RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Groningen zaaknummer: C/18/201359 / FT RK 20/826 vonnis van 14 december 2020 in de zaak van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoeker, tegen [verweerster] , vertegenwoordigd door Nova Incasso, [adres] , hierna te noemen: verweerster. PROCESGANG Op 30 september 2020 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door Omnes Schuldhulp. Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 30 november
- Hierbij zijn verschenen verzoeker tezamen met de heer [naam c] van Omnes Schuldhulp (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) en de heer [naam b] en mevrouw [naam a] van Aktiva. Er is niemand namens verweerster ter zitting verschenen. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. RECHTSOVERWEGINGEN Verzoeker heeft op 21 augustus 2020 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: verzoeker zal gedurende drie jaar zijn afloscapaciteit van € 53,00 per maand, vastgesteld volgens de NVVK-norm, sparen. Jaarlijks zal het gespaarde bedrag worden doorbetaald aan de schuldeisers. Op basis van het huidige inkomen is de prognose dat er 14,05 % aan de preferente schuldeisers en 7,03 % aan de concurrente schuldeisers kan worden uitgekeerd. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft als reden voor het onthouden van haar instemming opgegeven dat zij het aanbod te laag vindt. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker een uitkering op grond van de Participatiewet van € 999,70 per maand ontvangt. Voor verzoeker is een vrij te laten bedrag berekend van € 1.009,51 per maand, zodat op basis van de huidige inkomenssituatie geen sprake is van afloscapaciteit. Wanneer de wettelijke schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing is, zullen de schuldeisers naar verwachting – mede vanwege de kosten die aan dat traject verbonden zijn – geen (hogere) uitkering tegemoet zien. Vanwege een grote afstand tot de arbeidsmarkt volgt verzoeker sinds juni 2017 vanuit de gemeente een traject tot dagbesteding. De duur van het traject is in april 2020 verlengd tot 31 december
- Het aanbod is volgens verzoeker dan ook het maximaal haalbare. Daarbij is het aanbod van verzoeker gebaseerd op een prognose, zodat bij een eventuele stijging van het inkomen een hoger bedrag voor de schuldeisers zal worden gereserveerd. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener het standpunt herhaald dat het aanbod – door de grote afstand tot de arbeidsmarkt – het maximaal haalbare is voor verzoeker. Verzoeker heeft hieraan toegevoegd dat het voor een Brit zonder kwalificaties moeilijk is om een baan te vinden. Verweerster heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om haar bezwaren tegen het verzoek mondeling dan wel schriftelijk toe te lichten. BEOORDELING De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of verweerster in redelijkheid tot haar weigering kon komen, moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord. Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat verweerster een betaling van 7,03 % van haar vordering tegemoet kan zien. Dit zal (in beginsel) moeten worden vergeleken met de situatie dat op verzoekster de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair gevorderd. Op basis van de huidige inkomenssituatie kan er – bij gelijkblijvende omstandigheden – aan het einde van de schuldsaneringsregeling, na aftrek van de kosten, aan de schuldeisers geen uitkering aan de schuldeisers worden gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet te verwachten dat in de inkomenssituatie van verzoeker – gelet op de afstand van verzoeker tot de arbeidsmarkt – aanzienlijke wijzigingen zullen plaatsvinden. Mocht het inkomen van verzoeker en daarmee de afloscapaciteit in de komende drie jaar veranderen, dan heeft dit zowel in de wettelijke schuldsaneringsregeling als in het minnelijk traject invloed op het uitkeringspercentage aan de schuldeisers. De rechtbank merkt daarbij op dat de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling hoger zijn dan de bemiddelingskosten die de schuldhulpverlener in rekening brengt. Omdat het alternatief van de wettelijke schuldsaneringsregeling de schuldeisers geen gunstiger vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is de rechtbank van oordeel dat verweerster in redelijkheid niet tot weigering van de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat alle overige schuldeisers (samen ruim 92% van het gehele schuldenbedrag vertegenwoordigend) hebben verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord en dat verweerster de enige weigerachtige is. Nu verweerster bovendien niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om haar bezwaren tegen het aanbod nader toe te lichten, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. BESLISSING De rechtbank: - beveelt verweerster in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling. Dit vonnis is gewezen door mr. mr. N.A. Baarsma, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.