RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/225 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal, verweerder (gemachtigde: mr. M.P. Korevaar). Procesverloop Bij besluit van 19 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist op een verzoek van eiser over stukken. Eiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Na het verzoek van eiser om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, heeft verweerder het bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In het kader van de maatregelen tegen de verspreiding van het virus SARS-CoV-2 heeft de rechtbank, na bestudering van de zaak, een zitting niet noodzakelijk geacht voor de afhandeling van de zaak. De rechtbank heeft aan partijen vragen gesteld en partijen de gelegenheid gegeven hun standpunt schriftelijk naar voren te brengen. Bij brieven van 9 juni 2020 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht en voornemens is het onderzoek te sluiten. Indien een partij desondanks een behandeling ter zitting wenste, diende hij dit binnen een gestelde termijn kenbaar te maken. Geen van de partijen heeft dit kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Rechtstreeks beroep 1.1 Bij brief van 26 september 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Bij brief van 1 december 2019 heeft eiser de bezwaargronden aangevuld en daarnaast verweerder verzocht op grond van artikel 7:1a van de Awb in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. 1.2. Op 21 januari 2020 heeft verweerder het bezwaarschrift naar de rechtbank doorgezonden en in de begeleidende brief toegelicht in te stemmen met het verzoek van eiser. De rechtbank heeft het bezwaar als rechtstreeks beroep in behandeling genomen en een datum bepaald voor behandeling ter zitting (die echter in verband met bovengenoemde maatregelen geen doorgang heeft gevonden). 2.1. Bij brief van 2 maart 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de termijn om te beslissen op bezwaar. Bij brief van 29 maart 2020 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is geregistreerd als LEE 20/1323. 2.2. Naar aanleiding van de ingebrekestelling en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar heeft de rechtbank in de nu voorliggende procedure aan eiser de volgende vragen gesteld: Beoogt u uw verzoek om instemming met rechtstreeks beroep in te trekken? Is naar uw mening de rechtbank (nog) bevoegd om de zaak als rechtstreeks beroep te behandelen? 2.3. In zijn brief van 21 april 2020 heeft eiser geantwoord dat verweerder de procedure beschreven in artikel 7:1a, derde, vierde en vijfde lid, van de Awb onjuist heeft toegepast. Dit betekent dat er een beroep tegen het niet tijdig beslissen kan worden ingesteld en dat de rechtbank niet bevoegd is om de zaak als rechtstreeks beroep te behandelen. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om het bezwaarschrift als rechtstreeks beroep door te sturen. Eiser had hierom expliciet gevraagd en er was geen concrete aanleiding voor verweerder om de zaak ongeschikt voor doorzending te achten. Vervolgens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel, op grond van artikel 8:54a van de Awb, dat verweerder kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep. Ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift door de rechtbank, mocht ook verondersteld worden dat beide partijen een verdere behandeling van de zaak als rechtstreeks beroep wensten. 3.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu alsnog te concluderen dat zij niet bevoegd is om het beroep te behandelen. De procedure voorafgaand aan de ontvangt van het bezwaarschrift kende gebreken, te weten dat verweerder niet onverwijld beslist heeft op het late verzoek van eiser, maar deze gebreken zijn niet zodanig dat deze leiden tot schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of tot het schaden van de belangen van een partij. 3.3. Dit betekent dat de rechtbank een inhoudelijk oordeel zal vellen. Inhoudelijk 4.1. Tussen partijen is in geschil hoe een verzoek van eiser, opgenomen in een brief van 14 juli 2019, om toezending van stukken dient te worden aangemerkt. Eiser stelt dat het gaat om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder stelt dat het gaat om een verzoek om toezending van stukken in het kader van een bezwaarprocedure. 4.2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in een uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, het volgende uitgesproken: ‘Hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id9ef13126a254e3ac8133c5b537c8c182) van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.