RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/041574-20 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/222503-19 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 20 oktober 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie te [plaats] aan [straatnaam] , feitelijk verblijvend te [plaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober
(74)die in een betrekkelijk korte periode (van drie weken) met hoge frequentie aan aangeefster zijn gestuurd. Daarbij komt de omstandigheid dat verdachte zich niet heeft laten stoppen door aangeefster of een gesprek met de politie, maar eigengereid doorging en hij zich bovendien kort voor zijn aanhouding op zeer indringende wijze in de vroege ochtend heeft opgehouden bij de woning van aangeefster waardoor hij verder inbreuk maakte op haar persoonlijke levenssfeer en de inbreuk naar het oordeel van de rechtbank ook toenam in intensiteit. feit 3 Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster gedurende de relatie meerdere keren met kracht bij de (boven-)armen heeft gepakt. Dit heeft geleid tot blauwe plekken bij aangeefster, zoals blijkt uit de aangifte, de daarbij horende foto's van aangeefster en de getuigenverklaring. Daarmee staat vast dat het handelen van verdachte tot letsel en – naar op grond van algemene ervaringsregels kan worden aangenomen – pijn bij aangeefster. Verdachte heeft aangevoerd dat hij zijn eigen krachten niet kent en dat hij niet de opzet had om aangeefster pijn te doen. Naar het oordeel van de rechtbank neemt dat niet weg dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het letsel en de pijn bij aangeefster zouden ontstaan door haar met kracht vast te pakken. Verdachte had simpelweg beter moeten weten. Het dossier bevat geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte aangeefster heeft vastgepakt om zichzelf te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanval door aangeefster, zodat het verweer wordt verworpen. feit 4 Verdachte heeft bekend dat hij de deurklink van aangeefster heeft vernield. Verdachte heeft aangevoerd dat hij de schade die daaruit voortkwam heeft vergoed; dat neemt echter de strafbaarheid van zijn handelen niet weg. Het is onduidelijk gebleven hoe en wanneer de schuttingplank is vernield, zodat dit onderdeel niet wettig en overtuigend is bewezen. Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1 hij in de periode vanaf 25 januari 2020 tot en met 14 februari 2020 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door: - zich op te houden bij de woning en in de achtertuin van die [slachtoffer] - diverse e-mails te sturen naar die [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden; 3 hij in de periode van 25 februari 2018 tot en met 6 november 2019, op diverse data en tijdstippen, te [plaats] meermalen [slachtoffer] , diens levensgezel, heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte telkens: - die [slachtoffer] met kracht bij de bovenarmen gepakt; 4 hij in de periode van 22 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deurklink van een woning, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, heeft vernield. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
- belaging
- mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 401 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en onder bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport van 24 september
- Ook vordert de officier van justitie dat aan verdachte een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd in de zin van een contactverbod en een locatieverbod voor het gebied dat wordt omzoomd door [straatnaam] / [straatnaam] / [straatnaam] / [straatnaam] / [straatnaam] / [straatnaam] [plaats], op straffe van twee weken hechtenis bij elke overtreding met een maximum van zes maanden. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod en de elektronische controle. Tegen het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contact- en locatieverbod bestaat geen bezwaar, mits het locatieverbod wordt beperkt tot de straat waar aangeefster woont en de straat waar de kinderen van aangeefster naar school gaan. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportage van 5 augustus 2020 en het reclasseringsrapport van 24 september 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Gedurende hun relatie heeft verdachte aangeefster meerdere keren mishandeld door haar met kracht bij de armen vast te pakken. Gelet op het grote verschil in fysiek tussen de grote en sterke verdachte en de, zoals verdachte zelf benadrukt, veel kleinere aangeefster, heeft hij haar weerloos gemaakt en blauwe plekken bezorgd in haar woning, waar zij bij uitstek vrij en veilig moet zijn in haar handelen. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op die vrij- en veiligheid. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk. Nadat de relatie door aangeefster was beëindigd heeft verdachte dit niet willen accepteren en is hij hinderlijk en intimiderend aanwezig gebleven in het leven van aangeefster, ook nadat aangeefster meerdere keren duidelijk heeft aangegeven dat zij die aanwezigheid niet wenste. Door aanhoudend contact te blijven zoeken met aangeefster en zich op te houden bij haar woning heeft hij veel angst bij aangeefster veroorzaakt. Die angst is gerechtvaardigd, aangezien verdachte al eerder fysiek geweld heeft toegepast. Ook dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk, ook al was het naar verdachtes eigen zeggen niet zijn bedoeling om haar bang te maken. Over de persoon van verdachte concludeert de onderzoekend psycholoog in het monodisciplinair Pro Justitia-rapport dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. Verdachte kampt met een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderlinetrekken. Vanuit die zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsproblematiek is verdachte beperkt in staat om de effecten van zijn handelen te overzien. Er is vermoedelijk sprake geweest van enige doorwerking van deze stoornissen in het tenlastegelegde. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies over en maakt die tot de hare. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. Mede gelet op de relatief beperkte duur van de belaging en het feit dat de rechtbank minder en ook minder ernstige feiten bewezen acht dan de officier van justitie, acht de rechtbank een straf passend die aanzienlijk lager is dan geëist. Ruimte om daarnaast ook nog een voorwaardelijk strafdeel op te leggen is er naar het oordeel van de rechtbank niet. Dat betekent dat in dat kader geen voorwaarden kunnen worden gesteld aan het gedrag van verdachte. De rechtbank ziet wel aanleiding om, ter voorkoming van herhaling, een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr voor de duur van 36 maanden op te leggen, waarbij verdachte wordt bevolen zich niet op te houden op een tweetal locaties, te weten de [straatnaam] te [plaats] (daar waar aangeefster woont) en de [straatnaam] te [plaats] (daar waar de school van de kinderen van aangeefster staat), en tevens om zich te onthouden van direct en indirect contact met aangeefster en haar kinderen. De rechtbank zal bepalen dat deze maatregel direct uitvoerbaar is. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat dit bedrag kan worden toegewezen, en dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte moet worden opgelegd. Standpunt van de verdediging Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feiten 1, 2 en/of 3, dan moet de vordering worden gematigd tot € 500,
- Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering matigen tot een bedrag van € 250,00, omdat aanzienlijk minder is bewezenverklaard dan waarop de vordering ziet. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden, omdat de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering na voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk vonnis van 29 januari 2020 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 29 januari
- Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 20 april 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de proeftijd zal worden verlengd met één jaar. Gelet op de zeer korte duur die is verstreken na het ingaan van de proeftijd en de datum waarop verdachte voor onderhavige strafzaak is aangehouden, 14 februari 2020, acht de rechtbank een verlenging van de proeftijd niet opportuun en zal zij de vordering afwijzen. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w, 285b, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder feiten 1, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen. Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Legt op aan verdachte: De maatregel dat veroordeelde voor de duur van 36 maanden zich niet zal ophouden in de [straatnaam] en de [straatnaam] te [plaats]. De maatregel dat veroordeelde voor de duur van 36 maanden op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en haar dochters [naam 1] en [naam 2] , woonachtig te [plaats] aan [straatnaam] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ten aanzien van 18/041574-20, feiten 1 en 3: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari
- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige af. Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van vijf dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen. Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/222503-19: Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 januari
- Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. T.M.L. Veen, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2020.