RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/730030-20 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 24/004664-18 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte Peter [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] , thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden te Leeuwarden. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 juni 2020. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, in of uit een bedrijfspand, gelegen aan of bij [adres] , goederen en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; subsidiair hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in of uit een bedrijfspand, gelegen aan of bij de [adres] , goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers is verdachte binnen gekomen door een deur en/of een ruit te vernielen en/of (vervolgens) heeft verdachte meerdere plaatsen/ruimtes binnen het gebouw doorzocht en/of meerdere lades en/of kasten doorzocht en/of zoekend rondgekeken met behulp van een zaklamp en/of een breekijzer tussen/in een deur(kozijn) heeft gestoken en/of een fiets in de laadbak van een in die loods geparkeerde auto heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2020 tot en met 27 februari 020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, een elektrische (dames)fiets (goudkleurig) en/of een hamer en/of een tang en/of een (zwarte) werkjas en/of een paar (zwarte) werkschoenen en/of een autosleutel (Opel), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; 3. primair hij op of omstreeks 26 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, om (ongeveer) 22.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij de [adres] , geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; subsidiair hij op of omstreeks 26 februari 2020 te Deinum, gemeente Waadhoeke, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (ongeveer) 22.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij de [adres] , geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft verdachte een deur en/of een deurkozijn en/of een ruit vernield en/of (vervolgens) heeft verdachte meerdere ruimtes en/of lades en/of kasten doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4. hij op of omstreeks 27 februari 2020, te of bij Deinum, (althans) in de gemeente Waadhoeke, om (ongeveer) 01.50 uur, en elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in of uit een woning, gelegen aan of bij [adres] , een telefoon (merk Samsung type A40) en/of een portemonnee met daarin onder meer pasjes (te weten: creditcard ANWB en/of een Rabobank bankpas) en/of een hoeveelheid geld (Deense kronen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming; 5. primair hij op of omstreeks 20 februari 2020, te of bij Twijzelerheide, althans in de gemeente Achtkarspelen en/of te of bij Noardburgum, althans in de gemeente Tytsjerksteradiel, een (personen)auto (merk Volkswagen type Golf kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en/of valse sleutel, door met de, uit de middenconsole van die auto, weggenomen sleutel, de auto (vervolgens) te starten en weg te rijden, en/of een laptop (merk HP Probook) en/of een voicerecorder (merk Olympus), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] en/of het [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen laptop en/of voicerecorder onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming; subsidiair hij op of omstreeks 20 februari 2020, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in het arrondissement Noord Nederland, een goed te weten een (personen)auto (merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kentekennummer] ) en/of een voicerecorder (merk Olympus) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; 6. primair hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2020 tot en met 25 februari 2020, te of bij Suwâld, (althans) in de gemeente Tytsjerksteradiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen van verdachte gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte, een ruit van een auto ingegooid teneinde toegang tot die auto te krijgen en/of heeft hij, verdachte, lades doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2020 tot en met 25 februari 2020, te of bij Suwâld, (althans) in de gemeente Tytsjerksteradiel, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (Mercedes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de feiten 1. primair en 3. primair. Ten aanzien van de feiten 1. subsidiair, 2., 3. subsidiair, 4., 5. primair en 6. primair heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft overeenkomstig de inhoud van haar pleitnota het volgende betoogd. Ten aanzien van feit 1. primair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Aangever [slachtoffer 1] heeft aangegeven dat hij geen goederen mist, wel zou hij grote schade aan zijn gebouw hebben. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging inbraak kan een veroordeling volgen. Ten aanzien van feit 2. kan een veroordeling volgen voor diefstal met braak met uitzondering van de autosleutel. Ten aanzien van feit 3. dient voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak te volgen. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde aangevoerd dat aangever [slachtoffer 3] heeft aangegeven dat hij geen goederen mist. Van een voltooide inbraak kan dus geen sprake zijn. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging inbraak heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dit feit stellig ontkent. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar verdachtes verklaring dat hij pas is gaan inbreken nadat hij met de fiets in de sloot terecht kwam en dat de fiets zo ligt (met de neus richting weg) dat het niet aannemelijk is dat hij vanuit het noorden kwam aanfietsen en de route vanuit Leeuwarden niet langs het terrein van [slachtoffer 3] ging. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij pas na middernacht in Deinum kwam. Tot slot zijn er geen sporen van verdachte bij [slachtoffer 3] gevonden. Ten aanzien van feit 4. kan mede gelet op verdachtes verklaring een veroordeling volgen, aldus de raadsvrouw. Ten aanzien van feit 5. heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij de feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn gegevens aan twee jongens heeft gegeven en dat zij misbruik van die gegevens hebben gemaakt. Die verklaring wordt ondersteund door het uitgaande gesprek van zijn telefoon ’s morgens vroeg, even na zes uur. De getuige [getuige 2] heeft eerst verklaard dat hij geen omschrijving van de verkoper kon geven, maar herkent hem later als hem een foto wordt getoond. Er zijn geen foto's getoond van anderen met donker haar en het is de vraag hoe betrouwbaar die herkenning daardoor is. Nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat verdachte de auto heeft weggenomen, kan hooguit de subsidiair ten laste gelegde heling bewezen worden verklaard. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de laptop en de voicerecorder uit de auto van [slachtoffer 5] . Dat verdachtes telefoon om 03.16 uur in Burgum aangestraald is, zegt niets over zijn aanwezigheid om 05.05 uur 3,5 kilometer verderop. Voor heling van de voicerecorder moet op zijn minst vast staan dat verdachte geweten heeft dat die recorder in de auto lag. Nu daarvoor geen aanwijzingen zijn en er geen aanvullend bewijs is, dient verdachte ook voor de heling vrijgesproken te worden. Ook ten aanzien van feit 6 dient een vrijspraak te volgen. Verdachte ontkent de poging tot inbraak. Een week na de diefstal is een blauw koordje met verdachtes DNA in de schuur gevonden. Verdachte kan niet enkel op basis daarvan veroordeeld worden. Het koordje zou in theorie op een andere manier daar terecht gekomen kunnen zijn. Voorts is het koordje niet een specifiek daderspoor zoals vingerafdrukken of bloed. Nu er overigens ook geen aanwijzingen zijn dat verdachte daadwerkelijk over een kledingstuk beschikte waarbij zo'n koordje hoorde, is het aantreffen van DNA op dit koordje onvoldoende bewijs voor zijn betrokkenheid. Ad informandum feit 2. Verdachte erkent dat hij bij de familie [slachtoffer 8] aan [adres] te [plaats] op 27 februari 2020 flessen drank gestolen heeft uit de schuur. Dit ad informandum gevoegde feit kan daarom meegenomen worden. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1. primair Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1. primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1. subsidiair, feit 2. en feit 4. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: -ten aanzien van feit 1. subsidiair- 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer 1] d.d. 11 mei, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever met bijlage d.d. 28 februari 2020, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] . -ten aanzien van feit 2.- 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] . -ten aanzien van feit 4.- 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 27 februari 2020, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 1 maart 2020, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] . Ten aanzien van feit 3. primair De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juni 2020, voor zover inhoudend: De onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten beken ik. Ik wilde aan geld komen voor drugs. Ik had medicatie, drugs en alcohol gebruikt. Ik was niet helemaal helder. Ik fietste in de sloot. Ik beken ook het tweede ad info ten laste gelegde feit. Ik begrijp dat dat gaat om diefstal uit een schuurtje, adres [adres] . Ik heb daar sterke drank zitten drinken. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 ebruari 2020, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : Op 26 februari 2020 omstreeks 22:15 uur lag ik op bed in mijn woning aan de [adres] te Deinum. Ik hoorde gerinkel van staal buiten. Hierna was het even stil, even hierop hoorde ik weer gerinkel. Ik ben hierop uit bed gegaan. Ik ben naar de woning van mijn ouders gelopen, wij wonen samen op hetzelfde terrein. Mijn ouders zijn op vakantie. Toen ik bij hun woning kwam struikelde ik aan de zijkant over een paar houten latten. Ik zag in de keuken iemand met een lichtje in de woning van mijn ouders. Ik sloeg hierop met een hamer op de deur. Er rende iemand uit de woning de tuin in, vanuit de keuken. Ik hoorde dat een man naar mij riep in het Fries: “Ik ha niks", of iets dergelijks. Ik zag dat de man over de heg sprong en richting het dorp rende of het fietspad naar Marssum. Achter de woning bij de schuifpui zag ik een schep en allemaal glas liggen. Ik zag in de keuken 2 lades van een kast open staan, die overhoop waren gehaald. In eerste instantie lijkt er niets weg uit de woning. De schuifpui is vernield en de buitendeur vanuit de woonkamer is getracht open te breken. Ik kan de persoon niet omschrijven. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 maart 2020, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] : Op 26 februari 2020, op het moment van de inbraak dus, was ik op vakantie. Ik ben l maart 2020 weer thuis gekomen. Ik zag dat er veel schade was aangericht door de inbreker. Ik zag dat met veel geweld de schuifpui en de openslaande deuren waren vernield en open gebroken. Het zal duidelijk zijn dat deze nog heel waren toen ik op vakantie ging. Ik had de woning goed afgesloten. Ik zag dat in de woning enkele lades open stonden. Er lagen sieraden boven op deze kast. Op het moment dat ik op vakantie ging, lagen deze nog in de kast. Dat is ook de reden dat mijn zoon dacht dat er goederen waren meegenomen. Waarschijnlijk heeft de inbreker niets meegenomen omdat hij is gestoord door mijn zoon. Ik mis namelijk niets uit de woning. Door deze inbraak heb ik dus wel veel schade. Bewijsoverweging Verdachte heeft ontkend dat hij de inbraak aan de [adres] heeft gepleegd. Hij heeft aangevoerd dat hij op het tijdstip van deze inbraak, rond 22.15 uur, nog in Leeuwarden was en dat de inbraak bij de woonboerderij op [adres] de eerste inbraak is geweest die door hem in die nacht is gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. In de avond/nacht van 26 februari 2020 op 27 februari 2020 worden in Deinum in drie aaneengesloten straten binnen een straal van ongeveer 750 meter vijf inbraken gepleegd. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk is voor drie van deze inbraken en daar komt het ad info feit, diefstal uit een schuur aan [adres] die verdachte ook heeft bekend, nog bij. Dat verdachte betrokken is geweest bij vier van de vijf inbraken staat dus vast. Op [adres] is door verdachte ingebroken rond 01.55 uur en rond 03.00 uur is verdachte overlopen bij [adres] . Van de inbraken aan [adres] en [adres] is niet bekend op welk tijdstip ze zijn gepleegd. De inbraak op de [adres] heeft plaatsgevonden rond 22.15 uur. De rechtbank stelt vast dat verdachtes verklaring dat hij pas na 24.00 uur in Deinum was, op geen enkele wijze steun vindt in de stukken. Dat er enige tijd zit tussen het tijdstip van deze eerste inbraak en de volgende momenten waarvan vaststaat dat verdachte in Deinum was, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen ondersteuning voor de stelling dat verdachte niet schuldig is aan de inbraak op de [adres] . De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de volgorde waarin de verschillende inbraken zijn gepleegd niet duidelijk is en dat verdachte onder invloed was van drank, medicatie en drugs. Goed denkbaar is dat tussen de verschillende inbraken enige tijd verstreken is. In het licht van het voorgaande kan ook geen betekenis worden gehecht aan de rijrichting waarin de fiets is aangetroffen Uit de aangifte van [slachtoffer 3] van de [adres] blijkt dat veel schade is toegebracht aan de schuifpui en openslaande deuren. In de woning stonden enkele lades open. Aangevers zoon heeft verklaard dat hij in de woning van zijn ouders iemand met een lichtje zag schijnen. De rechtbank constateert dat verbalisanten ter zake de inbraak bij [slachtoffer 1] gezien hebben dat verdachte met een zaklamp diverse lades doorzoekt. Uit de aangifte blijkt dat ook hier veel schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat verdachte op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij op het moment van de inbraak nog niet in Deinum was, dat de inbraak wat plaats betreft en ook qua tijdstip past bij de andere inbraken en op een vergelijkbare wijze is gepleegd. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Ten aanzien van feit 5. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. 1. De door verdachte ter zitting van 12 juni 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: In de nacht van 20 februari 2020 was ik in Burgum. Ik ben in de vroege ochtend met iemand in de auto naar Leeuwarden gereden. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2020, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] : Op 19 februari 2020 heb ik mijn auto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , geparkeerd achter mijn woning op het Wyldpaed (West) 30 in Twijzelerheide. Het is een zilvergrijze Volkswagen Golf. Ik heb de autosleutels achtergelaten in een vakje van de middenconsole. Op 20 februari 2020 omstreeks 06.30 uur zag ik dat mijn auto niet meer op de plaats stond waar ik hem had geparkeerd. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 februari 2020, opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] : Ik ben eigenaar van [bedrijfsnaam 1] gevestigd te Leeuwarden. Vandaag omstreeks 16.00 uur verscheen een voor mij onbekende persoon met donker haar. De persoon leverde een grijskleurige Volkswagen Golf, kenteken [kentekennummer] in. Ik heb vijftig euro aan deze persoon gegeven. Ik moest hem bellen als het was gelukt het voertuig over te schrijven. Hij gaf een briefje waarop ik de naam [verdachte] zag. Ik zag dat er het telefoonnummer [telefoonnummer] bij stond. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 20 maart 2020, opgenomen op pagina 129 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] : Ik hoorde Meijer verklaren dat ene [verdachte] , te bereiken op telefoonnummer: [telefoonnummer] , een voertuig aan hem had verkocht welke vermoedelijk was weg genomen uit Twijzelerheide. Ik zag dat Meijer mij, [verbalisant 3] , een papiertje overhandigde met hierop de naam [verdachte] en bovengenoemde telefoonnummer. Tevens zag ik dat er op de achterzijde van het papiertje de naam [naam] zichtbaar was. Toen ik een zoekslag maakte op de naam [naam] zag ik dat de zoekslag niets opleverde. Vervolgens maakte ik een zoekslag in het politiesysteem. Ik zocht hierop op het telefoonnummer. Ik zag dat dit telefoonnummer gebruikt is danwel wordt gebruik door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] . 5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 26 februari 2020, opgenomen op pagina 131 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 8] : Op 26 februari 2020 ging ik in gesprek met [getuige 2] . Ik vertelde hem dat ik hem graag foto's wilde laten zien van een persoon en als hij deze persoon kende of hij dan ook kon vertellen waarvan hij hem kende. Ik hoorde dat meneer de foto's wel wilde zien. Ik liet foto 1 aan [getuige 2] zien (foto van [verdachte] in blauw shirt met baard en wat langer haar). Ik hoorde hem het volgende tegen mij zeggen: "Dat is de persoon waarvan ik een auto voor 50 euro van heb gekocht. Hij kwam hier met die auto aanzetten en het was een heel gelikt verhaal wat hij mij vertelde. Ik kwam er pas later achter dat de auto van diefstal afkomstig was. Alleen zag hij er op de dag dat hij de auto hier kwam brengen er wel anders uit. Hij had veel korter haar en geen baard". Ik liet hierop foto 2 aan hem zien ( [verdachte] met op de foto een zwarte trui, kort haar en geen baard). Ik hoorde dat [getuige 2] hierop zei: "Zo zag hij eruit die dag toen hij die auto aan ons wilde verkopen". 6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 9 mei 2020, opgenomen op pagina 141 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 5] : Op 24 februari 2020 heeft politiemedewerker [verbalisant 6] de historische verkeersgegevens opgevraagd van het telefoonnummer die in gebruik is bij van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977. Het betreft het telefoon nummer: [telefoonnummer] . Ik las in het rapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) dat dit telefoonnummer een Lebara Pre-paid nummer was. De netwerkaanbieder was KPN. Gebruiker telefoonnummer Op 20 februari 2020 is een gestolen auto ingeleverd. Bij deze auto is een briefje afgegeven met de naam [verdachte] en het telefoonnummer: [telefoonnummer] . Ik heb gekeken of dit nummer in het verleden contact heeft gezocht met de politie. Ik heb daarom gekeken in de "Klantenverzoek servicemodule" van de politie. Ik zag dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2020, op 19 september 2019 contact had opgenomen met de politie. Dit was in verband met zijn auto die zonder zijn medeweten was overgeschreven. [verdachte] gaf toen als telefoonnummer op: [telefoonnummer] . Ik herkende [verdachte] ook op een Whatsapp profielfoto van telefoonnummer [telefoonnummer] . Mastgegevens Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat een GSM, met nummer [telefoonnummer] op 20 februari 2020 te 03:16 uur verbinding had met de GSM mast, gelegen op de Elingsbaan te Burgum. In de nacht van 19 februari 2020 op 20 februari 2020 werden er op de Zomerweg te Noardburgum en de Wyldpaed-West te Twijzelerheide een fiets en een auto gestolen. Ook werden er goederen uit een auto gestolen. De afstand tussen deze locaties en de GSM mast is ongeveer 3,5 kilometer. 7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage d.d. 21 februari 2020, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] : Ik doe namens mijn werkgever [bedrijfsnaam 2] te IJsselstein aangifte van diefstal van een laptop. Op 19 februari 2020 om 20:15 uur heb ik mijn auto geparkeerd op het erf van mijn woning aan de [adres] , [plaats] . Ik heb camerabewaking rondom mijn woning. Op 20 februari 2020 ben ik om 06:15 uur vertrokken met mijn auto. Later had ik door dat er ingebroken was in de auto en de laptop gestolen was. De laptop is een HP Probook. Toen ik thuis was heb ik meteen de camerabeelden bekeken. Daarop zag ik dat er op 20/02 2020 om 05:05 een persoon op een fiets aankomt. Hij kwam uit de richting Burgum. De fiets wordt tegen een boom gezet. Ik zie dat de persoon meteen naar mijn auto loopt en instapt aan de passagierszijde. Na een aantal minuten stapt de persoon uit de auto. Ik zag dat deze persoon iets in zijn hand had, dat moet mijn laptop geweest zijn. Op de beelden zag ik dat het om een man / jongen ging. 8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 5 maart 2020, opgenomen op pagina 158 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : In de nacht van 19 februari 2020 op 20 februari 2020 werd een Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kentekennummer] gestolen vanaf een erf gelegen aan de [adres] te [plaats] . Daar waar de auto gestolen is werd een fiets achter gelaten. Uit onderzoek bleek dat deze fiets gestolen was vanuit een schuur aan de [adres] te [plaats] . Vervolgens werd er eveneens aangifte gedaan van diefstal van een laptop uit een voertuig, gelegen aan de [adres] te [plaats] . Op 27 februari 2020 kwam de eigenaar van de auto naar het politiebureau. Zij verklaarde dat zij in de auto onder andere een zwart stoffen hoesje met daarin een digitale voicerecorder van het merk Olympus had aangetroffen. Op 05 maart 2020 heb ik telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer 5] , aangever van de diefstal laptop uit de auto. Ik stelde hem de vraag of hij ook een recorder miste. Ik hoorde hem vervolgens zeggen: "Ja dat klopt. Deze zit in een zwart hoesje." Bewijsoverweging De rechtbank stelt het volgende vast. Op 20 februari 2020 omstreeks 06.30 uur merkt aangever [slachtoffer 4] dat zijn VW Golf die nacht is gestolen. Op het erf wordt een damesfiets aangetroffen welke niet van aangever is. Diezelfde dag wordt rond 16.00 uur de VW Golf ingeleverd bij [bedrijfsnaam 1] . De persoon die de auto inlevert geeft getuige [getuige 2] een briefje met daarop de naam [verdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer] . Getuige [getuige 2] herkent verdachte later van twee foto's. Op 27 februari 2020 wordt in de inmiddels teruggegeven VW Golf een voicerecorder aangetroffen. Deze voicerecorder blijkt van [slachtoffer 5] te zijn en is samen met een laptop uit zijn auto op 20 februari 2020 weggenomen. Uit bewakingsbeelden van [slachtoffer 5] blijkt dat die nacht om 05.05 uur een persoon op een fiets uit de richting Burgum komt. Verder blijkt uit de historische verkeersgegevens dat een GSM met nummer [telefoonnummer] op 20 februari 2020 te 03:16 uur verbinding had met de GSM mast, gelegen op de Elingsbaan (de rechtbank leest hier verbeterd: de Elingsloane) te Burgum. Voornoemd telefoonnummer is van verdachte. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij de bewuste nacht in Burgum was en dat hij in de vroege ochtend met iemand in de auto meegereden is naar Leeuwarden. Verdachte heeft niet willen zeggen bij wie hij in Burgum was, wat hij in Burgum deed en met wie hij naar Leeuwarden is gereden. Verdachtes verklaringen zijn niet onderbouwd en niet te verifiëren. Verdachte heeft verder verklaard dat hij in Leeuwarden twee mannen met de gestolen auto heeft getroffen die hem benaderden voor het kopen van drugs en aan wie hij een briefje met zijn naam en telefoonnummer zou hebben gegeven wat vervolgens bij [getuige 2] terecht zou zijn gekomen, Deze verklaring is op zichzelf geenszins aannemelijk, vindt geen enkele ondersteuning in het dossier en biedt ook geen aanknopingspunten ter verificatie. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 5. primair ten laste gelegde heeft begaan. Ten aanzien van feit 6. 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 februari 2020, opgenomen op pagina 188 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 7] : Ik doe aangifte van insluiping in mijn loods, achter mijn woning aan de [adres] te [plaats] . Bij deze insluiping hebben de dader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.