RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/730197-19 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/003417-17 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te Leeuwarden, wonende te [woonadres] , thans gedetineerd in P.I. Leeuwarden, te Leeuwarden, Holstmeerweg 7. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 13 december 2019, 10 februari 2020, 20 april 2020, 29 juni 2020, 2 september 2020, 24 november 2020, 27 november 2020 en 4 december 2020. Tijdens de zittingen van 24 en 27 november 2020 is de strafzaak tegen verdachte inhoudelijk behandeld. De verdachte is tijdens deze zittingen verschenen, bijgestaan door mr. D. Wiedeman, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is tijdens deze zittingen vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema. Tijdens de zitting van 4 december 2020 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 13 september 2019 tot en met 14 september 2019 te Groningen en/of (nabij) (de gemeente) Leeuwarden, in elk geval in de provincie Groningen en/of de provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte(n): - ( in Groningen) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij in de auto moest gaan zitten en/of (daarbij) (dreigend) naar zijn tas(
(2018). In een rapport van reclassering Nederland uit 2019 werd opgetekend dat verdachte inmiddels samenwoonde met zijn vriendin en haar zoon. Hij had geen zinvolle dagbesteding, anders dan sporten en de zorg voor zijn stiefzoon. Hij had geen schulden en ontving samen met zijn vriendin een bijstandsuitkering. Er waren zorgen over betrokkenes contact met leden van Outlaw Motorcycle gangs. Betrokkene werd als een kwetsbare man gezien, die mogelijk niet opgewassen was tegen zware criminelen. Harari heeft ter terechtzitting verklaard dat het gedrag dat uitgebreid in politiemutaties beschreven staat, past bij de diagnose van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Gelet op het feit dat het -na afloop van de PIJ-maatregel- aan behandeling van verdachte heeft ontbroken, is het naar het oordeel van de rechtbank onaannemelijk dat zijn psychische stoornis is overgegaan. Ook hierin ligt een aanwijzing dat de psychische stoornis nog bestond en bestaat. Uit voormelde documentatie volgt dat sprake is van een bestendig patroon van het plegen van delicten, waarbij ook voorwaardelijke straffen en een PIJ-maatregel de verdachte niet van het telkens opnieuw plegen van strafbare feiten hebben weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank passen de thans tenlastegelegde feiten bij de eerder bij verdachte vastgestelde stoornis. De deskundigen hebben ter terechtzitting kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis benoemd. Deze zijn: - geregeld de wet overtreden; - gebrekkige spijt-/berouwbeleving; - zich minder goed kunnen inleven in anderen; - prikkelbaarheid/agressie; - impulsiviteit; - gebrek aan verantwoordelijkheid. Op basis van de stukken in het dossier, met name de OVC-gesprekken, komt het volgende beeld naar voren. Verdachte voelde zich gekrenkt doordat een partij hennep van hem was gestolen. Om degene die hij daarvoor verantwoordelijk hield daadwerkelijk ter verantwoording te kunnen roepen, heeft verdachte instrumenteel druk en geweld op aangever uitgeoefend. Harari heeft ter terechtzitting opgemerkt dat zij tijdens het verblijf van verdachte in het PBC weliswaar geen geweldsdoorbraken bij hem heeft waargenomen, maar dat er ook een andere vorm van agressie bestaat, namelijk instrumentele agressie. De rechtbank schat in dat de ultieme geweldsdaad -het in het water gooien van het weerloos gemaakte en de bij vlagen buiten bewustzijn verkerende aangever- in een opwelling tot stand is gekomen. Verdachte heeft vervolgens de wet overtreden toen hij met teveel alcoholhoudende drank op en zonder rijbewijs de auto heeft bestuurd vanaf de plaats van het delict. Bij geen enkele gelegenheid heeft verdachte spijt betuigd aan aangever, waaruit de rechtbank opmaakt dat hij zich minder goed kan inleven in anderen en weinig spijt en berouw ervaart. Tot slot heeft verdachte -anders dan hij wil doen geloven- geen volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, maar heeft hij zich beperkt tot het bekennen van die handelingen waarvoor in zijn visie voldoende bewijs voorhanden was, zoals hij ook tijdens zijn verblijf in de P.I. met zijn moeder en partner had besproken. In al deze aspecten van het handelen van verdachte ziet de rechtbank sterke aanwijzingen dat de persoonlijkheidsstoornis niet uit zichzelf is overgegaan en ook bestond ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Ook in het gedrag van de verdachte in de penitentiaire inrichting, zoals het instrumenteel toepassen van geweld door een medegedetineerde te bedreigen om zodoende voor overplaatsing in aanmerking te kunnen komen en de behoefte aan kleding die geschikt is om spullen te smokkelen, ziet de rechtbank bepaald geen contra-indicatie voor het bestaan van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Bovendien hebben de deskundigen Witvliet en Harari in het onderzoek bij het PBC kleine trekken gezien van kenmerken die passen bij deze persoonlijkheidsstoornis. Conclusie Gelet op hetgeen in het bijzonder door de deskundigen Witvliet en Harari naar voren is gebracht over het ontstaan en voortbestaan van een stoornis als de onderhavige acht de rechtbank de in 2014 door C. van den Bergh gestelde diagnose niet achterhaald en ook nu nog geldig. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank vast dat het er voor moet worden gehouden dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychische stoornis, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, bestond. Sterker nog, de rechtbank is van oordeel dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachtes handelen mede door de stoornis is beïnvloed. De rechtbank overweegt daarbij dat de deskundigen Witvliet en Harari weliswaar spreken in termen van mogelijkheid van het nu nog bestaan van in 2014 vastgestelde stoornis en niet kunnen uitsluiten dat deze verdwenen zou kunnen zijn, maar dat uit de strafrechtelijke levensloop van verdachte, noch uit wat er verder over hem bekend is, enig aanknopingspunt kan worden afgeleid dat de rechtbank tot een andere vaststelling noopt. De enkele omstandigheid dat de deskundigen, gelet op hun beroepsethiek, nu niet tot een actualisering van de diagnose kunnen komen doet daaraan niet af. De stelling van verdachte dat hij sinds 2018 door zijn huidige relatie is veranderd, hetgeen is versterkt door de geboorte van zijn kind afgelopen zomer, kan op geen enkele wijze worden getoetst. Door zijn onwil om de door justitie ingeschakelde deskundigen ook maar enig inzicht te verschaffen omtrent zijn geestvermogens heeft verdachte dat onmogelijk gemaakt. Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of -ter bescherming van de maatschappij- een terbeschikkingstelling met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gebleken is dat bij verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanzienlijk recidivegevaar. De inschatting van dat gevaar ontleent de rechtbank aan de langjarige duur van het bestaan van de antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en de daaraan voorafgegane ernstige gedragsstoornis, als ook het bestendige delictspatroon, waarin een toename in ernst van geweldsdelicten valt te ontwaren. Daarbij neemt de rechtbank bovendien in aanmerking de uitkomsten van het risicotaxatie-instrument door de deskundigen van het PBC. Deze geven weliswaar een onvolledig beeld, maar verdachte scoort hoog op de historische items en er valt geen enkele protectieve factor aan te wijzen. Verder betrekt de rechtbank daarbij de professionele inschatting van de reclassering. De rechtbank vindt het, ter bescherming van de maatschappij, niet verantwoord om verdachte daarin te laten terugkeren, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is teruggebracht, waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren. Verdachte heeft door te volharden in zijn weigering medewerking te verlenen aan het door gedragsdeskundigen (onder wie een psychiater) te verrichten onderzoek, iedere opening voor een verder onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. De door verdachte begane feiten zijn misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist. Gelet op de bewezenverklaring voor -kort gezegd- medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging doodslag, wordt de maatregel opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen, of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. Dat maakt dat de maatregel niet gemaximeerd is. Zoals eerder overwogen past bij het handelen van verdachte ook een bestraffing, in beginsel in de vorm van een langdurige gevangenisstraf. De maatregel van tbs met dwangverpleging dient ter bescherming van de maatschappij. Deze maatregel brengt naar verwachting voor verdachte mee dat hem voor langere tijd zijn vrijheid wordt ontnomen. De rechtbank zal met het oog daarop de op te leggen gevangenisstraf matigen. Uit een oogpunt van vergelding en normbevestiging vindt de rechtbank -naast de maatregel van tbs met dwangverpleging- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend en zal deze aan verdachte opleggen. Inbeslaggenomen goed De rechtbank acht het vuurwapen met munitie, dat is aangetroffen in de auto die bij verdachte in gebruik was, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang. Benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.303,76 ter vergoeding van materiële schade en € 20.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vordering gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit. Primair omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair omdat de verschillende opgevoerde schadeposten niet dan wel onvoldoende duidelijk zijn onderbouwd, waardoor geen goede inschatting gemaakt kan worden of er sprake is van een causaal verband met de strafbare feiten. Nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in het geval de rechtbank komt tot toewijzing van immateriële schade in verband met psychische schade het gevorderde bedrag flink moet worden gematigd, omdat hoe hoger het gevorderde bedrag is hoe meer eisen er aan de onderbouwing mogen worden gesteld. Oordeel van de rechtbank De materiële schade Door de benadeelde partij wordt een bedrag van € 600,-- voor kleding, zoals jas, schoenen, trainingspak en pet gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade aan zijn kleding heeft geleden ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. De vordering is echter niet onderbouwd. De aanschafwaarde en de aanschafdatum van de kleding is niet bekend. De rechtbank zal daarom gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek de hoogte van de schade op € 200,-- schatten. Voor het overig gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Door de benadeelde partij wordt een bedrag van € 325,-- gevorderd voor geld dat hem tijdens de bewezenverklaarde feiten is afgenomen. De diefstal van het geld is niet ten laste gelegd. Tevens blijkt uit het dossier onvoldoende duidelijk dat de benadeelde partij dit geld is afgenomen. Gelet daarop ontbreekt het rechtstreekse verband met de bewezenverklaarde feiten, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Door de benadeelde partij wordt een bedrag van € 385,-- aan ziektekosten gevorderd. Dit bedrag betreft het verplichte wettelijke eigen risico van de zorgverzekering. Door de verdediging wordt het bedrag betwist en er is geen onderbouwing gegeven dat de benadeelde partij eerder in het jaar nog niets van zijn eigen risico had gebruikt. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor dit deel daarom niet-ontvankelijk verklaren. Door de benadeelde partij worden bedragen van € 933,76 en € 60,-- voor gemaakte tandartskosten gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade aan zijn tanden heeft gehad ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. De vordering is echter onvoldoende onderbouwd, omdat niet is aangegeven waarom juist de in de facturen omschreven behandelingen zijn uitgevoerd en in hoeverre deze in verband kunnen worden gebracht met de bewezenverklaarde feiten. Omdat de rechtbank het op basis van de bewijsmiddelen wel aannemelijk acht dat er door het onder
- primair bewezenverklaarde feit schade is ontstaan aan het gebit van verdachte, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en de hoogte van de schade op € 500,-- schatten. Voor het overig gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De immateriële schade Door de benadeelde partij is vergoeding van immateriële schade gevorderd in verband met geleden psychische schade. In het geval sprake is van lichamelijk letsel, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en in een auto is meegenomen van Groningen naar Leeuwarden. In Leeuwarden zijn ze met hem naar een afgelegen gebied gereden, waar met tiewraps en ducttape zijn handen en voeten werden vastgebonden en ducttape over zijn ogen en mond werd geplakt. Vervolgens werd hij geschopt en geslagen, met terpentine overgoten en is hij vastgebonden in een sloot gegooid en achtergelaten. Tijdens de hiervoor beschreven handelingen heeft de benadeelde partij doodsangsten uitgestaan. De benadeelde partij heeft in zijn vordering gemotiveerd onderbouwd wat de strafbare feiten met hem hebben gedaan en wat de gevolgen hiervan voor hem zijn in zijn dagelijks leven. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op € 10.000,--. De rechtbank zal de immateriële schade tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren. Concluderend Gelet op het voorgaand zal de vordering tot een bedrag van € 10.700,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019 toewijzen. De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien een of meer van zijn medeverdachten deze al heeft of hebben betaald, en andersom. Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering na voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk arrest van 12 juni 2018 de het gerechtshof Leeuwarden-Arnhem, locatie Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 juni
- Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 16 november 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57, 63, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder
- en
- primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: Een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. feit 1 en 2: Benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.700,-- (zegge: tienduizend zevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 10.700,-- (zegge: tienduizend zevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2019, en bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 88 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 700,-- aan materiële schade en € 10.000,-- aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen vuurwapen met munitie. Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 21/003417-17: Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 12 juni 2018, te weten: drie maanden gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december
- Mr. C.H. Beuker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; tenzij aangegeven bevinden de genoemde pagina's zich in het doorgenummerde proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2019244747, gesloten op 29 november
- Verklaring [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2020; Verklaring [verdachte] d.d. 23 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk X; Verklaring [medeverdachte 2] d.d. 19 februari 2020, aanvullend stuk E; Schriftelijke verklaring van [verdachte] van april 2020, aanvullend stuk F; Proces-verbaal, pagina 886; Schriftelijke verklaring van [verdachte] van april 2020, aanvullend stuk F; Verklaring [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2020; Verklaring [medeverdachte 1] , d.d. 16 juni 2020, ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk H. Verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 13 januari 2020, aanvullend stuk B; Proces-verbaal, pagina's 263 en 264; Proces-verbaal, pagina 271; Proces-verbaal, pagina 285; Proces-verbaal, pagina's 274 en 275; Proces-verbaal, pagina's 276 en 277; Verklaring [getuige] , d.d. 24 februari 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk N; Proces-verbaal, pagina 755; Proces-verbaal, pagina 270; Proces-verbaal, pagina 271; Proces-verbaal, pagina 273; Proces-verbaal, pagina's 579 t/m 581; Aanvullend proces-verbaal d.d. 14 september 2020 en foto 2 van de fotomap, aanvullend stuk J; Proces-verbaal, pagina's 579 t/m 581; Proces-verbaal, pagina 395; Proces-verbaal, pagina 807; Proces-verbaal, pagina 300; Proces-verbaal, pagina 299; Proces-verbaal, pagina 313; Proces-verbaal, pagina 77; Proces-verbaal, pagina 314; Proces-verbaal, pagina 78; Proces-verbaal, pagina 384; Proces-verbaal, pagina 806; Proces-verbaal, pagina 384; Proces-verbaal, pagina 304; Proces-verbaal, pagina 414; Proces-verbaal, pagina 437; Proces-verbaal, pagina’s 437 t/m 440; Proces-verbaal, pagina 384; Proces-verbaal, pagina’s 438 en 441; Proces-verbaal, pagina 384; Proces-verbaal, pagina 439; Proces-verbaal, pagina’s 476 t/m 479; Proces-verbaal, pagina’s 450 en 451; NFI-rapport d.d. 30 januari 2020, aanvullend stuk C; Verklaring [slachtoffer] d.d. 16 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk Q; Proces-verbaal, pagina 761; Verklaring [slachtoffer] d.d. 16 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk Q; Proces-verbaal, pagina 759; Proces-verbaal, pagina’s 761, 762, 764 en 765; Verklaring [slachtoffer] d.d. 16 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk Q; Proces-verbaal, pagina 772; Proces-verbaal, pagina 797; Verklaring [slachtoffer] d.d. 16 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk Q; Proces-verbaal, pagina's 775 en 776; Proces-verbaal, pagina 763; Verklaring [slachtoffer] d.d. 16 september 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk Q; Proces-verbaal, pagina 798; Proces-verbaal, pagina 767; Proces-verbaal, pagina 886; Verklaring [naam 1] d.d. 24 februari 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris, aanvullend stuk O; Proces-verbaal, pagina's 519 en 520; Proces-verbaal, pagina 640; Proces-verbaal, pagina 640; Proces-verbaal, pagina's 513 en 514; Proces-verbaal, pagina 587; Proces-verbaal, pagina's 519 en 520; Proces-verbaal, pagina's 598 en 602; Proces-verbaal, pagina's 609, 611, 614, 616 en 617; Proces-verbaal, pagina's 640, 650 en 651; Proces-verbaal, pagina 307.