RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 20/3339 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , eiser en de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder, (gemachtigde: mr. F. Huizenga). Procesverloop In het besluit van 22 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor het jaar 2020 op nihil vastgesteld. In het besluit van 12 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken ingediend. Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 24 augustus 2021 gesloten. Voor zover na het sluiten van het onderzoek nog nadere berichtgeving bij de rechtbank is binnengekomen, heeft dit geen aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen. Overwegingen 1. De rechtbank overweegt dat er een uitgebreid dossier is ontstaan in deze zaak en dat de rechtbank daarvan kennis heeft genomen. Eiser heeft de rechtbank met behulp van uitgebreide documentatie geïnformeerd over zijn standpunten. 2. De rechtbank dient haar beoordeling te beperken tot de omvang van het geding. Dit brengt mee dat alleen eiser en verweerder als partij in deze beroepsprocedure zijn aangemerkt en niet bijvoorbeeld bewindvoerders van het ministerie van Financiën. Het geschil ziet op verweerders besluitvorming om de zorgtoeslag van eiser (en zijn toeslagpartner) in het jaar 2020 vast te stellen op nihil, omdat eiser geen zorgverzekering heeft, en hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd. Al het overige valt buiten de omvang van dit geding en de rechtbank kan dat niet bij haar beoordeling betrekken. 3. Ten aanzien van de dwangsom overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft op 3 mei 2021 een dwangsombesluit afgegeven, inhoudende dat er geen dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de dwangsomregeling wegens niet tijdig beslissen niet van toepassing is op voorschotbeschikkingen. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), is dat inderdaad het geval. Verweerder heeft dan ook terecht afgezien van het toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. 4. Ten aanzien van het recht op zorgtoeslag overweegt de rechtbank als volgt. 5. Zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de premie voor de zorgverzekering. Er bestaat alleen recht op zorgtoeslag indien er een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet is afgesloten. Verweerder heeft – aldus de stukken – een melding gekregen dat eiser met ingang van 1 januari 2020 geen zorgverzekering heeft in de zin van de Zorgverzekeringswet. Er bevinden zich in het dossier geen documenten op grond waarvan dit (geen zorgverzekering per 1 januari 2020) voor onjuist gehouden moet worden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op zorgtoeslag in het jaar 2020, omdat hij geen zorgverzekering heeft afgesloten. 6. Eiser (ook wel de aanvrager van zorgtoeslag) en zijn echtgenote (die zijn toeslagpartner
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.