RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/3891, LEE 19/3893 en LEE 19/3894 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser (gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Doetinchem, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde verweerder] ). Procesverloop Zaaknummer LEE 19/3891 Eiser heeft op 20 november 2018 bezwaar gemaakt tegen een voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Zaaknummer LEE 19/3893 Eiser heeft op 21 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen een voldoening op aangifte van bpm. Zaaknummer LEE 19/3894 Eiser heeft op 31 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen een voldoening op aangifte van bpm. Alle zaaknummers Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 30 oktober 2019 de bezwaren ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft in elke zaak een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2021 via een beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam eerste gemachtigde verweerder] en [naam tweede gemachtigde verweerder] . Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Feiten zaaknummer 19/3891 1.1. Eiser heeft met dagtekening 16 oktober 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Fiat Ducato 3.5, 2.3 MJ L3H2, met chassisnummer [chassisnummer auto 1] . Voor deze kampeerauto is kenteken [kenteken auto 1] afgegeven. De tenaamstelling heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. Het betreft een bestelauto die vóór de registratie in het kentekenregister is omgebouwd tot een kampeerauto. De datum eerste toelating is 15 februari 2018. 1.2. Volgens de aangifte is € 8.366 bpm verschuldigd. De verschuldigde bpm is berekend op grond van de afschrijvingstabel. Eiser is uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 30.100 en een bruto bpm van € 11.620 (37,7% van € 30.100 + vermeerderingsbedrag van € 273). De netto catalogusprijs is gebaseerd op de consumentenprijs van een Fiat Ducato 3.5T, 2.3 MJ L3H2 met een motorvermogen van 96 kW en € 950 aan opties. De verschuldigde bpm ad € 8.366 is vervolgens berekend door toepassing van een afschrijving van 28% (72% van € 11.620 = € 8.366). 1.3. De verschuldigde belasting is voldaan op 18 oktober 2018. 1.4. De rechtbank heeft ter zake van het beroep van eiser € 174 griffierecht geheven. Feiten zaaknummer 19/3893 1.5. Eiser heeft met dagtekening 19 juli 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Fiat Ducato 3.5, 2.3 MJ L3H2, met chassisnummer [chassisnummer auto 2] . Voor deze kampeerauto is kenteken [kenteken auto 2] afgegeven. De tenaamstelling heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2018. Het betreft een bestelauto die vóór de registratie in het kentekenregister is omgebouwd tot een kampeerauto. De datum eerste toelating is 24 april 2017. 1.6. Volgens de aangifte is € 7.226 bpm verschuldigd. De verschuldigde bpm is berekend op grond van de afschrijvingstabel. Eiser is uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 30.250 en een bruto bpm van € 11.677 (37,7% van € 30.250 + vermeerderingsbedrag van € 273). De netto catalogusprijs is gebaseerd op de consumentenprijs van een Fiat Ducato 3.5T, 2.3 MJ L3H2 met een motorvermogen van 96 kW en € 1.100 aan opties. De verschuldigde bpm ad € 7.226 is vervolgens berekend door toepassing van een afschrijving van 38,111% (61.889% van € 11.677 = € 7.226). 1.7. De verschuldigde belasting is voldaan op 25 juli 2018. 1.8. De rechtbank heeft ter zake van het beroep van eiser € 174 griffierecht geheven. Feiten zaaknummer 19/3894 1.9. Eiser heeft met dagtekening 20 augustus 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Fiat Ducato 3.5, 2.3 MJ L3H2, met chassisnummer [chassisnummer auto 3] . Voor deze kampeerauto is kenteken [kenteken auto 3] afgegeven. De tenaamstelling heeft plaatsgevonden op 1 september 2018. Het betreft een bestelauto die vóór de registratie in het kentekenregister is omgebouwd tot een kampeerauto. De datum eerste toelating is 20 april 2017. 1.10. Volgens de aangifte is € 7.167 bpm verschuldigd. De verschuldigde bpm is berekend op grond van de afschrijvingstabel. Eiser is uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 30.730 en een bruto bpm van € 11.858 (37,7% van € 30.730 + vermeerderingsbedrag van € 273). De netto catalogusprijs is gebaseerd op de consumentenprijs van een Fiat Ducato 3.5T, 2.3 MJ L3H2 met een motorvermogen van 96 kW en € 1.580 aan opties. De verschuldigde bpm ad € 7.167 is vervolgens berekend door toepassing van een afschrijving van 39,556% (60,444% van € 11.858 = € 7.167). 1.11. De verschuldigde belasting is voldaan op 24 augustus 2018. 1.12. De rechtbank heeft ter zake van het beroep van eiser € 174 griffierecht geheven. Feiten die zien op alle zaaknummers 1.13. Gemachtigde van eiser is bij brief met dagtekening 8 februari 2019 door verweerder uitgenodigd voor een hoorgesprek op 16 april 2019 voor totaal 77 bezwaardossiers, waaronder de drie bezwaren ten aanzien van de kampeerauto’s waar deze uitspraak op ziet. De brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Betreft: Uitnodiging horen 16 april 2019 Geachte heer [naam gemachtigde eiser] , U hebt aangegeven dat u wenst te worden gehoord naar aanleiding van de vooraankondiging van de uitspraak op uw bezwaarschrift (en). Hierbij stel ik u op 25 februari 2019, van 13.00 uur tot 16.00 uur in gelegenheid om gehoord te worden. Het recht van inzage is op afspraak en kan plaatsvinden in de periode van nu tot het hoorgesprek. Tijdens het horen is er geen mogelijkheid tot inzage. Mocht u verhinderd zijn, graag uiterlijk 2 weken voor bovengenoemde datum contact opnemen met rechtsboven vermelde telefoonnummer voor eventueel een nieuwe datum. Het bezoekadres voor inzage en horen is Hamburgerbroeklaan 12 te Doetinchem.(…)” 1.14. Bij brief van 16 april 2019 heeft verweerder aan gemachtigde van eiser het hoorverslag van het hoorgesprek van 16 april 2019 toegestuurd. Het verslag luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Hoorgesprek 16 april 2019 Locatie: Belastingkantoor Doetinchem Tijdstip: 10.00 uur Namens belanghebbende: Namens Belastingdienst: Dhr. [naam gemachtigde eiser] (gemachtigde) Dhr. [naam eerste gemachtigde verweerder] Dhr. [naam collega gemachtigde van eiser] Dhr. [naam medewerker van verweerder] Vooraf Voor dit hoorgesprek is op 8 februari 2019 een uitnodiging verzonden. Bij de uitnodiging is een lijst met te bespreken dossiers bijgevoegd, zodat de gemachtigde zich kan voorbereiden. Voorafgaand aan het formele hoorgesprek heeft belanghebbende inzage gehad in alle te bespreken dossiers. De inzage vond plaats vanaf 10.00 uur, in het bijzijn van twee administratief ondersteuners. Gemachtigde heeft om hem moverende redenen besloten niet alle dossiers in te zien. Slechts 5 dossiers zijn ingezien. Het formele hoorgesprek heeft rond de klok van 10.20 uur plaatsgevonden en heeft ongeveer 1 uur in beslag genomen. Samenvatting hoorgesprek: Kentekens Tijdens de inzage heeft belanghebbende geen kentekens aangetroffen. Dhr. [naam gemachtigde eiser] zegt meerdere malen een toezegging te hebben gekregen dat er kentekens in de dossiers aanwezig zijn. Dhr. [naam gemachtigde eiser] zegt dat dhr. [naam gemachtigde verweerder] al jaren ontkent dat de Belastingdienst over kentekengegevens beschikt. Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de bezwaarbehandelaar alle informatie dient te verstrekken om een goede bezwaarprocedure te kunnen voeren, zoals kentekengegevens en koerslijsten. Oftewel alle informatie welke de klant van belang acht voor een goede bezwaarprocedure. Belastbaar feit Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de kennisname van het belastbaar feit niet wordt verstrekt waardoor het belastbare feit wordt onthouden. Hij is van mening dat de voldoening van de BPM na het belastbare feit dient plaats te vinden, zoals bij vergunninghouders het geval is. Koerslijsten Dhr. [naam gemachtigde eiser] is van mening dat de Belastingdienst moet waarborgen dat er niet teveel BPM wordt geheven. Hij wil van de Belastingdienst een brief ontvangen waarin bevestigd wordt dat in alle gevallen de koerslijsten gebruikt mogen worden i.p.v. de wettelijke 3 tot 5 referentievoertuigen. Dhr. [naam gemachtigde eiser] baseert zich op een uitspraak van de Hoge Raad. Dossiers [naam derde belastingplichtige #1] / [naam derde belastingplichtige #2] Kantoor Utrecht heeft 25 á 30 bezwaardossiers in behandeling van twee artikel 8 aangevers ( [naam derde belastingplichtige #1] / [naam derde belastingplichtige #2] ). Van een groot deel van deze dossiers heeft op 10 december 2018 het hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor Utrecht. De heer [naam gemachtigde eiser] maakte zich toen bekend als juridisch adviseur. De aangevers zijn gevraagd om akkoord te gaan met verlenging beslistermijn tot 15 april 2019. Hierop heeft dhr. [naam gemachtigde eiser] middels mailbericht van 7 maart 2019 te kennen gegeven akkoord te gaan. Dhr. [naam gemachtigde eiser] gaat nogmaals akkoord met een termijnverlening tot 15 mei 2019.” 1.15. De uitspraken op bezwaar luiden – voor zover hier van belang – als volgt: “Volledigheid dossiers en bewijslast Zoals ook al aangegeven in mijn brief aan u, gedagtekend 26 april 2019, zijn de tenaamstellingsgegevens niet standaard in de dossiers aanwezig, omdat deze gegevens ook niet noodzakelijk zijn voor de correcte behandeling van de aangifte. Op het tijdstip van aangifte (en voldoening) heeft er immers nog geen tenaamstelling plaatsgevonden. Het tijdstip van tenaamstelling wordt in hoge mate bepaald door de aanvrager van het kenteken en dat tijdstip onttrekt zich derhalve aan de waarneming van de Belastingdienst. De gegevens kunnen echter wel van invloed zijn op de hoogte van de af te dragen bpm. Een belanghebbende die bezwaar maakt tegen de door hem (of haar) op aangifte voldane bpm en daarbij stelt dat er een te hoog bedrag is afgedragen vanwege de late tenaamstelling, dient bewijs aan te dragen die dat onderbouwt. Ik verwijs hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847). Het door gemachtigde geëiste — het door de Belastingdienst standaard (en dus in alle gevallen) actief opvragen en aanbieden van de tenaamstellingsgegevens — gaat voorbij aan de bewijslast die in deze rust op belanghebbende. Omdat de gegevens niet standaard in de (voldoenings-) dossiers aanwezig zijn, acht ik artikel 7:4, lid 2 Awb niet geschonden als ik de dossiers aanbied zonder de tenaamstellingsgegevens.” Vooraf Verbod op uitlegging Unierecht en verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen 2. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – eerst prejudiciële vragen gesteld moeten worden aan Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). 3. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiser betoogt, is de rechtbank niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stellingen van eiser. De hoogte van het griffierecht en vooraf heffen van griffierecht 4. Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Het van eiser geheven griffierecht bedraagt meer dan de gehele vordering, hetgeen in strijd is met het Unierecht. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiser. 5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. De Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht is voorts niet van dien aard dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. Eisers klachten over het griffierecht treffen daarom geen doel. Geschil 6. In geschil is het antwoord op de volgende vragen: Is de hoorplicht geschonden? Heeft verweerder in beroep alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Moet eiser gecompenseerd worden voor het vooraf moeten voldoen van de bpm? Wie draagt de bewijslast ter zake van de hoogte van de verschuldigde bpm? Heeft eiser teveel bpm voldaan? Moet verweerder rente vergoeden wegens in strijd met het Unierecht geheven belasting? Verder verzoekt eiser een immateriële schadevergoeding en een veroordeling in de werkelijke proceskosten. Beoordeling a. Is de hoorplicht geschonden? 7. Eiser stelt dat zijn recht om gehoord te worden is geschonden. Ter zitting heeft eiser deze stelling nader toegelicht. Gemachtigde van eiser is uitgenodigd voor een hoorgesprek ten kantore van verweerder. Hij is daar ook verschenen. Een hoorgesprek was echter niet mogelijk omdat hij voorafgaand aan het gesprek geen inzage kreeg in alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Volgens eiser hadden de kentekengegevens van de in geschil zijnde kampeerauto’s en koerslijsten voor bestelauto’s (waarop de kampeerauto’s gebaseerd zijn) zonder recreatieve functie in de dossiers moeten zitten. Zonder die gegevens konden eisers stellingen niet nader toegelicht worden, aldus eiser. 8. Verweerder stelt onder verwijzing naar de uitnodiging voor het hoorgesprek (zie 1.13.) en het verslag van het hoorgesprek (zie 1.14.) dat de hoorplicht niet geschonden is. Volgens verweerder heeft eisers gemachtigde er zelf voor gekozen om niet alle dossiers in te zien en is daarmee bewust afgezien van de mogelijkheid om aanvullende grieven in te brengen tijdens het hoorgesprek. Verweerder stelt verder dat het bezwaar niet alleen draait om kentekengegevens, en dat mogelijk tijdens het hoorgesprek de kentekengegevens alsnog opgezocht hadden kunnen worden. 9. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij ten eerste stelt dat het inzagerecht geschonden is omdat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage heeft gegeven. Het gaat dan om de kentekens van de in geschil zijnde auto’s en koerslijsten van bestelauto’s (waarop de kampeerauto’s gebaseerd zijn) zonder recreatieve functie. De rechtbank begrijpt eiser voorts zo dat hij het kenteken nodig heeft om de datum van de tenaamstelling van de auto op te vragen, om vervolgens aan de hand daarvan een beroep te kunnen doen op (extra) leeftijdskorting dan wel te verzoeken om een rentevergoeding omdat de bpm betaald moest worden voordat de tenaamstelling plaats vond. Vervolgens stelt eiser dat hij, omdat voorgenoemde gegevens ontbraken, niet effectief gebruik kon maken van zijn recht om gehoord te worden, zodat om die reden het recht om gehoord te worden is geschonden. 10. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient verweerder belanghebbende voorafgaand aan het horen in de gelegenheid te stellen om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ vallen alle stukken die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.