RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/830232-19 ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/240997-19 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 oktober 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] , thans gedetineerd te [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september
(2)door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Of gesproken kan worden van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf dient per individueel geval te worden beoordeeld, waarbij de rechtbank in het oog moet houden dat vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaatsvindt. De rechtbank zal de gevorderde shockschade van de benadeelde partijen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] toewijzen. Zij hebben de slachtoffers in de bioscoop aangetroffen vlak nadat verdachte hen van het leven had beroofd. Zij zijn dan ook op directe wijze geconfronteerd met de ernstige gevolgen van die misdrijven. Ook aan de andere voorwaarde voor vergoeding van shockschade is voldaan, nu de schok bij hen heeft geleid tot geestelijk letsel en zij zich onder behandeling hebben gesteld van een psycholoog. Ook de uit de shockschade voortvloeiende materiële schade zal de rechtbank toewijzen. Dat geldt overigens niet voor het eigen risico van € 385,- van benadeelde partij [slachtoffer 10] voor de nog te volgen EMDR-behandelingen. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van niet reeds geleden schade. De rechtbank zal [slachtoffer 10] in dit deel van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Ook de gevorderde shockschade van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] zal de rechtbank toewijzen. Ten aanzien van deze benadeelde partijen geldt dat zij hun familieleden vrijwel meteen na hun gewelddadige dood hebben moeten identificeren in het mortuarium. Daardoor zijn zij op directe wijze geconfronteerd met de ernstige gevolgen van die misdrijven. Tijdens de identificatie hebben zij immers de steekletsels van hun overleden familieleden waar kunnen nemen. Ook aan de andere voorwaarde voor vergoeding van shockschade is voldaan, nu de schok bij hen heeft geleid tot geestelijk letsel en zij zich onder behandeling hebben gesteld van een psycholoog. Dat de dodelijke aanval op hun dochter en hun zus, met wie zij bovendien een nauwe en affectieve relatie hadden, psychisch letsel teweeg heeft gebracht bij de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] is op basis van de overgelegde stukken voldoende komen vast te staan. Echter, een van de strikte voorwaarden voor vergoeding van shockschade is dat er sprake moet zijn geweest van ofwel het waarnemen van het strafbare feit ofwel de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. De rechtbank ziet, met de officier van justitie en de verdediging, geen ruimte om de strikte eisen van de Hoge Raad af te zwakken, gelet op de reeds genoemde jurisprudentie. De rechtbank begrijpt dat de gewelddadige dood van hun dochter en hun zus hen veel pijn en leed heeft gebracht, maar zij zijn niet direct geconfronteerd (in de betekenis die daaraan in de genoemde jurisprudentie wordt gegeven) met de ernstige gevolgen van die misdrijven. Gelet op de aanwijzingen voor het tegendeel in het proces-verbaal van de politie, is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat ook [slachtoffer 7] de slachtoffers heeft moeten identificeren. Daarnaast is de schade zelf onvoldoende onderbouwd, nu de benadeelde partij aan de rechtbank geen medische informatie heeft overgelegd en daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] geen aanspraak kunnen maken op shockschade, betekent dit dat ook de daaruit voortvloeiende materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal de benadeelde partijen in dit deel van hun vordering daarom niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Materiële schade Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bij gebrek aan onderbouwing van die vordering. Schadevergoedingsmaatregel Om te bevorderen dat de toegewezen schade daadwerkelijk door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank eveneens steeds de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag en zal daar, mede gelet op het bepaalde in artikel 60a van het Wetboek van Strafrecht, een corresponderend aantal dagen gijzeling tegenover stellen voor het geval er sprake zal zijn van betalingsonwil. De rechtbank acht namelijk ondanks de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet reeds op voorhand sprake van een situatie waarin de verdachte in de toekomst onmachtig zal zijn om de schadevergoedingen te betalen. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/240997-19 onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder parketnummer 18/830232-19 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 18/240997-19 onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd. De vordering van [slachtoffer 3] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1 en 2: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 51.092,47 (zegge: eenenvijftigduizend tweeënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 51.092,47 (zegge: eenenvijftigduizend tweeënnegentig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 288 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1092,47 aan materiële schade en € 50.000,- aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 4] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1 en 2: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 35.000,- (zegge: vijfendertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 35.000,- (zegge: vijfendertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 210 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 5] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 122 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 6] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 17.500,-(zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 122 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 7] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1: Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. De vordering van [slachtoffer 8] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 2: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 110 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 9] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1 en 2: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 15.385,- (zegge: vijftienduizend driehonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] te betalen een bedrag van € 15.385,- (zegge: vijftienduizend driehonderd vijfentachtig euro),vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 111 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [slachtoffer 10] Ten aanzien van 18/830232-19, feit 1 en 2: Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 15.262,36 (zegge: vijftienduizend tweehonderd tweeënzestig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober
- Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] te betalen een bedrag van € 15.262,36 (zegge: vijftienduizend tweehonderd tweeënzestig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 111 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 262,36 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. De vordering van [benadeelde partij 2] Ten aanzien van 18/240997-19, feit 2: Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2020.