RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rekestnummer: C/18/201590 / FA RK 20-2586 beschikking over het geschil tussen partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van 24 november 2020 in de zaak van [de vrouw] , die woont in [woonplaats 1] , en die hierna ook "de vrouw" wordt genoemd, advocaat mr. F.B. Flooren, die kantoor houdt in Groningen, en [de man] , die woont in [woonplaats 2] , en die hierna ook "de man" wordt genoemd, advocaat mr. S. Tromp, die kantoor houdt in Hoorn. Het procesverloop De procedure is ingeleid met een verzoek van de vrouw, dat door de rechter is ontvangen op 9 oktober 2020. De vrouw verzoekt de rechter te bepalen dat er geen omgangsregeling tussen de man en kinderen wordt vastgelegd. Op 11 november 2020 heeft de rechter van de man een verweerschrift ontvangen. De man concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Op 11 november 2020 heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken. Op 16 november 2020 heeft de rechter aanvullende producties van de vrouw ontvangen. Op 18 november 2020 is de zaak mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met partijen, hun advocaten en drs. [naam] die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna "de Raad") vertegenwoordigt. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven. De feiten De rechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten. Uit het in 2019 door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2007 in Groningen, - [minderjarige 2], geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in Groningen, - [minderjarige 3], geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2015 in Groningen. Partijen hebben in onderling overleg de gevolgen van hun echtscheiding geregeld. Wat zij zijn overeengekomen hebben zij vastgelegd in een door hen op 23 september 2019 ondertekend ouderschapsplan. Daarin is onder meer vastgelegd dat partijen hebben afgesproken dat hun kinderen bij de vrouw blijven wonen en dat de man [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] eens in de drie weken op een woensdagmiddag onder begeleiding ziet. Hoewel deze afspraken zijn gemaakt is het contact tussen de man en [minderjarige 2] in de zomer van 2019 verloren gegaan, met [minderjarige 1] in december 2019 en met [minderjarige 3] in januari 2020. Er is sprake van een verstoorde verstandhouding en communicatie tussen de ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dat hangt deels samen met de zorgvraag en de mate waarin de beide ouders daardoor werden overvraagd tijdens hun relatie, maar ook met de mogelijkheden van de vader om voldoende aan te kunnen sluiten bij de beperkingen en verzwaarde zorgbehoefte van de kinderen. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een zeldzaam syndroom vastgesteld, dat met zich brengt dat zij een ontwikkelingsachterstand hebben en gedragsproblematiek hebben die overeenkomt met een autisme spectrum stoornis. Beide jongens hebben een verstandelijke beperking en kampen met lichamelijke afwijkingen. [minderjarige 2] heeft ernstige spraak- en taalproblematiek en communicatieproblemen. [minderjarige 3] heeft het syndroom van Down en zij kampt met een bijkomende medische aandoening, die bij niet adequate behandeling en toezicht snel levensbedreigend kan zijn en die vergt dat er permanent toezicht wordt gehouden op wat zij eet en drinkt. De kinderen hebben ook een belaste voorgeschiedenis door de relationele problematiek die tussen hun ouders heeft gespeeld. De kinderen zijn bovendien getuige geweest van en/of slachtoffer van kindermishandeling. In dit verband is eerder in een door partijen voor akkoord ondertekend veiligheidsplan van de Gemeente het Hogeland van 7 april 2019 opgenomen, dat sprake is geweest van kindermishandeling door de vader en dat de vader heeft aangegeven dat dit zo weer kan gebeuren als er niets verandert. In dat veiligheidsplan is als grootste zorg voor de toekomst benoemd, dat de man opnieuw zijn beheersing zal verliezen en de kinderen zowel fysiek als verbaal zal mishandelen, waardoor de kinderen verdere schade zullen oplopen. De beoordeling Waar gaat het in deze zaak om? Het gaat in deze zaak om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] die geen contact meer hebben met hun vader. Hun moeder staat, in beginsel, niet (meer) open voor contactherstel en vindt dat de belangen van de kinderen zich ook tegen contactherstel verzetten. De vader wil dat contact wel, hij vindt dat hij recht op contact met zijn kinderen heeft. De vader wil onderdeel van hun leven blijven uitmaken. Hij wil graag dat hulpverlening wordt ingezet om tot contactherstel te komen. Wat regelt de wet en wat blijkt uit relevante rechtspraak? [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geboren uit het huwelijk van hun ouders. De wet regelt in artikel 1:251 lid 1 en 1:253aa van het Burgerlijk Wetboek (hierna "BW") dat ouders die met elkaar gehuwd zijn samen het gezag over hun kinderen uitoefenen en dat zij ook na de scheiding dat gezag samen blijven uitoefenen. De wet bepaalt in artikel 1:247 lid 1 BW dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat van de ouders om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt wat opvoeding en verzorging inhoudt; het gaat onder meer om de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van een kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn het niet eens over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken en zij zijn ook niet tijdens de mondelinge behandeling tot een vergelijk gekomen. De rechter zal daarom op de voet van artikel 1:253a BW beslissen wat hij in het belang van de kinderen wenselijk vindt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter een ruime bevoegdheid heeft om te bepalen wat hij wenselijk vindt en dat de rechter in zijn beslissing niet gebonden is aan de grenzen van de rechtsstrijd die door de over en weer gedane verzoeken van de ouders worden bepaald (zie: HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6246, NJ 2008/51). Als ouders niet samen het gezag uitoefenen regelt artikel 1:377a BW het recht op omgang tussen ouders en kinderen. Dat artikel bepaalt dat dit recht bestaat en het tweede lid van dit artikel regelt dat dit recht aan een ouder alleen kan worden ontzegd als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.