← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:1154

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/305607-19 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 februari 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], wonende aan de [straatnaam], [woonplaats], Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 februari

  1. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijkals bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met aanhangwagen), daarmederijdende over de weg, de Peizerweg, gekomen op of ter hoogte van de in/uitritnaar de parkeerplaats van het Tuinland Groningen BV, zich zodanig heeftgedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevondendoor roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ofonoplettend, vanaf die weg, de Peizerweg, ter hoogte van die in/uitrit naar rechtsis afgeslagen, althans naar rechts heeft gestuurd (teneinde de parkeerplaats vanhet Tuinland Groningen BV in/op te rijden), op het moment dat een hem,verdachte, op het fietspad, de Peizerweg, tegemoetkomende bromfietser dicht wasgenaderd, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat doorhem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bromfietser, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1996, waardoor zwaar lichamelijk letsel, te weten eenbreuk in de heup, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruittijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden isontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden: hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Groningen als bestuurder van eenpersonenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Peizerweg,gekomen op of ter hoogte van de in/uitrit naar de parkeerplaats van het TuinlandGroningen BV, bij het afslaan naar rechts, teneinde die parkeerplaats op te rijden,een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets ([slachtoffer]) niet heeft laten voorgaan, waarbij deze bestuurder van een bromfietszwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de heup, werd toegebracht ofschade aan goederen is toegebracht. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 vereiste mate van schuld niet kan worden bewezen. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft op dezelfde grond als de officier van justitie betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feite en dat een veroordeling kan volgen voor het subsidiair tenlastegelegde feit. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto bij het afslaan naar rechts een hem op het parallel gelegen fietspad tegemoetkomende bromfietser over het hoofd gezien en hem geen voorrang verleend. Dit heeft geleid tot een botsing tussen beide voertuigen. De bromfietser heeft hierbij letsel opgelopen, bestaande uit een breuk in zijn heup. Bij de beantwoording van de vraag of verdachte zich zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig of onoplettend handelen en dat aldus geen sprake is geweest van de voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 vereiste mate van schuld. Dat verdachte de bromfietser over het hoofd heeft gezien, is zeker onoplettend, maar is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is aanmerkelijke onoplettendheid. Verdachte wordt daarom van het hem primair tenlastegelegde feit vrijgesproken. De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
  2. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2021;
  3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 3 april 2019, opgenomen op pagina 2 e.v. in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019034125 d.d. 3 april 2019, inhoudend het relaas van verbalisanten. Bewezenverklaring De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 8 februari 2019 te Groningen als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Peizerweg, gekomen op of ter hoogte van de in/uitrit naar de parkeerplaats van het Tuinland Groningen BV, bij het afslaan naar rechts, teneinde die parkeerplaats op te rijden, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een bromfiets ([slachtoffer]) niet heeft laten voorgaan, waarbij deze bestuurder van een bromfiets zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de heup, werd toegebracht. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Subsidiair: overtreding van het bepaalde bij artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
  4. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,-- met een proeftijd van 1 jaar. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat er redenen zijn om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of een maatregel. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto geen voorrang verleend aan een bromfietser. Hierdoor zijn beide voertuigen met elkaar in botsing gekomen en heeft de bromfietser die erop vertrouwde voorrang te krijgen, letsel, bestaande uit een breuk in de heup, opgelopen. De rechtbank overweegt dat inmiddels ruim twee jaren zijn verstreken sinds het ongeval heeft plaatsgevonden. In die periode heeft verdachte contact met het slachtoffer onderhouden. Verdachte voelt zich schuldig over het leed dat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Ook hebben de vervolging voor dit strafbare feit en de lange duur tot de berechting grote impact op verdachte gehad. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het slachtoffer de rechtbank heeft laten weten dat hij vindt dat verdachte genoeg is gestraft. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke geldboete, zoals gevorderd door de officier van justitie, geen relevant strafdoel meer dient. De rechtbank is daarom van oordeel dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of een maatregel. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.