RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18/066512-21 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in de [instelling]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april
- Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 16 februari 2021 te Zwolle en/of Leeuwarden, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (via voicemail) dreigend de woorden toe te voegen "En als ik vrij kom en mijn dochter is niet bij mij. Dan maak ik jullie allemaal af.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2021;
- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 februari 2021, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2021048786 d.d. 11 maart 2021, inhoudend de verklaring van [naam];
- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 februari2021, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer]. Bewezenverklaring De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: zij op 16 februari 2021 te Zwolle [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer] (via voicemail) dreigend de woorden toe te voegen "En als ik vrij kom en mijn dochter is niet bij mij. Dan maak ik jullie allemaal af.". Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Aangeefster heeft deze situatie als zeer bedreigend ervaren en is bang geweest dat verdachte deze bedreiging ook echt ten uitvoer zou leggen. De rechtbank rekent verdachte dit aan. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte op 17 december 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer bedreigingen tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, zijn volgens de rechtbank niet aanwezig. Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Aan verdachte zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van één week worden opgelegd. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals deze ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt. Uitspraak De rechtbank Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van één week. Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. K.A. de Groot, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 april
- Mr. De Groot en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.