RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/3757 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2021 in de zaak tussen [verzoeker] , te Groningen, verzoeker(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder(gemachtigde: mr. R. Snel). Procesverloop In het besluit van 12 juni 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit van 2 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door J.K. de Vries. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.
- Bij besluit van 31 maart 2017 heeft verweerder aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning met atelier op het adres [adres 1] . Vergund zijn de activiteiten bouwen (de woning) en strijdig gebruik (het atelier). De omgevingsvergunning staat in rechte vast. Het aangrenzende perceel met adres [adres 2] te Groningen is eveneens in eigendom van verzoeker. Hieronder duidt de voorzieningenrechter deze adressen gezamenlijk aan als perceel. 2.
- Bij inspectiebezoeken in januari 2020 heeft verweerder geconstateerd dat in het aangebouwde bijgebouw, oorspronkelijk in gebruik als atelier en als berging, een verbouwing heeft plaatsgevonden waarbij twee appartementen zijn gerealiseerd. 3.
- In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat de situatie in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze strijdigheid kan, aldus verweerder, worden opgeheven door het geheel in oude staat terug te brengen, zijnde het terugbrengen van het bijgebouw in een ondergeschikte functie. Hiertoe legt verweerder verzoeker een last op onder dwangsom van € 2.500 per constatering tot een maximum van € 10.
- 3.
- In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het uitgebrachte advies van de adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard en de last gehandhaafd.
- De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
- De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder stelt dat er sprake is van het, zonder omgevingsvergunning, bouwen (onderdeel a van artikel 2.1, eerste lid, Wabo) en gebruiken strijdig met het bestemmingsplan (onderdeel c). Gezien de structuur van de regelgeving zal de voorzieningenrechter eerst onderdeel c bespreken. 5.
- De gerealiseerde appartementen zijn bedoeld om voor langere tijd te worden verhuurd. Daarnaast hebben ze de voorzieningen die noodzakelijk zijn om als zelfstandige eenheid te worden beschouwd. Gelet hierop dienen de appartementen naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter aangemerkt te worden als zelfstandige woningen. Het enkele feit dat de verhuur niet het verblijf in het weekend omvat, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het bestemmingsplan bepaalt dat een zelfstandige woning in een aangebouwd bijgebouw niet is toegestaan, de situatie die zich in deze zaak voordoet. Het betoog dat in het bouwvlak in beginsel twee woningen toelaten, doet niet terzake alleen al omdat het bijgebouw niet in het bouwvlak ligt. 5.
- Het bestemmingsplan bepaalt voorts dat logies onder voorwaarden in het hoofdgebouw is toegestaan. Voor zover verzoeker beoogt logies aan te bieden, is dit dus niet toegestaan in het bijgebouw. 5.
- De voorzieningenrechter deelt voorts niet het standpunt van verzoeker dat ruimtes in het aangebouwde bijgebouw voor verblijf mogen worden verhuurd omdat ter plaatse op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten wonen-werken een activiteit met SBI-code 68 (Verhuur van en handel in onroerend goed) is toegestaan. Ter plekke is toegestaan de kantoorfunctie ten behoeve van verhuuractiviteiten die elders worden uitgeoefend. 5.
- Omdat het door verzoeker beoogde gebruik strijdig is met het bestemmingsplan, wordt in de artikelen 2, 5 en 8 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) - en niet in artikel 3 - bepaald of de bouwactiviteit in kwestie omgevingsvergunningvrij is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in dit geval geen sprake, reeds omdat artikel 5 bepaalt dat het aantal woningen gelijk dient te blijven. 5.
- De voorzieningenrechter deelt daarom de opvatting van verweerder dat zich zowel een overtreding van onderdeel a als van onderdeel c voordoet.
- Omdat er sprake is van een overtreding, rust op verweerder de beginselplicht tot handhaving. Van een mogelijkheid tot legalisatie is niet gebleken. Evenmin is gebleken van omstandigheden die voor verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding zouden moeten zijn om van handhaving af te zien. Er is daarom geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter zal niet ook op het beroep beslissen omdat verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op de juridische motivering door verweerder dat sprake is van een overtreding. Verzoeker heeft voor de zitting geen kennis genomen van het verweerschrift, zodat pas ter zitting aan de orde is gekomen dat volgens verweerder de situatie beoordeeld moet worden aan de hand van de artikelen 2, 5 en 8 van Bijlage II van het Bor. In het bestreden besluit komt uitsluitend toetsing aan de artikelen 3 en 5 van Bijlage II van het Bor aan de orde.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…) Besluit omgevingsrecht § 2.
- Aanwijzing van categorieën gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist Artikel 2.
- Bouwen en planologische gebruiksactiviteiten In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of c, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II. Bijlage II. Behorende bij de artikelen 2.3, 2.5a en 2.7 Hoofdstuk III. Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist Artikel 2 Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: (…)
- een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: (…) Artikel 5
- Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. (…) Bestemmingsplan Oosterhoogebrug en Ulgersmaborg, zoals gewijzigd bij Bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen 2 Artikel 1 Begrippen (…) 1.89 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.90 zelfstandige woning: een woning met een eigen afsluitbare toegang die een huishouden kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte. (…) Artikel 13.1 Wonen De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. zelfstandige woningen (…) (…) e. logies met ontbijt, met dien verstande dat deze functie uitsluitend mag worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en ten dienste van deze functie maximaal twee (slaap)kamers voor toeristisch-recreatief nachtverblijf mogen worden gebruikt; f. een bedrijf als bedoeld in de categorieën 1 en 2 van de bij dit plan behorende Staat van (van bedijfsactiviteiten wonen – werken (toevoeging rechtbank)) (bijlage 2), met uitzondering van geluidszoneringplichtige en risicovolle inrichtingen, ter plaatse van de aanduiding bedrijf; Artikel 13.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 7.10, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend: (…) b. het gebruik van aangebouwde bijgebouwen als afzonderlijke woning; Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten wonen-werken (…) 41, 68 Verhuur van en handel in onroerend goed (…)