← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:2587

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 21/772 en LEE 21/773 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2021 in de zaken tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer), en de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. A.P. van den Berg). Als derde-partij neemt aan het geding deel: M. [derde-partij], te [woonplaats] , en M.F. [derde-partij 2], te [woonplaats 2] , (gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer). Procesverloop Bij besluiten van 8 november 2019 (primaire besluiten) heeft verweerder vastgesteld dat op werknemers [derde-partij] en [derde-partij 2] over onderscheidenlijk de periode 1 mei 2016 tot en met 31 augustus 2018 en de periode 6 februari 2016 tot en met 31 augustus 2018 het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing is. Bij nieuwe besluiten van 28 april 2020 (bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder de eerdere besluiten op bezwaar van 19 maart 2020 ingetrokken. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de zitting van 9 april

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. M. [derde-partij] is als derde-partij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op de zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen
  2. De rechtbank bepaalt dat eiser in beide zaken geen griffierecht is verschuldigd.
  3. De rechtbank geeft voor haar beslissing de volgende motivering.
  4. De rechtbank stelt vast – en dat is tussen partijen ook niet in geschil – dat de primaire besluiten van 8 november 2019 op de juiste wijze aan eiser bekend zijn gemaakt. Daarmee is gegeven dat de bezwaartermijn is aangevangen op 9 november
  5. Het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), brengt dan mee dat 20 december 2019 geldt als de laatste dag van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend. Het door eiser op 20 december 2019 gedateerde bezwaarschift werd op 14 januari 2020 door verweerder ontvangen. Uit de poststempel blijkt dat het bezwaarschift eerst op 10 januari 2020 door eiser ter post besteld is. Dit maakt dat het bezwaarschrift dus (ruim) te laat is ingediend.
  6. Tussen partijen is in geschil of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. In artikel 6:11 van de Awb is, voor zover van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet‑ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
  7. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, is niet anders dan wat door eiser hierover in bezwaar is aangevoerd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze grond niet leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat op de website van verweerder zou staan dat de termijn voor het maken van bezwaar dertien weken is in plaats van zes weken, is onvoldoende om hier anders over te oordelen. De rechtbank heeft op de website van verweerder niet kunnen vinden dat voor eiser, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, een bezwaartermijn van dertien weken zou gelden. Verweerder stelt nadrukkelijk dat zulks niet op de website staat of zou hebben gestaan. De rechtbank wijst er daarbij op dat in de bezwaarclausule onder de primaire besluiten bovendien uitdrukkelijk staat vermeld dat het bezwaarschrift vóór 21 december 2019 bij verweerder binnen moet zijn. De stelling van de gemachtigde van eiser dat uit de brief van verweerder van 25 (de rechtbank begrijpt: 28) april 2020 blijkt dat door verweerder een fout is gemaakt, volgt de rechtbank niet. De door eiser bedoelde fout van verweerder ziet op de procedure die heeft geleid tot de door verweerder ingetrokken besluiten van 19 maart
  8. Hiertoe is van belang dat in het bestreden besluit van 28 april 2020 verweerder heeft bevestigd dat uit een bewijsstuk blijkt dat eiser op 8 april 2020 een fax heeft gestuurd met de reden van de te late indiening van het bezwaarschrift. Daarom heeft verweerder op 28 april 2020 nieuwe besluiten op bezwaar genomen.
  9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mr. H. van der Werff en mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april
  11. griffier voorzitter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.