RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/076851-19 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 augustus 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus
(2019)mocht ik bij mijn auto, dit was bij Alteveer, genaamd [bedrijfsnaam] autosloop. Bij mijn auto heb ik mijn eigen iPhone gevonden, kleur wit aan de bestuurderskant op het matje bij de pedalen. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met nummer 24.03.2019.07.15.2169, opgemaakt op 10 mei 2019 door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend: 1.2 Beknopte ongevalsbeschrijving: De bestuurder van de Mercedes reed over de Valtherweg te Exloo, komende vanuit de richting van Valthe. In een flauwe bocht naar rechts verloor de bestuurder de controle over het voertuig. Het voertuig kwam in een ongecontroleerde dwarsslip terecht en schoof de linker berm in. Daar kwam het voertuig in botsing met enkele bomen. Vervolgens schoof het voertuig via de rijbaan de rechterberm in. Daar kwam het voertuig eveneens met enkele bomen in botsing alvorens in die berm tot stilstand te komen. Bij het ongeval liepen de bestuurder en de twee passagiers (zwaar) lichamelijk letsel op. 1.4 Conclusie / beantwoording Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Mercedes immers: Hij verloor, door een te hoge snelheid of mede door een te hoge snelheid, bij het doorrijden van een flauwe bocht naar rechts de controle over zijn voertuig. 4.1.2 Snelheid Een nauwkeurige snelheidsberekening is met de beperkte gegevens niet op te maken. Het relatief gezien gedateerde voertuig was niet voorzien van voertuigelektronica waaruit een botssnelheid te herleiden was. Echter in de afgelopen vijftien jaar hebben wij beide, in de functie van verkeersongevallen analist, onderzoek verricht bij een groot aantal soortgelijke verkeersongevallen. In afwijking van verreweg de meeste door ons onderzochte verkeersongevallen viel het ons direct op dat het desbetreffende voertuig (Mercedes) rondom zeer fors beschadigd was. Deze schade was ontstaan doordat het voertuig in botsing was gekomen met 5 bomen. Met uitzondering van de botsing van het voertuig met de laatste boom waren de botsing met de overige vier bomen dusdanig fors dat hierbij schade aan de bomen ontstond en dat het voertuig ernstig deformeerde. De afstand die het voertuig had afgelegd vanaf het moment dat het voertuig in de ongecontroleerde slip raakte tot aan het moment dat het voertuig tegen de 5e boom in de rechter berm tot stilstand was gekomen bedroeg circa 149.00 meter. Bij een onwaarschijnlijk lage gemiddelde vertraging van het voertuig van 3m/s2 over de genoemde afstand van 149.00 meter bedroeg de snelheid van het voertuig onmiddellijk voor het aftekenen van de slipsporen op het wegdek: 107 km/h (afgerond). Gelet op het bovenstaande zijn wij ervan overtuigd dat de snelheid van het voertuig onmiddellijk voor het aftekenen van de slipsporen hoger is geweest dan 107 km/h. In ieder geval heeft de bestuurder gereden met een snelheid die aanmerkelijk hoger was dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 km/h. 4.1.4 Autogordels Bestuurder: Wij zagen dat het voertuig was voorzien van driepunts-autogordels voor zowel de bestuurder als de daarnaast zittende passagier. Wij zagen, dat op het gedeelte van de bestuurdersgordel, dat, bij gebruik van die gordel, door het bovenste geleidepunt sleept, recente sporen van slijtage, versmelting en overrekking aanwezig waren. Er kon met zekerheid worden vastgesteld dat er gebruik was gemaakt van de bestuurdersgordel. Passagier voorin: Wij zagen en voelde dat de autogordel bestemd voor de naast de bestuurder gezeten passagier was vastgeslagen in opgerolde toestand. Er kon met zekerheid worden vastgesteld dat er geen gebruik was gemaakt van de autogordel bestemd voor de naast de bestuurder gezeten passagier. Passagier achterin: Op de autogordels achterin het voertuig werden door ons, bij controle, geen recente sporen van slijtage, versmelting en overrekking aangetroffen. Er kon niet met zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen gebruik was gemaakt van de autogordel achter in het voertuig. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met nummer 24.03.2019.07.15.2543, opgemaakt op 8 juli 2019 door verbalisant [verbalisant] , opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend: Vraagstelling A. Naar aanleiding van proces-verbaal nr. 24.03.2019.0715.2169, een nader onderzoek doen naar de mogelijk gereden snelheid van betrokken Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken 1] . 1.4 Conclusie / beantwoording A. De naderingssnelheid van de Mercedes was vrijwel zeker minimaal 126 km/u. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 km/u. is zeker overschreden. Een geneeskundige verklaring inzake het letsel bij [slachtoffer] , op 19 april 2019 opgemaakt door de behandelend arts dr. Vroomen, opgenomen op pagina 103 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend: Uitwendig waargenomen letsel: een snijwond aan de linker wijsvinger, blauwe plekken rond de ogen, een schaafwond aan de rechter wenkbrauw. Overig van belang zijnde informatie: bloedingen binnen in de schedel waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was, hersenkneuzing. Geschatte duur van de genezing: maanden tot jaren, mogelijk nooit volledig. Een geneeskundige verklaring inzake het letsel bij verdachte, op 24 april 2019 opgemaakt door E.C. van der Sloot, arts, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover relevant inhoudend: Seatbelt sign over linker clavicula. Een deskundigen rapportage van Eurofins Forensics Belgium BVBA gevestigd te Brugge van 17 mei 2019, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudende: In het bloed van [verdachte] , afkomstig van het ontvangen bloedblok met SIN TAAT2511NL zijn de volgende stoffen aangetroffen: Alcohol (ethanol): 1,27 milligram ethanol per milliliter bloed. (grenswaarde alcohol indien in combinatie gebruikt: 0,20) Cannabis (tetrahydrocannabinol THC): 1,5 microgram per liter bloed. (grenswaarde cannabis indien in combinatie gebruikt: 1) Cocaïne: 11 microgram per liter bloed. (grenswaarde cocaïne indien in combinatie gebruikt: 10) De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 24 maart 2019 op de Valtherweg te Exloo, een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij de bestuurder van een personenauto (merk Mercedes met kenteken [kenteken 1] ) in een flauwe bocht van die weg de controle over het voertuig heeft verloren, in een slip is geraakt en is aangereden tegen meerdere langs die weg staande bomen. Het slachtoffer - [slachtoffer] - die zich als passagier in genoemde personenauto bevond, heeft door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Met betrekking tot de gereden snelheid overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse met nummer 24.03.2019.07.15.2543 blijkt dat de bestuurder van de Mercedes met een snelheid van ongeveer 126 km/u heeft gereden (in plaats van de plaatselijk toegestane 80 km/u). De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte de bestuurder was van het voertuig dat betrokken was bij het verkeersongeval. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat hij met verdachte en met [slachtoffer] in de auto van verdachte zat. Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte de bestuurder van de auto was, dat hij de bijrijder was en dat [slachtoffer] achterin zat. Deze verklaring vindt steun in de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na het ongeval ter plaatse waren en die verdachte op de bestuurdersstoel van de auto hebben aangetroffen, in de geneeskundige verklaring inzake het bij verdachte geconstateerde letsel - te weten gordelletsel over de linkerschouder - alsmede in het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse waaruit volgt dat de bestuurdersgordel recente sporen van slijtage, versmelting en overrekking aanwezig waren, de autogordel van de bijrijdersstoel en de autogordel links achterin de auto vertoonden deze sporen niet. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zijn iPhone in de auto heeft teruggevonden aan de bestuurderskant op het matje bij de pedalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van getuige [getuige] en de waarnemingen van de verbalisanten te twijfelen en gaat er derhalve vanuit dat verdachte de bestuurder was van de auto. De verklaring van verdachte dat hij zeker weet dat hij niet de bestuurder was die bewuste avond acht de rechtbank niet geloofwaardig, temeer nu die verklaring zich niet laat rijmen met zijn eigen verklaring dat hij zich van de hele rit en het ongeval niets kan herinneren. Voorts is de rechtbank - in tegenstelling tot de raadsvrouw - van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol en verdovende middelen verkeerde. Uit het bloedonderzoek volgt dat verdachte onder invloed was van zowel alcohol (1,27 milligram per milliliter, terwijl de grenswaarde 0,50 of bij beginnend bestuurder/gecombineerd gebruik 0,20 is) als cannabis (1,5 microgram per liter, terwijl de grenswaarde bij gebruik in combinatie 1 is), als cocaïne (11 microgram per liter, terwijl de grenswaarde bij gebruik in combinatie 10 is). Met betrekking tot het standpunt van de raadsvrouw aangaande (de bruikbaarheid van) het bloedonderzoek overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak is van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8 WVW slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Is een dergelijke waarborg niet nageleefd, dan mag de uitkomst van het bloedonderzoek niet voor het bewijs gebruikt worden; artikel 359a Sv is in dat geval niet van toepassing (ECLI:NL:HR:2012:BW6206). Er moet volgens vaste rechtspraak onderscheid worden gemaakt tussen voorschriften die behoren tot de procedure strekkend tot een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW enerzijds en voorschriften met betrekking tot het daar bedoelde onderzoek als zodanig (het stelsel van strikte waarborgen) anderzijds (ECLI:NL:HR:2014:3616, ECLI:NL:HR:2015:2502). De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkomsten van het bloedonderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat het bloedonderzoek te laat is opgestart (niet binnen 90 minuten nadat verdachte is gevorderd medewerking te verlenen) en omdat niet blijkt dat het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd binnen twee weken na ontvangt van de buisjes bloed, en dat derhalve niet is voldaan aan artikel 12 lid 3 respectievelijk artikel 16 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit). De rechtbank volgt dit verweer niet. In artikel 12 lid 3 van het Besluit is - voor zover hier van belang - opgenomen dat in geval van verdenking van het rijden onder invloed van een andere stof dan alcohol bloedafname bij de verdachte geschiedt binnen uiterlijk anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek. Nu om 06:51 uur de verdachte is gevorderd medewerking te verlenen aan voorlopig onderzoek en de bloedafname om 09:00 uur plaatsvond, kan niet worden vastgesteld dat de bloedafname binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 90 minuten heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat derhalve uit van een overschrijding van deze termijn. De termijn van 90 minuten strekt er echter niet toe de juistheid of betrouwbaarheid van het resultaat van het bloedonderzoek te waarborgen. Zij is blijkens de Nota van toelichting op het Besluit hoofdzakelijk ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen, die verband houden met het (over het algemeen) snel afnemen van het gehalte aan THC in het bloed. De gestelde termijn van anderhalf uur maakt aldus geen onderdeel uit van het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek is omgeven, zodat het resultaat daarvan niet op die grond van het bewijs behoeft te worden uitgesloten. De rechtbank neemt bij het voorgaande in aanmerking dat de resultaten van een bloedonderzoek buiten de gestelde termijn niet in het nadeel van de verdachte kunnen zijn. In artikel 16 lid 1 van het Besluit is opgenomen - voor zover hier van belang - dat de onderzoeker, bedoeld in artikel 14 eerste lid van het besluit, het bloedonderzoek verricht binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. Uit het rapport van Eurofins blijkt dat het laboratorium op 29 maart 2019 de buisjes met bloed heeft ontvangen. Het rapport is opgemaakt op 17 mei
- Of het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes bloed is verricht of dat dit is gebeurd op dezelfde dag als de ondertekening van het rapport, valt op grond van het dossier niet vast te stellen. De voorgeschreven termijn voor het verrichten van het bloedonderzoek binnen twee weken strekt er niet toe de juistheid van het bloedonderzoek te waarborgen. Immers, indien het resultaat van het bloedonderzoek niet meer betrouwbaar zou zijn indien dat resultaat voortvloeit uit een onderzoek dat niet binnen twee weken na ontvangst is verricht, dan zou een tegenonderzoek per definitie niet een betrouwbaar resultaat kunnen opleveren omdat dit altijd pas plaatsvindt nadat het initiële bloedonderzoek is verricht. Aldus is er bij een bloedonderzoek waarbij niet kan worden vastgesteld of het onderzoek binnen de termijn van twee weken is verricht geen sprake van het niet nakomen van een waarborg die in verband staat met de betrouwbaarheid of juistheid van het gegenereerde onderzoeksresultaat. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat het vervoer en het bewaren van het bloedmonster conform de geldende regeling heeft plaatsgevonden. Nu de overschreden termijnen geen waarborgen betreffen voor de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek als zodanig, laat de rechtbank het bij een constatering van de vormverzuimen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het primair tenlastegelegde het volgende. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). In casu kan uit het feit dat verdachte, als bestuurder van een personenauto, heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan (te weten ongeveer 126 km/u), terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol en drugs, en ten gevolge daarvan een ongeval heeft veroorzaakt, naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. Daarmee is sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Schuld in de zin van roekeloosheid is de zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm, waarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat in dit geval geen sprake is van roekeloosheid in vorenbedoelde zin, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van de gevolgen voor het slachtoffer, [slachtoffer] , overweegt de rechtbank als volgt. Het slachtoffer heeft blijkens de medische stukken en blijkens de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring onder meer een hersenkneuzing en bloedingen in de hersenen opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Uit de slachtoffer verklaring blijkt voorts dat sprake is - onder meer - van blijvend ernstig traumatisch hersenschedelletsel waarvan het slachtoffer niet (volledig) zal herstellen. Aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, te weten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel betreft. Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 24 maart 2019 te Exloo, gemeente Borger-Odoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (Valtherweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan op genoemde weg is toegestaan, heeft gereden, ten gevolge waarvan hij, verdachte, bij een (flauwe) bocht de controle over het voertuig heeft verloren en vervolgens tegen langs die weg staande bomen is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenkneuzing en blijvend hersenletsel werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet
- Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht; Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair gepleit voor algehele vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met het opleggen van een taakstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Met betrekking tot een onttrekking van de rijbevoegdheid vraagt de raadsvrouw deze te beperken tot 6 maanden. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de gevolgen die het ongeluk voor verdachte heeft gehad, alsmede op de overschrijding van de redelijke termijn. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie en de rapportage van de reclassering, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, als bestuurder van een personenauto, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Dit valt hem temeer aan te rekenen omdat hij reed onder invloed van alcohol en drugs. Door het ongeval is het slachtoffer (ernstig) gewond geraakt. Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank is op grond van de ernst van het primair bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen (6 maanden), zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 24 maart 2019, de dag waarop verdachte in het ziekenhuis is gehoord door de politie. De rechtbank wijst vonnis op 24 augustus
- Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren is de redelijke termijn van de procedure overschreden met vijf maanden. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door 14 dagen strafvermindering toe te passen en zal verdachte mitsdien veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen. De rechtbank is voorts van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van 2 jaren. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: Een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen. Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 2 jaren. Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. T.P. Hoekstra, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 augustus
- Mr. Hoekstra en mr. Depping zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.