vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Leeuwarden zaaknummer / rolnummer: C/17/166028 / HA ZA 19-65 Vonnis van 2 september 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W&T HART ADVIES B.V., gevestigd te Sexbierum, eiseres, advocaat mr. W. Mollema te Leeuwarden, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid THE FRUIT FARM GROUP B.V., gevestigd te Sexbierum, gedaagde, advocaat thans mr. M.A.C. Geurts te 's-Hertogenbosch. Partijen zullen hierna W&T en TFFG genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 april 2020, de akte uitlating, tevens akte eiswijziging, van W&T, de akte van TFFG. 1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Voor wat betreft de weergave van de feiten verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 15 april 2020 (verder: het tussenvonnis), waarvan de inhoud als hier herhaald geldt. De rechtbank heeft bij het tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van het faillissement van Hareko B.V. (hierna: Hareko) voor het debat in deze procedure. Tevens is W&T in de gelegenheid gesteld om zo nodig haar vordering te wijzigen in verband met bedoeld faillissement. Partijen hebben, conform het bepaalde in 5.2. van het dictum in het tussenvonnis, de concept-aktes uitgewisseld en hebben in hun definitieve aktes gereageerd op het standpunt van de wederpartij. 2.2. W&T heeft bij haar akte de eis gewijzigd en wel in die zin dat zij thans vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I vaststelt dat Hareko aan W&T een bedrag van € 420.000,00 dient te betalen te vermeerderen met 5% rente per jaar, te rekenen vanaf 17 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vaststelt dat Hareko aan W&T dient te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag ter grootte van € 3.775,00, alsmede vaststelt dat Hareko aan W&T dient te betalen de proceskosten uit het verstekvonnis dat tussen W&T en Hareko is gewezen (productie 1) ter grootte van € 6.607,00, II TFFG veroordeelt om aan W&T te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 420.000,00, te vermeerderen met 5% rente per jaar, althans te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 17 maart 2017, tot aan de dag der algehele voldoening, III TFFG veroordeelt om aan W&T te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 3.775,00, IV TFFG veroordeelt om aan W&T te betalen de proceskosten uit het verstekvonnis ter grootte van € 6.607,00, V TFFG veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. 2.3. W&T baseert haar vordering na deze eiswijziging op artikel 1.3 van de overeenkomst van borgtocht, waarin is bepaald: In geval van faillissement van of surseance van betaling verleend aan de Hoofdschuldenaar of in geval van toepassing van een wettelijke schuldsaneringsregeling op de Hoofdschuldenaar, of in geval de Hoofdschuldenaar in vereffening is of vereffend is, is de Gewaarborgde gerechtigd in een procedure tegen de Borg de betalingsverplichting van de Hoofdschuldenaar te laten vaststellen in welk geval de Borg aan de Gewaarborgde zal betalen hetgeen de Hoofdschuldenaar zal blijken verplicht te zijn blijkens vaststelling bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in die procedure. TFFG heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd is met de regels van een goede procesorde. Er zal daarom recht worden gedaan op de gewijzigde eis. 2.4. W&T heeft ter onderbouwing van de vordering gesteld dat de betalingsverplichting van Hareko waarvoor TFFG jegens haar borg staat, is vastgesteld in een vonnis van deze rechtbank van 15 april 2020 tussen W&T en Hareko (C/17/161435 HA ZA 18-146, hierna ook te noemen: de Hareko-procedure). De rechtbank heeft hierin bij wijze van bindende eindbeslissing geoordeeld dat W&T een vordering op Hareko heeft ter grootte van € 420.000,00 (te vermeerderen met de contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten) uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Nu Hareko failliet is, is TFFG op grond van artikel 1.3 van de overeenkomst van borgtocht gehouden om tot betaling aan W&T over te gaan. Dit geldt temeer nu in deze overeenkomst is vastgelegd dat TFFG afstand doet van alle rechten en verweermiddelen als bedoeld in artikel 7:852 BW. Afgesproken is dat, als de gewaarborgde verbintenis vaststaat, TFFG dan 'gewoon' aan W&T moet betalen, ongeacht een eventuele andere vordering van Hareko op W&T. Gelet hierop doet het er voor de beoordeling in deze zaak niet toe dat in de procedure tussen W&T en Hareko door laatstgenoemde een beroep op verrekening is gedaan vanwege een beweerde vordering op W&T waarover door de rechtbank nog geen (definitieve) beslissing is genomen. Daarnaast moet in deze procedure voorbij worden gegaan aan de verrekening met een vordering van € 141.560,04 van Hareko op W&T, die de rechtbank ten onrechte heeft toegepast. Het is namelijk niet aan de rechtbank om te bepalen met welke vordering er verrekend wordt, maar aan de schuldenaar. Zij heeft de vordering na het tussenvonnis bij brief van 17 april 2020, gericht aan de curator, verrekend met een andere vordering op Hareko, aldus nog steeds W&T. 2.5. TFFG heeft allereerst betwist dat W&T een vordering op Hareko heeft. Bij conclusie van antwoord heeft zij verwezen naar een verrekeningsverklaring van haar kant van 1 maart 2018, waardoor de vordering van W&T volledig teniet zou zijn gegaan. Deze vordering hield verband met de stelling van Hareko dat de exploitatie van tuinen in Erica voor rekening en risico van W&T had plaatsgevonden en dat W&T haar daarom een bedrag van (in ieder geval) € 1.857.236,40 verschuldigd was. De conclusie van antwoord is genomen voordat de rechtbank in de Hareko-procedure vonnis had gewezen. In die procedure is in het tussenvonnis van 15 april 2020 door de rechtbank geoordeeld dat de exploitatie van de tuinen in Erica voor rekening en risico van het Hartman-concern (waartoe Hareko ook behoorde) heeft plaatsgevonden en dat de vorderingen van Hareko in reconventie op dit punt daarom zullen worden afgewezen. TFFG is in haar akte niet meer op deze door haar ingeroepen verrekening ingegaan, althans niet expliciet. Voor zover zij heeft beoogd om dit verweer te handhaven wordt dit verworpen nu het beroep van Hareko op verrekening in zoverre geen doel heeft getroffen. 2.6. TFFG heeft daarnaast in haar akte bij wijze van verweer primair aangevoerd dat zij niet thans al op grond van de overeenkomst van borgtocht kan worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan W&T. In de eerste plaats heeft zij betoogd dat toepassing van artikel 1.3 van de overeenkomst van borgtocht pas aan de orde komt als vaststaat dat de Hareko-procedure niet wordt overgenomen door de curator. Pas dan heeft W&T recht op en belang bij vaststelling van haar eventuele vordering op Hareko in deze procedure. Anders zouden er naast elkaar twee procedures bestaan die over hetzelfde thema gaan maar met verschillende partijen aan de verwerende kant, wat zou kunnen leiden tot tegenstrijdige uitkomsten. Omdat de status van de Hareko-procedure nu nog onduidelijk is en W&T niet wil meewerken aan verwijzing van deze zaak naar de parkeerrol, moet de vordering worden afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang, aldus TFFG. 2.7. De rechtbank overweegt dat het haar ambtshalve bekend is dat na de aktewisseling in deze zaak de curator de Hareko-procedure heeft overgenomen van Hareko, nu in die zaak ten overstaan van de rechtbank in dezelfde samenstelling als in deze zaak wordt voortgeprocedeerd. De rechtbank ziet, gelet op wat hierna wordt overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat ter voorkoming van tegenstrijdige vonnissen de vordering in deze procedure afgewezen moet worden. 2.8. Subsidiair heeft TFFG in haar akte betoogd dat de discussie die is gevoerd in de Hareko-procedure ook en (volledig) opnieuw in deze procedure gevoerd moet worden. In ieder geval kan een veroordeling tot betaling volgens haar nu niet aan de orde zijn omdat in de Hareko-procedure in conventie door Hareko ook (naast de vordering uit hoofde van de exploitatie van de tuinen in Erica) een beroep op verrekening is gedaan met haar overige vorderingen in reconventie. De rechtbank heeft dat beroep al gehonoreerd voor een bedrag van € 141.560,04 en daar komt mogelijk nog een bedrag bovenop, als gevolg waarvan de verbintenis uit hoofde van de overeenkomst van geldlening geheel teniet zal gaan. Het strookt met de partijbedoeling dat TFFG in deze procedure dat beroep op verrekening ook kan doen, althans een rechterlijk oordeel over de vordering in reconventie in de Hareko-procedure mag afwachten voordat wordt beoordeeld of zij op grond van de overeenkomst van borgtocht tot betaling van enig bedrag aan W&T is gehouden. De in de verzetdagvaarding opgenomen verrekeningsverklaring van Hareko is immers uitgebracht voordat de overeenkomst van borgtocht is gesloten en in de overeenkomst is duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het gaat om de uiteindelijke betalingsverplichting van Hareko. Bovendien brengt ook artikel 7:850 lid 1 BW mee dat zij vanwege de vordering in reconventie van Hareko nu nog niet als borg veroordeeld kan worden en zijn partijen het erover eens dat TFFG in deze procedure de 'Hareko-verweren' mag voeren, aldus nog steeds TFFG. 2.9. Ter beantwoording van de vraag of W&T op goede gronden heeft gesteld dat TFFG gelet op de inhoud van het vonnis van 15 april 2020 in de Hareko-procedure en artikel 1.3. van de overeenkomst van borgtocht thans kan worden veroordeeld tot (volledige) betaling aan haar, zal hierna eerst (voor zover van belang) uiteengezet worden welke beslissingen in dat vonnis zijn genomen over de gewaarborgde verbintenis. Dit komt neer op het volgende. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering van W&T op Hareko uit hoofde van een overeenkomst van geldlening toewijsbaar is, inclusief de contractuele rente van 5% en de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.775,00. Daarnaast is geoordeeld dat W&T een bedrag van € 141.560,04 aan Hareko moet betalen. In rechtsoverweging 7.49. is vervolgens overwogen dat W&T een beroep op verrekening heeft gedaan en dat de rechtbank het bedrag van € 141.560,04 'in mindering zal brengen op de vordering onder I'. Dit betreft de vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening ofwel de gewaarborgde verbintenis. Verder is overwogen dat de rechtbank ten aanzien van het resterend toewijsbaar geachte bedrag iedere beslissing zal aanhouden tot een beslissing is gegeven over een (veel hogere) vordering van Hareko in reconventie, waarmee Hareko haar betalingsverplichting jegens W&T blijkens de verzetdagvaarding, tevens eis in deels voorwaardelijke reconventie, wil verrekenen. De rechtbank heeft ten aanzien van die vordering geoordeeld dat bewijslevering moet plaatsvinden. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat zij geen reden ziet om in conventie al een eindvonnis te wijzen nu in conventie door Hareko een beroep op verrekening is gedaan (rechtsoverweging 9.61.). Om die reden is iedere verdere beslissing aangehouden. Zoals vermeld in het tussenvonnis in de Hareko-procedure is de procedure in conventie vanaf het wijzen van het vonnis van 15 april 2020 als gevolg van het faillissement van Hareko van rechtswege geschorst. Dit onderdeel van de procedure zal alleen worden voortgezet als de vordering ter verificatie wordt betwist (artikel 29 Fw). 2.10. Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of de beslissing van de rechtbank in de Hareko-procedure zoals hiervoor vermeld meebrengt dat TFFG op grond van de overeenkomst van borgtocht (nu
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.