RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 19/2840 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Doetinchem, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde verweerder] ). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister. Procesverloop Eiser heeft op 21 november 2018 bezwaar gemaakt tegen een voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 juli 2019 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2021 via een beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde eiser] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam eerste gemachtigde van verweerder] en [naam tweede gemachtigde van verweerder] . Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.1. Eiser heeft met dagtekening 5 oktober 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz C-Klasse Combi, C320 CDI Avantgarde met chassisnummer [chassisnummer] . Het betreft een auto met schade. Volgens de aangifte is € 212 bpm verschuldigd. De verschuldigde bpm is berekend middels een taxatierapport. 1.2. In het taxatierapport zijn drie referentievoertuigen opgenomen met verkoopprijzen van € 12.000, € 11.500 en € 10.495 (gemiddelde: € 11.331). De handelsinkoopwaarde is vervolgens berekend op € 9.064 (80% van € 11.331). De kosten voor herstel van de schade zijn berekend op € 11.207. De handelsinkoopwaarde van de auto voor een handelaar in Nederland is volgens het taxatierapport € 750. 1.3. De in het taxatierapport opgenomen referentieauto’s zijn allemaal van hetzelfde merk en type als de door eiser geïmporteerde auto en hebben onder meer de volgende kenmerken: Auto 1 Auto 2 Auto 3 Prijs € 12.000 € 11.500 € 10.495 Bouwjaar 2008 2008 2008 Kilometerstand 298.959 255.130 278.595 Transmissie Automaat Automaat Automaat APK t/m november 2018 t/m augustus 2019 t/m augustus 2019 Kenteken [kenteken 1] [kenteken 2] [kenteken 3] Motorvermogen 165 kW 165 kW 165 kW 1.4. De verschuldigde bpm is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 70.427, een handelsinkoopwaarde van € 750 en een historisch bruto bpm-bedrag van € 20.068. 1.5. De volgens de aangifte verschuldigde belasting is voldaan op 12 oktober 2018. 1.6. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen de voldoening op aangifte (zie 1.1. en 1.5.) ontvangen op 21 november 2018. 1.7. Bij brief met dagtekening 8 februari 2019 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek op 16 april 2019 ter zake van onder meer het bezwaarschrift van eiser. 1.8. Bij brief met dagtekening 25 april 2019 heeft verweerder eiser een verslag van het hoorgesprek gestuurd. Het hoorverslag luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Hoorgesprek 16 april 2019 Locatie: Belastingkantoor Doetinchem Tijdstip: 10.00 uur Namens belanghebbende: Namens Belastingdienst: Dhr. [naam gemachtigde eiser] Dhr. [naam eerste gemachtigde van verweerder] Dhr. [naam collega gemachtigde van eiser] Dhr. [naam medewerker van verweerder] Vooraf Voor dit hoorgesprek is op 8 februari 2019 een uitnodiging verzonden. Bij de uitnodiging is een lijst met te bespreken dossiers bijgevoegd, zodat de gemachtigde zich kan voorbereiden. Voorafgaand aan het formele hoorgesprek heeft belanghebbende inzage gehad in alle te bespreken dossiers. De inzage vond plaats vanaf 10.00 uur, in het bijzijn van twee administratief ondersteuners. Gemachtigde heeft om hem moverende redenen besloten niet alle dossiers in te zien. Slechts 5 dossiers zijn ingezien. Het formele hoorgesprek heeft rond de klok van 10.20 uur plaatsgevonden en heeft ongeveer 1 uur in beslag genomen. Samenvatting hoorgesprek: Kentekens Tijdens de inzage heeft belanghebbende geen kentekens aangetroffen. Dhr. [naam gemachtigde eiser] zegt meerdere malen een toezegging te hebben gekregen dat er kentekens in de dossiers aanwezig zijn.Dhr. [naam gemachtigde eiser] zegt dat dhr. [naam gemachtigde verweerder] al jaren ontkent dat de Belastingdienst over kentekengegevens beschikt. Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de bezwaarbehandelaar alle informatie dient te verstrekken om een goede bezwaarprocedure te kunnen voeren, zoals kentekengegevens en koerslijsten. Oftewel alle informatie welke de klant van belang acht voor een goede bezwaarprocedure. Belastbaar feit Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de kennisname van het belastbaar feit niet wordt verstrekt waardoor het belastbare feit wordt onthouden. Hij is van mening dat de voldoening van de BPM na het belastbare feit dient plaats te vinden, zoals bij vergunninghouders het geval is. Koerslijsten Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de Belastingdienst moet waarborgen dat er niet teveel BPM wordt geheven. Hij wil van de Belastingdienst een brief ontvangen waarin bevestigd wordt dat in alle gevallen de koerslijsten gebruikt mogen worden i.p.v. de wettelijke 3 tot 5 referentievoertuigen. Dhr. [naam gemachtigde eiser] baseert zich op een uitspraak van de Hoge Raad. Dossiers [naam derde belastingplichtige #1] / [naam derde belastingplichtige #2] Kantoor Utrecht heeft 25 á 30 bezwaardossiers in behandeling van twee artikel 8 aangevers ( [naam derde belastingplichtige #1] / [naam derde belastingplichtige #2] ). Van een groot deel van deze dossiers heeft op 10 december 2018 het hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor Utrecht. De heer [naam gemachtigde eiser] maakte zich toen bekend als juridisch adviseur. De aangevers zijn gevraagd om akkoord te gaan met verlenging beslistermijn tot 15 april 2019. Hierop heeft dhr. [naam gemachtigde eiser] middels mailbericht van 7 maart 2019 te kennen gegeven akkoord te gaan. Dhr. [naam gemachtigde eiser] gaat nogmaals akkoord met een termijnverlening tot 15 mei 2019.” 1.9. De rechtbank heeft ter zake van het beroep van eiser € 174 griffierecht geheven. Vooraf Verbod op uitlegging Unierecht en verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen 2. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – eerst prejudiciële vragen gesteld moeten worden aan Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). 3. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiser betoogt, is de rechtbank niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stellingen van eiser. De hoogte van het griffierecht en vooraf heffen van griffierecht 4. Eiser stelt onder verwijzing naar de conclusie van A-G Jaaskinen in de zaak Orizzonte en het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van de vordering, en mogelijk zelfs niet meer dan 2%., Het van eiser geheven griffierecht bedraagt meer dan de gehele vordering, hetgeen in strijd is met het Unierecht. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiser. 5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. De Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht is voorts niet van dien aard dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. Eisers klachten over het griffierecht treffen daarom geen doel. Geschil 6. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: Is de hoorplicht geschonden? Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Moet eiser gecompenseerd worden voor het vooraf moeten voldoen van de bpm? Heeft eiser teveel bpm voldaan? Moet verweerder rente vergoeden wegens in strijd met het Unierecht geheven belasting? Verder verzoekt eiser een immateriële schadevergoeding, vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht en een veroordeling in de werkelijke proceskosten. Beoordeling a. Is de hooplicht geschonden? 7. Eiser stelt dat zijn recht om gehoord te worden is geschonden. Ter zitting heeft eiser deze stelling nader toegelicht. Gemachtigde van eiser is uitgenodigd voor een hoorgesprek ten kantore van verweerder. Hij is daar ook verschenen. Een hoorgesprek was echter niet mogelijk omdat hij voorafgaand aan het gesprek geen inzage kreeg in alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Volgens eiser hadden het kentekengegeven van de in geschil zijnde auto in het dossier moeten zitten. Zonder dat gegeven konden de bezwaargronden niet volledig toegelicht worden, aldus eiser. 8. Verweerder stelt onder verwijzing naar de uitnodiging voor het hoorgesprek (zie 1.7.) en het verslag van het hoorgesprek (zie 1.8.) dat de hoorplicht niet geschonden is. Verweerder stelt verder dat het bezwaar niet alleen draait om het kentekengegeven, en dat mogelijk tijdens het hoorgesprek het kenteken alsnog opgezocht had kunnen worden. 9. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij ten eerste stelt dat het inzagerecht geschonden is omdat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage heeft gegeven. Het gaat dan om het kentekengegeven van de in geschil zijnde auto. De rechtbank begrijpt eiser voorts zo dat hij het kenteken nodig heeft om de datum van de tenaamstelling van de auto op te vragen, om vervolgens aan de hand daarvan een beroep te kunnen doen op (extra) leeftijdskorting dan wel te verzoeken om een rentevergoeding omdat de bpm betaald moest worden voordat de tenaamstelling plaats vond. Vervolgens stelt eiser dat hij, omdat het kentekengegeven ontbrak, niet effectief gebruik kon maken van zijn recht om gehoord te worden, zodat om die reden het recht om gehoord te worden is geschonden. 10. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient verweerder belanghebbende voorafgaand aan het horen in de gelegenheid te stellen om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ vallen alle stukken die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.