RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummers: LEE 21/813, 21/814, 21/828, 21/829, 21/855, 21/856, 21/861, 21/862, 21/932, 21/933, 21/1485 en 21/1487 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2021 in de zaken tussen 1. Verzoekster sub I, 2. Verzoeker sub II, 3. Verzoeker sub III, 4. Verzoeker sub IV, 5. Verzoeker sub V, 6. Verzoekster sub VI, (gemachtigde: mr. L. Pronk). en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), verweerder, (gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende] gevestigd te [plaats], derde-partij, (gemachtigde: mr. V. Wösten). Procesverloop Bij deelbesluit I van 6 juni 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van de derde-partij beslist en zijn de niet-agrarische PAS-meldingen openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. Bij deelbesluit II van 1 juli 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wob van de derde-partij beslist en zijn de agrarische en niet-agrarische PAS-meldingen over prioritaire projecten openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. Bij deelbesluit III van 23 juli 2019 (het primaire besluit III) heeft verweerder deels op het verzoek ingevolge de Wob van de derde-partij beslist en zijn de PAS-meldingen openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. Bij besluit van 10 december 2019 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaarschrift van de derde-partij ongegrond verklaard en de primaire besluiten I, II en III van 6 juni, respectievelijk 1 juli en 23 juli 2019 gehandhaafd. Het besluit op bezwaar heeft betrekking op de PAS-meldingen die zijn gedaan door ongeveer 3.600 bedrijven. Verweerder heeft alle bedrijven aangeschreven en desgewenst zijn die bedrijven in de gelegenheid gesteld om via een e-mailbericht een zienswijze, gericht tegen het voornemen, bij verweerder in te dienen. Tegen het besluit op bezwaar heeft de derde-partij beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 20/300. Tevens heeft derde-belanghebbende bij brief van 10 januari 2020 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder het procedure-nummer LEE 20/301. Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2020 de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van een aantal documenten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen. De gemachtigde van de derde-partij heeft de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven. Bij uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) heeft de voorzieningenrechter het beroep van de derde-partij gegrond verklaard en het besluit van 1 april 2020 vernietigd, voor zover daarin de deelbesluiten I, II en III om de locatiegegevens in de PAS-meldingen niet openbaar te maken, zijn gehandhaafd. Verder heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak zelf in de zaak voorzien en het bezwaarschrift van de derde-partij alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de locatiegegevens uit de PAS-meldingen alsnog openbaar worden gemaakt en bepaald dat de openbaarmaking door verweerder van voormelde locatiegegevens niet eerder zal plaatsvinden dan op 24 juli 2020 en niet later zal plaatsvinden dan op 31 juli 2020. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Bij uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153) heeft de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (AbRvS) in hoger beroep voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Ter uitvoering van de uitspraak van de AbRvS heeft verweerder bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) het bezwaarschrift van de derde-partij alsnog gegrond verklaard en de primaire besluiten I, II en III van 6 juni, respectievelijk 1 juli en 23 juli 2019 herzien, in die zin dat alsnog locatiegegevens, zoals opgenomen in de PAS-meldingen, openbaar zijn gemaakt. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb richt het beroep en verzoek van de derde-partij tegen het besluit op bezwaar van 10 december 2019 zich tevens tegen het bestreden besluit. Derde-partij heeft hiertegen ook nadere gronden ingediend. Dit beroep en dit verzoek zijn bij uitspraak van heden afgedaan onder de procedurenummers LEE 20/1980 en 20/1981. Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben verzoekers bij afzonderlijke brieven de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De beroepen van verzoekers zijn met toepassing van artikel 8:13, eerste lid, van de Awb naar de rechtbank Noord-Nederland verwezen. De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 16 juni 2021. Verzoekster sub I is met kennisgeving niet verschenen. Verzoeker sub II is in persoon verschenen. Verzoeker sub III is met kennisgeving niet verschenen. Verzoeker sub IV is niet verschenen. Verzoeker sub V is niet verschenen. Verzoekster sub VI en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. E. van Kerkhoven. Namens de derde-partij is voornoemde gemachtigde verschenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van derde-belanghebbende de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij Wob-verzoek van 13 januari 2019 heeft de derde-partij verzocht om informatie met betrekking tot de meldingen in verband met de PAS-meldingen van agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven over de periode vanaf 1 juli 2015 tot en met de datum van het Wob-verzoek. 1.2. Bij primair deelbesluit I van 6 juni 2019 is deels op het verzoek beslist, waarbij de niet agrarische PAS-meldingen openbaar zijn gemaakt, met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. 1.3. Bij primair deelbesluit II van 1 juli 2019 is deels op het verzoek beslist, waarbij de agrarische en niet-agrarische PAS-meldingen met betrekking tot prioritaire projecten openbaar zijn gemaakt, met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. 1.4. Bij primair deelbesluit III van 23 juli 2019 is deels op het verzoek beslist, waarbij de agrarische PAS-meldingen openbaar zijn gemaakt, met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens. 1.5. De derde-partij heeft tegen de deelbesluiten I, II en III een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De derde-partij heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een hoorzitting van 30 oktober 2019. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken. 1.6. Bij het bestreden besluit van 10 december 2019 heeft verweerder het bezwaarschrift van de derde-partij ongegrond verklaard en de primaire deelbesluiten I, II en III gehand-haafd. 1.7. Bij besluit van 1 april 2020 heeft verweerder het bestreden besluit van 10 december 2019 gewijzigd, in die zin dat naar aanleiding van het Wob-verzoek van de derde-partij de PAS-meldingen die gedaan zijn door tien belanghebbenden, afzonderlijk openbaar zijn gemaakt. Verweerder is hiertoe overgegaan op verzoek van de voorzieningenrechter opdat de procedure met een beperkt aantal belanghebbenden zou kunnen worden voortgezet. De procedure met betrekking tot de overgebleven melders zal worden voortgezet onder andere nummers (LEE 20/1980 en 20/1981) en geschorst blijven totdat de onderhavige uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen dan wel er door de AbRvS definitief uitspraak is gedaan in een eventueel hoger beroep tegen de onderhavige uitspraak. 1.8. Bij uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) heeft de voorzieningenrechter het beroep van de derde-partij gegrond verklaard en het besluit van 1 april 2020 vernietigd, voor zover daarin de deelbesluiten I, II en III om de locatiegegevens in de PAS-meldingen niet openbaar te maken, zijn gehandhaafd. Verder heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak zelf in de zaak voorzien en het bezwaarschrift van de derde-partij alsnog gegrond verklaard, in die zin dat de locatiegegevens uit de PAS-meldingen alsnog openbaar worden gemaakt en bepaald dat de openbaarmaking door verweerder van voormelde locatiegegevens niet eerder zal plaatsvinden dan op 24 juli 2020 en niet later zal plaatsvinden dan op 31 juli 2020. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in voormelde uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 1.9. Bij uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153) heeft de AbRvS in hoger beroep voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. 1.10. Naar aanleiding van de uitspraak van de AbRvS heeft verweerder bij het bestreden besluit van 4 maart 2021 het besluit op bezwaar van 10 december 2019 ingetrokken, het bezwaarschrift van de derde-partij alsnog gegrond verklaard en de primaire besluiten I, II en III van 6 juni, respectievelijk 1 juli en 23 juli 2019 herzien, in die zin dat alsnog locatie-gegevens, zoals opgenomen in de PAS-meldingen, openbaar zijn gemaakt. Toepasselijke regelgeving 2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoeker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. 2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder b, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Ingevolge artikel 1, aanhef, en onder g, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer (Wm). Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wob vermeldt de verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit: bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft, voor zover thans van belang, het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen: (…); e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; (…); g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wob zijn het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang. Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de Wob blijft het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage. (…). 2.2. Ingevolge artikel 19.1a, eerste lid, van de Wm wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over: a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen; b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a. bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten; c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a. en b. bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen. Overwegingen 3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 4. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekers in dit geval gegeven. 5. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 van de Awb zouden verzetten. Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Procedureel 6.1. De gemachtigde van de derde-partij betoogt dat het niet is toegestaan in het bestuursrecht om ingevolge artikel 8:29 van de Awb anoniem te procederen. In dit verband wijst de gemachtigde van derde-partij erop dat bij het bestuursrechtelijk procederen een bepaalde mate van bekendheid wordt aanvaard. 6.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Awb en de uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende verplichting van een eerlijk proces voortvloeit dat er in beginsel niet anoniem kan worden geprocedeerd in het bestuursrecht. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat bij de aanvang van de onderhavige procedure de identiteit van de afzonderlijke verzoekers wel bij de voorzieningenrechter bekend was, evenals ambtshalve bij verweerder, maar niet bij de gemachtigde van de derde-partij die om deze informatie heeft verzocht. Het onderhavige geschil ziet op de locatiegegevens zoals die zijn opgenomen in de PAS-meldingen. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft verweerder de namen van de bedrijven dan wel de namen van de aanvragers en de adressen die in de PAS-meldingen zijn opgenomen, in het bestreden besluit geheim gehouden. Indien de voorzieningenrechter dan vervolgens de namen en de adresgegevens van verzoekers doorgeeft aan de gemachtigde van de derde-partij, brengt dit de facto met zich dat daarmee het geschil wordt beslecht ten nadele van verzoekers zonder dat die daarover inhoudelijk een procedure hebben kunnen voeren. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen andere mogelijkheid dan gedurende de onderhavige procedure de namen en adressen van de afzonderlijke verzoekers niet aan de gemachtigde van de derde-partij te verstrekken. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de derde-partij door deze gang van zaken feitelijk ernstig in haar mogelijkheden om haar belangen in deze procedure te behartigen, is geschaad. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat er noch bij een gegrond, noch bij een ongegrond beroep van verzoekers aanleiding is om over te gaan tot de bekendmaking van de persoonsgegevens van verzoekers in het kader van deze procedure. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van de derde-partij ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij niet de naam van het bedrijf dan wel de naam van de aanvrager van de PAS-melding verstrekt hoeft te krijgen. Nu het verzoek tot openbaarmaking daar niet op ziet en de vooronderstelling van deze procedure daarom is dat de namen van de melders geheim blijven, ziet de voorzieningenrechter ook geen grond om de namen van verzoekers in deze uitspraak openbaar te maken. Voorgeschiedenis 7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het oorspronkelijke Wob-verzoek betrekking had op informatie voor wat betreft de PAS-meldingen van agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven over de periode vanaf 1 juli 2015 tot en met de datum van het Wob-verzoek. Ter zitting van 12 maart 2020, en bevestigd ter zitting van 30 juni 2020, is door de gemachtigde van de derde-partij te kennen gegeven dat zij geen belang heeft bij de namen van degenen die de PAS-melding hebben gedaan. Op verzoek van de voorzieningenrechter zijn door verweerder tien PAS-meldingen uit verschillende provincies afgesplitst en heeft verweerder het besluit op bezwaar van 10 december 2019 gewijzigd in die zin dat verweerder het heeft ingetrokken voor zover daarbij het bezwaar van de derde-partij dat betrekking heeft op de PAS-meldingen van de tien belanghebbenden ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft verweerder dat bezwaar in zoverre opnieuw ongegrond verklaard, waarbij voor de motivering is verwezen naar het besluit op bezwaar van 10 december 2019. Voormelde afsplitsing van deze tien zaken heeft plaatsgevonden in het kader van de beantwoording van de principiële vraag door de voorzieningenrechter of de in de PAS-meldingen vermelde locatiegegevens ook emissiegegevens zijn. Ter zitting van 30 juni 2020 heeft de gemachtigde namens de Minister te kennen gegeven dat uitvoering zal worden gegeven aan deze uitspraak voor de overige PAS-meldingen. In de uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de locatie-gegevens in de PAS-meldingen ook emissiegegevens zijn. Vervolgens heeft de AbRvS met de uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153) voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. De Minister heeft uitvoering gegeven aan de namens haar gedane belofte ter zitting door een nieuw besluit op bezwaar te nemen naar aanleiding van voormelde uitspraken. Dit bestreden besluit is genomen door de secretaris-generaal, de hoogste ambtenaar van het departement, na overleg met de Minister, zoals door de gemachtigde van de Minister ter zitting is bevestigd. In dit bestreden besluit van 4 maart 2021 heeft de Minister ter uitvoering van voormelde uitspraken de X- en Y-coördinaten van de emissiebronnen en de daarbij behorende kaartjes openbaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bestreden besluit zijn uiteindelijk zes van de overige ongeveer 3.600 PAS-melders zelfstandig in beroep gegaan en hebben zij de voorzieningenrechter tevens verzocht ten aanzien van dit bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen. Gelet op voormelde uitspraken van de voorzieningenrechter en de AbRvS is aan de zes verzoekers een brief gestuurd met daarin het verzoek om een nadere onderbouwing te geven voor wat betreft de bedreiging en sabotage of een concrete dreiging daarvan. In het bestreden besluit heeft verweerder uitsluitend aangegeven dat in het geval van verzoeksters in zijn algemeenheid onvoldoende is gebleken van dergelijke omstandigheden. Gedeeltelijke intrekking Wob-verzoek 8.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van de derde-partij desgevraagd te kennen gegeven dat het Wob-verzoek wordt ingetrokken, voor zover het betrekking heeft op de bedrijfsadres- gegevens in de PAS-melding van verzoeker sub II. Daarbij heeft de gemachtigde van de derde-partij ter zitting naar aanleiding van hetgeen door verzoeker sub II is aangevoerd, geen belang meer te hechten aan de bedrijfsadresgegevens in de PAS-melding van verzoeker sub II, nu deze verzoeker ook ter zitting is verschenen om het beroep en het verzoek toe te lichten. 8.2. Nadat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegezegd het griffierecht in het verzoek om voorlopige voorziening en in het beroep aan verzoeker sub II te zullen vergoeden, heeft verzoeker sub II het beroep en verzoek om voorlopige voorziening ter zitting ingetrokken. Inhoudelijke geschilpunten 9.1. Voor zover verzoekster sub I, verzoeker sub III, verzoeker sub IV en verzoeker sub V betogen dat verweerder in dit geval niet gehouden is om de locatiegegevens waaronder ook de bedrijfsadresgegevens in de onderhavige PAS-meldingen openbaar te maken, overweegt de voorzieningenrechter dat uit de uitspraak van 27 januari 2021 van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2021:153) volgt dat onder de Wob de locatiegegevens, zoals opgenomen in de PAS-meldingen, als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu moet worden aangemerkt. In de rechts-overwegingen 6.1, 6.2 en 6.6 van voormelde uitspraak overwoog de AbRvS met betrekking tot de locatiegegevens onder meer als volgt: ‘6.1. In het dossier zijn de geschoonde meldingsbevestigingen uit het AERIUS Register opgenomen. Die meldingsbevestigingen zijn gestandaardiseerd en bevatten vergelijkbare locatiegegevens. Uit de ongeschoonde versie van één van de PAS-meldingen blijkt dat deze melding aan voor deze zaak van belang zijnde locatiegegevens bevat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.