoeken van de Raad. Op wat aan de verzoeken en het verweer ten grondslag is gelegd wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De beoordeling Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om de vraag of het gezag van de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden beëindigd, de GI tot voogd over hen moet worden benoemd en of aan de vader het recht op omgang met zijn kinderen moet worden ontzegd. De rechtbank overweegt als volgt. Door het overlijden van de moeder oefent de vader van rechtswege het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (art. 1:253f BW). Beëindiging van dat gezag van de vader is mogelijk als blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de vader niet in staat is binnen een voor de leeftijd en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, één en ander zoals bedoeld in art. 1:266 BW. Uit de stukken en de behandeling ter zitting kan worden afgeleid dat de vader en de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voordat de moeder om het leven kwam, een stabiel en veilig (genoeg) opvoedingsklimaat hebben geboden. Met het overlijden van de moeder is dit veranderd. Op 17 september 2019 heeft deze rechtbank de vader veroordeeld, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de levensberoving van de moeder en haar ongeboren kind. De vader heeft desgevraagd verklaard dat hij tegen dat vonnis in hoger beroep is gekomen, omdat hij het niet eens is met de hem opgelegde straf en het oordeel van de strafrechter dat hij volledig toerekeningsvatbaar is. De vader heeft desgevraagd ook verklaard dat de rechtbank bij de beoordeling van de verzoeken in de voorliggende zaak kan uitgaan van de juistheid van wat de rechtbank in het strafvonnis heeft overwogen. De rechtbank zal daarom voor wat betreft de toedracht van de doodslag uitgaan van wat blijkt uit het strafvonnis en wat aan de vader ter zitting ook in zoveel woorden is voorgehouden. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat voor de vader niet méér nodig was om de moeder van zijn kinderen en zijn ongeboren kind van het leven te beroven, dan een woordenwisseling over een in zijn visie ongepaste opmerking van de moeder. Het is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak daarbij niet van belang of de vader al dan niet toerekeningsvatbaar was. Ook als in hoger beroep wel wordt aangenomen dat de vader niet of verminderd toerekeningsvatbaar was, blijft het immers een gegeven dat de vader zich om de hiervoor genoemde redenen schuldig heeft gemaakt aan het doden van de moeder van zijn kinderen en zijn nog ongeboren kind. Voor zover ter zitting tot het verweer is aangevoerd dat de vraag of de vader uiteindelijk ontoerekeningsvatbaar is wel van belang is, omdat dan een aanzienlijk kortere straf kan worden opgelegd, gaat de rechtbank aan dat onderdeel van het verweer voorbij. Daarvoor is het navolgende redengevend. Daargelaten dat ten aanzien van dit aspect de uitkomst van het hoger beroep een onzekere toekomstige omstandigheid is, zijn tot het verweer geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat wanneer zou worden geoordeeld dat de vader niet (volledig) toerekeningsvatbaar wordt bevonden, hij binnen afzienbare termijn weer in vrijheid wordt gesteld. Voor zover ter zitting is aangevoerd dat dit wellicht binnen twee jaar het geval kan zijn, mist het verweer iedere relevante onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat het geen betoog nodig heeft dat de vader door de moeder van zijn kinderen te doden niet in staat kan worden geacht een veilige opvoedingssituatie aan zijn kinderen te bieden. Hij heeft door het doden van de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun moeder ontnomen, hen daardoor onvoorstelbaar veel leed toegevoegd, veroorzaakt dat zij abrupt zijn weggehaald uit de hen vertrouwde opvoedingsomgeving en dat hun perspectief moet worden gevonden in een pleeggezin. Tot het verweer zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd en die zijn de rechtbank ook overigens niet gebleken, waaruit het waarschijnlijk kan worden geacht dat de vader binnen een termijn van meerdere jaren in staat is de in art. 1:247 lid 2 BW bedoelde opvoedingsverantwoordelijkheid te dragen. Het laat zich aanzien dat hij in ieder geval jaren gedetineerd zal blijven. Voor zover de rechtbank uitgaat van de door de vader gewilde uitkomst van een hoger beroep dat de vader ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, moet in overweging worden genomen dat het hof alleen tot dat oordeel komen als ingevolge art. 39 Sr. is vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de vader. Dat oordeel verhoudt zich niet met het zoeken en tijdig kunnen vinden van opvoedingsperspectief bij de vader. De rechtbank komt op grond van een en ander tot de tussenconclusie dat zowel wanneer ervan moet worden uitgegaan dat de vader volledig toerekeningsvatbaar is als in het geval dat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is, er de komende jaren geen reëel perspectief bij de vader kan worden gevonden. Tot het verweer is verder aangevoerd dat de rechtbank de behandeling en beslissing zou moeten aanhouden gelet op de mogelijke andere uitkomst in het hoger beroep. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de voorliggende verzoeken (de uitkomst van) het hoger beroep van marginale betekenis is. De rechtbank beoordeelt de verzoeken van de Raad aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Een van die omstandigheden is het recht en het belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] er op hebben dat de onzekerheid met betrekking tot de vraag waar zij hun definitieve opvoedingsplek zullen krijgen, niet onaanvaardbaar lang is. Daarbij is een gezichtspunt dat [minderjarige 1] , die nu vijf jaar oud is, en [minderjarige 2] , die nu nog geen twee jaar oud is, jonge kinderen zijn en de aanvaardbare termijn voor jonge kinderen over het algemeen korter zal zijn dan voor oudere kinderen (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.