RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/224031-20 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd in de Rijksinrichting voor jongens Den Hey-Acker te Breda. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 mei
(2)door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Of gesproken kan worden van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf dient per individueel geval te worden beoordeeld, waarbij de rechtbank in het oog moet houden dat vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaatsvindt. Dat het overlijden van [slachtoffer] psychisch letsel teweeg heeft gebracht bij de benadeelde partijen is op basis van de overgelegde stukken voldoende komen vast te staan. De shockschade is verder onderbouwd door aan te voeren dat de benadeelde partijen geconfronteerd zijn met de ernstige gevolgen van het geweldsmisdrijf, doordat zij hun zoon in het mortuarium hebben moeten identificeren. Het behoeft geen motivering dat de confrontatie in het mortuarium met het levenloze lichaam van hun zoon voor de ouders zeer schokkend moet zijn geweest. Het is ook ontzettend triest dat zij vanuit hun huis elke dag uitkijken op het schoolplein van De Vuurtoren; de plaats waar hun zoon op 3 september 2020 om het leven is gekomen. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de strenge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan de toekenning van shockschade, er geen sprake is geweest van ofwel het waarnemen van het strafbare feit ofwel de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Deze zaak verschilt van de door de raadsvrouw van de benadeelde partijen en de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie, in die zin dat de identificatie van de benadeelde partijen met hun zoon niet op dezelfde dag, maar na vier dagen heeft plaatsgevonden. Aan het vereiste van directe confrontatie is hier dus niet voldaan. De rechtbank ziet om deze redenen geen ruimte om een vergoeding voor shockschade toe te kennen. De benadeelde partijen zullen daarom in dit deel van de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom. Nu vast staat dat [verdachte] tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed. De rechtbank zal de gijzeling daarbij bepalen op nul dagen. De rechtbank zal [verdachte] veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De rechtbank is verder, met de officier van justitie, van oordeel dat het strafrecht geen mogelijkheid biedt om het door de raadsvrouw verzochte openbaringsverbod op te leggen. De rechtbank wil er echter vanuit gaan dat de verdachten en hun families ook zonder dit openbaringsverbod het fatsoen en het respect hebben om discreet om te gaan met de stukken en de informatie waar zij uit hoofde van deze strafzaak de beschikking over hebben gekregen. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 21 maanden en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september
- Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september
- Dit bedrag bestaat uit € 4.031,29 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet volledig betaalt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met zijn mededader - aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september
- Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van € 24.031,29 (zegge: vierentwintig duizend en eenendertig euro en negenentwintig eurocent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september
- Dit bedrag bestaat uit € 4.031,29 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. Beveelt, voor het geval dat de verdachte niet volledig betaalt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met zijn mededader - aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J. van Bruggen en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni
- Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2020.09.04.055 (aanvraag 005 tot en met 010) d.d. 12 februari 2021, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, opgemaakt door dr. S. van Soest, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige; Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2020, opgenomen op pagina 1045 e.v., van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [medeverdachte 1] . HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:
- Rb Noord-Nederland 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3678, Rb Midden-Nederland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1046, Hof Amsterdam 16 december 2019, ECLI:NL:GHAM:2019:4432; HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356.