RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/271437-20 Vonnis van de politierechter d.d. 21 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedataum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2021. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 7 juni 2021. De kantonrechter heeft bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens. Het ingestelde verzet De raadsman heeft namens verdachte, op de voet van artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, op 8 december 2020 verzet ingesteld tegen de ten aanzien van verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 6 november 2020. In het verzetschrift schrijft de raadsman dat verdachte stelt de strafbeschikking eerst op 30 november 2020 te hebben ontvangen. De kantonrechter heeft ter terechtzitting geconstateerd dat zich in het strafdossier ten name van verdachte geen stuk bevindt betreffende uitreiking van de strafbeschikking aan verdachte in persoon. Desgevraagd heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat die constatering juist is. De kantonrechter heeft ter terechtzitting beslist dat zij, gelet op deze stand van zaken, verdachte ontvankelijk acht in zijn verzet. De kantonrechter merkt hierbij, voor de goede orde, nog wel het volgende op. In het strafdossier ten name van verdachte bevindt zich een ‘Zaakoverzicht’ van 21 mei 2021 van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB-nummer [nummer] ). Daarin staat vermeld dat verdachte de aan hem bij strafbeschikking van 6 november 2020 opgelegde geldboete (plus administratiekosten) van in totaal € 399,00 (volledig) heeft betaald op 19 december 2020. De kantonrechter ziet in het gegeven dat verdachte op 19 december 2020 aan de strafbeschikking heeft voldaan, geen aanleiding om verdachte niet te ontvangen in zijn verzet. Tenlastelegging Bij aanvang van zijn repliek heeft de officier van justitie - in reactie op het pleidooi van de raadsman - medegedeeld dat de raadsman juist heeft begrepen dat de tenlastelegging ziet op de demonstratie in Wijster “bij [bedrijfsnaam] ” en dat het demonstratieverbod is uitgevaardigd door de burgemeester “in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe”. Vervolgens heeft de officier van justitie een vordering wijziging tenlastelegging ingediend, strekkende tot toevoeging van voornoemde zinsneden in de tenlastelegging. De kantonrechter heeft de vordering - gehoord de raadsman - toegewezen. Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 8 juli 2020 te Wijster, al dan niet tezamen en in vereniging, een demonstratie bij [bedrijfsnaam] heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en/of heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde voorschrift en/of beperking, immers heeft verdachte - bij die demonstratie gereden met en/of zich bevonden in een trekker en/of landbouwvoertuig en/of - deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en/of landbouwvoertuigen zijn ingezet. Opmerking vooraf Op de terechtzitting van 31 mei 2021 zijn de zaak van verdachte en de zaken van de medeverdachten tegelijkertijd behandeld. Kort vóór het begin van de terechtzitting bleek dat er veel publieke belangstelling voor het bijwonen van de zitting was, in het bijzonder van familie, vrienden en medestanders van verdachte en de medeverdachten. In verband met de door de rechtspraak genomen maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, kon niet iedereen die dat wilde, de terechtzitting bijwonen. De kantonrechter heeft aan het begin van de terechtzitting aangegeven, dat dat haar speet. Gelet op deze beperkte mogelijkheid voor publiek om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, heeft de kantonrechter ervoor gekozen om, in dit vonnis, het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de raadsman meer uitgebreid weer te geven. Dit, om diegenen die de terechtzitting hadden willen bijwonen, toch zoveel mogelijk in de gelegenheid te stellen, kennis te nemen van het standpunt van enerzijds de officier van justitie en anderzijds de verdediging. Deze meer uitgebreide weergave van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman maakt dit vonnis wel lang. Daarom volgt hier een leeswijzer: standpunt van de officier van justitie: pagina 2 tot en met 5; standpunt van de verdediging: pagina 5 tot en met 8; repliek en dupliek: pagina 8; verklaring ter terechtzitting van verdachte: pagina 8; oordeel van de kantonrechter: vanaf pagina 9. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft in zijn (schriftelijke) requisitoir benadrukt dat het recht om te demonstreren een fundamenteel mensenrecht is. Maar niet ‘alles’ is toegestaan bij een demonstratie. Er kunnen beperkingen aan het recht om te demonstreren worden gesteld om redenen van openbare orde, het tegengaan van onveilige situaties of het voorkomen van strafbare feiten. In dit geval was voor de duur van één week - van 6 juli 2020 tot en met 13 juli 2020 - een beperking gesteld aan het demonstratierecht. Die beperking hield in dat niet mocht worden gedemonstreerd met behulp van landbouwvoertuigen. Toch gebeurde dat op 8 juli 2020. Verdachte heeft voor overtreding van die beperking op het demonstratierecht een strafbeschikking gekregen, waartegen hij in verzet is gegaan. Deze beperking op het demonstratierecht kent een voorgeschiedenis. Vanaf het najaar van 2019 zijn er in Nederland relatief veel boerenprotesten geweest. In de voorzomer van 2020 liep het aantal protesten snel op. Ook in Drenthe was sprake van een flink aantal onaangekondigde acties met landbouwvoertuigen/ trekkers. Zo zijn in Drenthe onaangekondigd distributiecentra en knooppunten geblokkeerd. Op 2 juli 2020 is vliegveld Eelde betreden met vernielingen ten gevolge. Ook landelijk waren er vernielingen. In Groningen is de deur van het Provinciehuis met een trekker open geramd. Er is een politiepaard aangereden. Er is door afzettingen heen gereden. De opstelling van de organisatoren alsook de onvoorspelbaarheid van de acties leverden volgens de Veiligheidsregio’s van Drenthe, Groningen en Friesland wanordelijkheden op die onder meer de verkeersveiligheid in het gedrang brachten. Ook vormden de acties een bedreiging voor de levensreddende taken van hulpdiensten. Deze diensten worden in hun taken gehinderd door de grote voertuigen die wegen blokkeren. Daarop hebben voornoemde Veiligheidsregio’s [op 6 juli 2020] besloten dat voor de duur van één week - van 6 juli 2020 tot en met 13 juli 2020 - niet mag worden gedemonstreerd met inzet van landbouwvoertuigen op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen. De voorzieningenrechter uit Groningen heeft het soortgelijke, voor de provincie Groningen geldende, besluit rechtmatig geacht. Ten aanzien van de demonstratie op 8 juli 2020 bij afvalverwerkingsbedrijf [bedrijfsnaam] in Wijster heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. Op 8 juli 2020 vanaf circa 04:00 uur werden de wegen bij afvalverwerkingsbedrijf [bedrijfsnaam] geblokkeerd op de [adres] in Wijster. Op twee toegangswegen stonden landbouwvoertuigen, maar ook andere auto’s en vrachtwagens. Een aantal daarvan voerde Nederlandse vlaggen, op de kop. Na een aantal uren gingen de betrokken voertuigen naar het loonbedrijf van [verdachte] , zeer nabij één van de blokkades, ook op de [adres] . Iedereen werd aangehouden en overgebracht naar het cellencomplex aan de Balkengracht in Assen. Dit waren meer dan 50 personen. Er was veel personeel op de been, maar toch lijkt deze actie onderschat. Aan de verdachten is, binnen het cellencomplex, de maximale vrijheid gegeven. Er zijn weinig beperkingen opgelegd. Zo mochten zij hun telefoon bij zich houden. De luchtplaats waar verdachten mochten verblijven, was 55 vierkante meter. Die ruimte is door verdachten niet ten volle benut. Verdachten hebben ervoor gekozen met elkaar te praten en bij elkaar te staan. Wel is het een gegeven dat niet op alle momenten de corona-maatregel van anderhalve meter afstand kon worden nageleefd. Echter, het was in het kader van de aanhoudingen en de afhandeling van deze strafzaken, de voorgeleiding en de verhoren, noodzakelijk dat zij werden opgehouden. Dit is op een ruimhartige manier, met zoveel mogelijk vrijheid en ruimte, toegepast. Vandaar ook dat telkens een deel van de verdachten op de luchtplaats mocht verblijven gedurende de ophouding. Al met al levert de gang van zaken geen inbreuk op enig recht op. Ten aanzien van het strafdossier in het algemeen heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. De opbouw van het strafdossier is niet optimaal te noemen. Vooraf was besloten dat handhaving van het demonstratieverbod met landbouwvoertuigen, voor de hand en in de rede lag. Daarbij was vooraf ingezet op vastlegging via camera’s, met het oog op een goede dossieropbouw. Dat is niet gelukt, niet goed gegaan. Als gevolg hiervan is nu sprake van een gemankeerd onderzoek naar de feiten, waarbij vooral moet worden afgegaan op de specifieke bevindingen van enkele verbalisanten ter plaatse en de eigen verklaringen van verdachten. Het gemankeerde onderzoek heeft ertoe geleid dat is besloten een groot aantal verdachten niet te vervolgen (c.q. aan hen geen strafbeschikking op te leggen), omdat de bewijspositie te mager was. In de visie van het Openbaar Ministerie geldt evenwel voor een aantal verdachten dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zij zich hebben opgehouden bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , bij welke demonstratie gebruik werd gemaakt van landbouwvoertuigen. Er zijn diverse processen-verbaal waaruit blijkt dat er blokkades met onder meer landbouwvoertuigen bij [bedrijfsnaam] hebben plaatsgevonden en dat de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [verdachte] zijn gegaan. Een aanhouding van een persoon bij [verdachte] impliceert derhalve dat die persoon daarvóór aanwezig is geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Ten aanzien van de (in de zaak van verdachte en/of van een of meer van de medeverdachten van toepassing zijnde) verweren heeft de officier het volgende naar voren gebracht. Het verweer dat het demonstratieverbod (tijdelijke beperking op het demonstratierecht) niet voor verdachten gold omdat zij niet met een landbouwvoertuig, maar met de auto of anderszins aanwezig waren, gaat niet op. Want zij maakten aldus wel deel uit van een demonstratie waar landbouwvoertuigen bij werden ingezet. Dat was het geldende verbod. Het was een gezamenlijke demonstratie en een ieder had opzet op het delict. De social media oproep over een trekker-tour, was daar ook op gericht. Het verweer dat verdachten niet wisten dat er een demonstratieverbod was, gaat niet op. Gelet op de landelijke aandacht die voor het verbod bestond, is onaannemelijk dat verdachten “het niet wisten”, waarbij komt dat zij deel uitmaken van de boerengemeenschap waarin dit een hot topic was. Het verweer dat de doodlopende weg, waaraan het loonbedrijf van [verdachte] ligt, een “eigen weg” op het perceel van [verdachte] is en daarmee geen “openbare weg” is waarvoor het demonstratieverbod gold, is niet relevant. De overtreding - de demonstratie bij [bedrijfsnaam] - was op de openbare weg. Alle verdachten hebben daaraan deelgenomen. Vervolgens zijn de verdachten aangehouden bij het loonbedrijf [verdachte] . Voor zover verdachten niet zelf al hebben verklaard aanwezig te zijn geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , kan gelet op de diverse processen-verbaal van bevindingen worden vastgesteld dat alle verdachten daarvóór aanwezig waren bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Het verweer dat sprake is van willekeur, gaat niet op. Er zijn 54 mensen aangehouden geweest. Er zijn 28 zaken geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, 6 personen zijn onterecht als verdachte aangemerkt, in één zaak achtte het openbaar ministerie zich niet-ontvankelijk en er zijn 19 strafbeschikkingen uitgevaardigd. De vervolgingsbeslissing laat zich slechts in beperkte mate toetsen. Bij het beoordelen van het bewijs is ruimhartig en in het voordeel van verdachten geredeneerd. Dit heeft geleid tot veel sepots, maar daardoor kan zeker niet worden gezegd dat er lichtzinnig zou zijn overgegaan tot het opleggen van strafbeschikkingen. Er is telkens een redelijke en billijke afweging gemaakt. De vervolging c.q. het opleggen van een strafbeschikking diende een voor strafrechtelijke handhaving beschermd belang, namelijk dat als er een verbod wordt ingesteld om onder meer de verkeersveiligheid te dienen, dit gehandhaafd wordt en het moedwillig overtreden ervan niet kan worden getolereerd. Daar zit ook precies de ernst van het feit in. Ten aanzien van de individuele zaak heeft de officier van justitie - in afwijking van hetgeen daarover is opgenomen in zijn (schriftelijke) requisitoir - in zijn eerste termijn aangegeven dat hij bij nader inzien van mening is dat het aan verdachte ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie er op gewezen dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2020 van verbalisant [verbalisant] (pagina 81 van het dossier) blijkt dat verbalisant verdachte, die reed in zijn witte bestelbus met kenteken [kenteken] , in de ochtend van 8 juli 2020, na 08:00 uur, heeft doen stoppen ter controle. Op dat moment reed verdachte op zijn privéterrein. Verdachte is, na te zijn gestopt, uit zijn bestelbus gestapt en is weggelopen het suikerbietenland in. Daarbij heeft verdachte de sleutel in het contact van de bestelbus laten zitten. De officier van justitie heeft er vervolgens op gewezen dat verbalisant [verbalisant] in voormeld proces-verbaal van bevindingen voorts schrijft dat hij de bestelbus heeft doen stoppen omdat hij die bestelbus eerder die ochtend tussen de groep tractoren bij [bedrijfsnaam] had zien staan en dat hij, verbalisant, had gezien dat er zes personen uit de laadruimte van de bestelbus kwamen. Evenwel heeft verdachte bij het politieverhoor op 8 juli 2020 verklaard dat hij die ochtend niet bij [bedrijfsnaam] is geweest en alleen op zijn eigen terrein is geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat als zijn bestelbus eerder die ochtend is gezien bij [bedrijfsnaam] , dat niet automatisch betekent dat hij (verdachte) daar is geweest. Iedereen kan met zijn bestelbus naar [bedrijfsnaam] zijn gereden omdat hij de sleutel veelal in zijn bestelbus laat zitten, aldus verdachte ter terechtzitting. Gelet op deze stand van zaken, is de officier van justitie thans van mening dat het wettig bewijs dat verdachte die ochtend bij [bedrijfsnaam] heeft deelgenomen aan de demonstratie, ontbreekt. Daarom vordert de officier van justitie vrijspraak voor verdachte Standpunt van de verdediging De raadsman heeft, aan de hand van de pleitnota, het volgende naar voren gebracht. Bij wijze van inleiding heeft de raadsman benadrukt dat duidelijk is dat de meeste boeren die op 8 juli 202 in Wijster waren een gemeenschappelijk idee hadden: het stikstofbeleid van de regering doet boeren tekort. Door middel van uitoefening van het grondrecht van demonstratie - neergelegd in de Grondwet en in verdragen zoals het EVRM - kan invloed worden uitgeoefend op het beleid. Uiteraard hebben betogingen in de openbare ruimte vrijwel altijd gevolgen voor de omgeving. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bepaald dat in een democratie tolerantie voor dat soort hinder moet bestaan. Er bestaat nu eenmaal geen recht om je nooit aan anderen te hoeven storen, of nooit overlast van iemand anders standpunten en acties te hoeven ondervinden. De raadsman heeft de volgende verweren gevoerd. De dagvaarding is nietig. De inhoud van het lijvige proces-verbaal, in het bijzonder een aantal processen-verbaal van verbalisanten die ter plaatse waren, is warrig, vaag en onduidelijk. Uitgaande van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] gaat de verdediging ervan uit dat het verwijt op de dagvaarding betrekking heeft op de actie bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam] . Volgens dat proces-verbaal hebben in de vroege ochtend van 8 juli 2020 (05:00 uur) diverse voertuigen bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam] aan de [adres] in Wijster gestaan. Na 06:30 uur heeft de groep zich verplaatst naar het terrein behorend bij de [adres] en [adres] . Alle verdachten zijn grofweg tussen circa 10:00 uur en 10:40 uur aangehouden op het terrein van [verdachte] op de [adres] . De aanhouding - gegrond op artikel 11 van de Wet openbare manifestaties, waarin is bepaald dat de feiten overtredingen zijn - heeft dus plaatsgevonden zo’n vier uur na de blokkade bij [bedrijfsnaam] . Op grond van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering kan een aanhouding wegens een overtreding enkel op heterdaad geschieden. Een tijdspanne van vier uur na een blokkade, levert geen heterdaadsituatie meer op. Daarom is sprake van een onrechtmatige aanhouding. Bovendien blijkt niet dat sprake is geweest van een last tot aanhouding door de officier van justitie. De politie zelf relateert dat de aanhouding op heterdaad was. Dat kan niets anders betekenen dan dat de politie kennelijk de locatie op het terrein van [verdachte] als pleegplaats ziet. Een en ander betekent dat de dagvaarding niet voldoet aan de eis dat het verwijt voldoende duidelijk en concreet moet zijn, zodanig dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding is om die reden nietig. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De politie ter plaatse was de regie kwijt. Er is lukraak, willekeurig en zonder aandacht te hebben voor de concrete individuele rol van een persoon aangehouden. Uit het dossier blijkt slechts dat een groep bij de hoofdingang van [bedrijfsnaam] stond. De groep verplaatste zich naar het terrein van [verdachte] . Uren later is iedereen op het erf aangehouden. Daar zijn verdachten bij, van wie de zaken nadien door het Openbaar Ministerie zijn geseponeerd. De enkele aanwezigheid op het terrein was kennelijk voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verbonden demonstratie. De aanhoudingen zijn dan ook willekeurig. Ook de vervolgingsbeslissingen zijn willekeurig. De groep bij de poort van [bedrijfsnaam] is niet geïndividualiseerd. Er zijn aangehouden personen die met de eigen auto zijn gekomen en die dus niet kunnen worden gelinkt aan een tractor. Maar sommigen van hen worden wél vervolgd, en anderen zijn niet vervolgd. Een bijrijder op een tractor is niet vervolgd. Een persoon die naar eigen zeggen aan het kijken was in Wijster en nadien op het erf van [verdachte] stond, is niet vervolgd. De rollen van de personen die wel en niet zijn vervolgd, zijn volkomen inwisselbaar. Uit niets blijkt dat ten aanzien van sommige verdachten meer of belastend materiaal aanwezig is waardoor zij - anders dan aanwezigen met een vergelijkbare rol - wel vervolgd zouden moeten worden. Dit levert schending van het gelijkheidsbeginsel op. Uitgangspunt is dat aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime bevoegdheid wordt begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Gelet op de geconstateerde schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel leidt vervolging van verdachte en de medeverdachten tot schending van de beginselen van een goede procesorde. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er kleven nogal wat gebreken aan het voorbereidende onderzoek. Zo is de aanhouding onrechtmatig. Er is geen sprake van een heterdaadsituatie. Buiten heterdaad mag bij een overtreding niet worden aangehouden. Bovendien is in sommige gevallen de locatie van de aanhouding aantoonbaar onjuist geverbaliseerd. Zo is in sommige gevallen geverbaliseerd dat is aangehouden op de [adres] (het adres van [bedrijfsnaam] ), terwijl de aanhouding was op de [adres] (het adres van loonbedrijf [verdachte] ). Het tekent de onzorgvuldigheid. Maar er is meer. In sommige gevallen is het met de voorgeleiding fout gegaan. Verdachten zijn, in strijd met de wet, niet voorgeleid of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.