RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/459 en LEE 21/971 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 mei 2021 in de zaken tussen [eiseres] , te [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, verweerder (gemachtigde: [medewerker 1] ). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister). Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2018 heeft verweerder in één geschrift aan eiseres een aanslag zuiveringsheffing en een aanslag watersysteemheffing ingezetenen voor het jaar 2018 opgelegd. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 december 2018 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gesplitst in twee afzonderlijke beroepen met zaaknummers 19/459 (zuiveringsheffing) en 21/971 (watersysteemheffing ingezetenen). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april
- Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker 2] , [medewerker 3] , [medewerker 4] en [medewerker 5] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen van [eiser 2] met zaaknummers 19/462, 21/972 en 21/973 en 21/1270 tot en met 21/
- Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Overwegingen Feiten
- De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.
- De aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2018 (hierna: Verordening zuiveringsheffing). 1.
- De aanslag watersysteemheffing ingezetenen is gebaseerd op de Verordening op de watersysteemheffing Hunze en Aa’s 2018 (hierna: Verordening watersysteemheffing). 1.
- De begroting 2018 van het waterschap Hunze en Aa’s (hierna: de begroting) is op 15 november 2017 door de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s vastgesteld. In de begroting zijn onder meer de verwachte baten en lasten en netto exploitatiekosten opgenomen, evenals de geplande investeringsuitgaven en de staat van de reserves en de voorzieningen. 1.
- Over de zuiveringsheffing is in de begroting op pagina 34 onder meer het volgende opgenomen: “Begroting 2018 zuiveringsheffing (bedragen x € 1.000) begroting 2018 Netto kosten 37.959 Bedrag voor onvoorzien 49 Kosten kwijtschelding 1.522 Algemene opbrengsten (bespaarde rente) -49 Saldo: te ontvangen via belastingheffing 39.481 Inzet algemene reserve 0 Te ontvangen belastingopbrengst 39.481” 1.
- Over de watersysteemheffing is in de begroting op pagina 33 onder meer het volgende opgenomen: “Begroting 2018 watersysteemheffing (bedragen x € 1.000) begroting 2018 Netto kosten 46.553 Bedrag voor onvoorzien 57 Kosten kwijtschelding 695 Algemene opbrengsten (bespaarde rente) -722 Onttrekking bestemmingsreserves -1.056 Saldo: te ontvangen via belastingheffing 45.526 Inzet algemene reserve -1.865 Te ontvangen belastingopbrengst 43.661” 1.
- Over de tarieven is in de begroting op pagina 34 en 35 onder meer het volgende opgenomen: “Tarievenoverzicht Categorie Tarief 2018 (Begroting) Belastingopbrengst 2018 Ingezetenen € 71,76 € 12.924.717 Gebouwd (basis) 0,05105% € 21.442.149 Gebouwd (buitendijks) 0,01470% € 8.677 Ongebouwd (basis) € 57,66 € 7.803.463 Ongebouwd (buitendijks) € 15,05 € 3.387 Ongebouwd (wegen)* € 114,47 € 1.018.841 Natuur € 3,32 € 112.407 Verontreinigingsheffing € 73,18 € 347.609 Zuiveringsheffing € 73,18 € 39.481.127 Totaal belastingopbrengst € 83.142.377” 1.
- In de raming naar beleidsproducten 2018 van het waterschap Hunze en Aa’s zijn de te dekken lasten als volgt gespecificeerd: “RAMING NAAR BELEIDSPRODUCTEN 2018 bedragen * € 1.000 (afgerond) Beleidsproduct Watersysteem-beheer Zuiverings-beheer Totaal Planvorming Eigen plannen 1.256 136 1.392 Plannen van derden 328 36 364 1.584 172 1.756 Aanleg en onderhoud van waterkeringen Aanleg en onderhoud van waterkeringen 5.864 5.864 Beheersinstrumenten waterkeringen 634 634 Dijkbewaking en calamiteitenbestrijding 110 110 6.608 0 6.608 Inrichting en onderhoud watersystemen Aanleg verbetering en onderhoud watersystemen 22.366 22.366 Baggeren en saneren waterlopen 2.365 2.365 Beheer hoeveelheid water 6.910 6.910 Beheersinstrumenten watersystemen 423 423 Calamiteitenbestrijding watersystemen 50 50 Monitoring watersystemen 1.773 1.773 33.887 0 33.887 Bouw en exploitatie zuiveringstechnische werken Afvalwaterbehandeling door derden 10.529 10.529 Getransporteerd afvalwater 4.008 4.008 Gezuiverd afvalwater 18.032 18.032 Verwekt slib 796 796 0 33.364 33.364 Inrichting en onderhoud vaarwegen en havens Aanleg en onderhoud vaarwegen en havens 833 833 Beheersinstrumenten vaarwegen en havens 0 0 Verkeersregeling en verkeersveiligheid vaarwegen en havens 9 9 842 0 842 Vergunningverlening en handhaving keur Handhaving keur 601 601 Keur 239 239 Repressieve handhaving 63 63 Verguninningen en keurontheffingen 141 141 1.043 0 1.043 Beheersing van lozingen Aanpak diffuse emissies derden 181 181 Handhaving WVO 817 266 1.083 Rioleringsplannen en subsidies lozingen 300 293 593 WVO-vergunningen en meldingen 220 72 291 1.518 630 2.148 Heffing en invordering Belastingheffing en invordering 2.083 1.313 3.396 2.083 1.313 3.396 Bestuur en externe communicatie Bestuur 2.011 1.770 3.781 Externe communicatie 309 302 611 2.320 2.072 4.393 Dekkingsmiddelen Dekkingsmiddelen -6.225 1.929 -4.296 -6.225 1.929 -4.296 Totaal 43.661 39.481 83.142” 1.
- Het beleidsproduct dekkingsmiddelen is door verweerder in het verweerschrift als volgt toegelicht: “Het beleidsproduct dekkingsmiddelen is als volgt te specificeren (bedragen x € 1.000): Watersysteem-beheer Zuiverings-beheer Totaal Post onvoorzien 57 49 106 Kwijtschelding 695 1.522 2.217 Raming oninbare belastingdebiteuren 211 407 618 Bespaarde rente eigen financieringsmiddelen -723 -49 -772 Lozingen eigen zuiveringen op oppervlaktewater -4.600 -4.600 Aanwending algemene reserve watersysteembeheer -1.865 -1.865 Totaal -6.225 1.929 4.296” Geschil en beoordeling
- In geschil is of de opbrengstlimieten die zijn begrepen in artikel 117, eerste lid, en artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet zijn overschreden en of om die reden de Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing van waterschap Hunze en Aa’s (gedeeltelijk) onverbindend dienen te worden verklaard.
- Eiseres heeft ten aanzien van de aanslag watersysteemheffing ingezetenen en ten aanzien van de aanslag zuiveringsheffing aangevoerd dat voor deze heffingen sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze wordt overschreden. Ten aanzien van de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen heeft eiseres aangevoerd dat een specificatie van de kosten ontbreekt en verweerder er daarom niet in is geslaagd de redelijke twijfel weg te nemen of ten aanzien van bepaalde posten sprake is van een bate of last ter zake. Daarom moet worden aangenomen dat de opbrengstlimieten zijn overschreden en reeds om die reden dienen de Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing onverbindend te worden verklaard, aldus eiseres. Eiseres wijst daarbij onder andere op een uitspraak van deze rechtbank van 18 december
- Verweerder heeft ten aanzien van de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing aangevoerd dat voor het belastingjaar 2018 de ramingen van de opbrengsten niet hoger waren dan de lasten. In dit kader heeft verweerder verwezen naar de begroting (zie 1.
- en 1.6.) en de raming naar beleidsproducten 2018 (zie 1.8.). Verweerder stelt hiermee voldoende inzicht in de geraamde baten en lasten te hebben verschaft. Ten aanzien van de door eiseres gestelde overschrijding van de opbrengstlimiet bij de zuiveringsheffing voert verweerder aan dat de totale lasten € 39.481.000 bedragen. De geraamde opbrengsten bedragen volgens verweerder eveneens € 39.481.
- Ten aanzien van de watersysteemheffing stelt verweerder dat de totale netto lasten € 45.526.000 bedragen, waarvan € 1.865.000 wordt gedekt door inzet van de algemene reserves en € 43.661.000 door de opbrengsten van de watersysteemheffing. De geraamde lasten overstijgen volgens verweerder de geraamde baten dus niet. Er is geen overschrijding van de opbrengstlimiet.
- Tussen partijen is terecht niet in geschil dat bij zowel de zuiveringsheffing als de watersysteemheffing sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze niet mag worden overschreden.
- De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, de bewijsregels van belang zijn zoals deze door de Hoge Raad in een aantal arresten zijn vastgelegd. Die regels kunnen als volgt worden samengevat. Uitgangspunt is dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op eiseres rust. Indien eiseres overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van baten en lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij behoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op eiseres rust, dient zij, nadat de heffingsambtenaar inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient de heffingsambtenaar voor die posten nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiseres betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door eiseres opgeworpen twijfel ongegrond is. Indien eiseres vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt eiseres de bewijslast. Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een 'last ter zake' en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
- De rechtbank overweegt dat verweerder met de door hem overgelegde begroting met bijlagen (zie 1.4.), de raming naar beleidsproducten (zie 1.8.) en de daarop gegeven toelichting voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van beide heffingen. Eiseres heeft tegen deze uitleg geen stellingen ingebracht of gemotiveerd waarom er naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Eiseres heeft enkel verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank. Het beroep op die eerdere uitspraak van de rechtbank kan echter niet slagen, omdat verweerder, anders dan in de zaak waarnaar eiseres verwijst, in dit geval wel documenten heeft overgelegd waarin de lasten gespecificeerd zijn (zie 1.8.). Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengstlimieten van de zuiveringsheffing en watersysteemheffing zijn overschreden. De beroepen zijn ongegrond. ISV
- Eiseres heeft verzocht om immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. De ISV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding. Voor zaken die zijn verenigd op één aanslagbiljet, waar één bezwaarschrift tegen is ingediend en waarop vervolgens in één geschrift uitspraak op bezwaar is gedaan waartegen eiseres in één geschrift beroep tegen heeft ingesteld, is er voor de toekenning van ISV sprake van één zaak. Dat de rechtbank in verband met interne richtlijnen meerdere zaaknummers heeft aangemaakt in verband met het door eiseres ingestelde beroep, maakt dit niet anders.
- Verweerder heeft het bezwaarschrift op 12 april 2018 ontvangen. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus afgerond 3 jaren en 2 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond 14 maanden is overschreden. De rechtbank ziet geen reden om de redelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. Dit leidt tot een ISV van € 1.
- Voor wat betreft de toerekening van de ISV aan verweerder en de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 21 december 2018, dus ruim 8 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. In de bezwaarfase is de redelijke termijn dus met afgerond 2 maanden overschreden. De resterende 12 maanden termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de rechtbank. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 214 (2/14 van € 1.500) en de Minister voor een bedrag van € 1.286 (12/14 van € 1.500).
- Omdat het bedrag van de ISV minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.
- Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriële schadevergoeding niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Proceskosten en griffierecht
- De rechtbank ziet vanwege de toegekende ISV aanleiding tot het toewijzen van een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsprocedure. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven. Voor de proceskostenvergoeding is sprake van één beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen meerdere op hetzelfde aanslagbiljet vermelde besluiten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 267 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 0,5).
- Ook het griffierecht van € 47 wordt aan eiseres vergoed vanwege de toekenning van ISV.
- Nu zowel verweerder als de Minister worden veroordeeld tot het betalen van een deel van de ISV moeten het griffierecht en de proceskostenvergoeding door ieder voor de helft worden vergoed. Dit betekent dat verweerder en de Minister aan proceskostenvergoeding ieder € 133,50 verschuldigd zijn. Aan griffierecht zijn verweerder en de Minister elk € 23,50 verschuldigd. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 214, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening; - veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.286, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23,50 aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 133,50; - draagt de Minister op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23,50 aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 133,
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, en mr. G. Kattenberg en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 27 mei
- De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. ECLI:NL:RBNNE:2014:
- In (onder andere) de arresten van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:
- ECLI:NL:RBNNE:2014:
- Vlg. Gerechtshof Amsterdam, 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:
- Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, nr.
- Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:
- Vlg. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ
- Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:
- Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.