vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/199741 / HA ZA 20-142 Vonnis in incident van 7 oktober 2020 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , wonende te Zevenbergen, eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te Hoogezand,
- [gedaagde 2], wonende te Hoogezand, gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat mr. L.S. Slinkman te Hoogezand. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] . genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de incidentele conclusie tot onbevoegdheid de conclusie van antwoord in het incident. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
- [eiser] vordert in de hoofdzaak - samengevat - hoofdelijke veroordeling tot betaling van in totaal € 46.358,70 te vermeerderen met rente en kosten, en daarnaast tot verstrekking van omzetgegevens. Het gevorderde bedrag ziet voor € 11.150,- op licentievergoedingen uit hoofde van een tussen [eiser] en [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) op 18 januari 2013 gesloten licentieovereenkomst/exploitatieovereenkomst en voor € 33.882,38 op geleende gelden en/of door [eiser] voor [gedaagden] . betaalde bedragen. Voor de gevorderde verstrekking van omzetgegevens beroept [eiser] zich op artikel 5 van voornoemde overeenkomst. 2.
- [gedaagden] . vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Volgens hem is op grond van artikel 15 van de licentieovereenkomst/ exploitatieovereenkomst ("Er wordt domicilie gekozen bij de Rechtbank Breda") uitsluitend Rechtbank Breda bevoegd om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. 2.
- [eiser] voert verweer in het incident. Volgens hem houdt de domiciliekeuze in artikel 15 van de overeenkomst niet in dat Rechtbank Breda bij uitsluiting bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Bovendien heeft de vordering maar voor een fractie betrekking op de licentieovereenkomst/exploitatieovereenkomst. 2.
- De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is (artikel 99 lid 1 Rv). 2.
- Artikel 1:15 BW bepaalt dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke slechts kan kiezen, wanneer de wet hem daartoe verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Op grond van artikel 1:15 BW is voor een wijziging van woonplaats dus een weloverwogen en ondubbelzinnige keuze nodig van de kant van zowel eiser als gedaagde, welke keuze vervolgens schriftelijk moet worden overeengekomen. Gelet op de inhoud van artikel 15 van de licentieovereenkomst/ exploitatieovereenkomst is hiervan naar het oordeel van de rechtbank sprake voor zover het [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) betreft. 2.
- Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat partijen met deze domiciliekeuze beoogd hebben geschillen bij uitsluiting aan de rechtbank te Breda (waarmee kennelijk bedoeld is: Rechtbank Zeeland-West-Brabant) voor te leggen. Een redelijke uitleg van deze contractsbepaling, mede gelet op gebruikte bewoordingen, brengt naar het oordeel van de rechtbank ook niet met zich dat sprake is van een exclusieve forumkeuze als bedoeld in artikel 108 Rv. 2.
- Het voorgaande betekent wel dat volgens de hoofdregel van artikel 99 lid 1 Rv deze rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de tegen [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) gerichte vordering ter zake van de licentievergoedingen en de verstrekking van omzetgegevens. 2.
- Dat geldt niet voor de vordering uit hoofde van geleende gelden en/of door [eiser] voor [gedaagden] . betaalde bedragen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) met de domiciliekeuze ook beoogd heeft om een andere woonplaats te kiezen voor zover het gaat om andere rechtsbetrekkingen met [eiser] , dan die uit hoofde van de licentieovereenkomst/ exploitatieovereenkomst. In zoverre is deze rechtbank volgens de eerder bedoelde hoofdregel dus wel bevoegd om kennis te nemen van het geschil. 2.
- Dat ook [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) een andere woonplaats zou hebben gekozen, volgt tot slot nergens uit. Gesteld noch gebleken is dat zij als contractspartij is toegetreden bij de licentieovereenkomst/ exploitatieovereenkomst. De rechtbank is volgens de hoofdregel dus bevoegd om kennis te nemen van de tegen [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) gerichte vorderingen, ongeacht de feitelijke en juridische grondslag waarop deze gebaseerd zijn. 2.
- Omdat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden - [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) - en er geen sprake is van een exclusieve bevoegdheid van Rechtbank Zeeland-West-Brabant, acht de rechtbank zich op grond van artikel 107 Rv bevoegd om van het gehele geschil tegen beide gedaagde partijen kennis te nemen. Tussen de vorderingen tegen beide gedaagden bestaat naar het oordeel van de rechtbank een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. 2.
- De rechtbank is kortom van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 2.
- [gedaagden] . zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- wijst het gevorderde af, 3.
- veroordeelt [gedaagden] . in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 543,00, 3.
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 november 2020 voor conclusie van antwoord. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober
- type: 750 coll: