RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 21/2403 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 oktober 2021 in de zaak tussen NN 1 en NN 2, verzoekers (gemachtigde: mr. P. de Haas), en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder(gemachtigde: mr. M. Looijs). Als derde-belanghebbende neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende], te Nootdorp. Procesverloop In het besluit van 4 augustus 2021 heeft verweerder naar aanleiding van een op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gebaseerd verzoek van de derde-belanghebbende besloten om een aantal documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Om belanghebbenden de mogelijkheid te geven die openbaarmaking tegen te houden, heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 6, vijfde lid, van de Wob (uitgestelde openbaarmaking). Verzoekers hebben op 17 augustus 2021 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de naam van de derde-belanghebbende aan de voorzieningenrechter verstrekt. Deze heeft aangegeven als partij aan het geding te willen deelnemen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingestuurd en verzocht om toepassing van beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter heeft verzoekers de gelegenheid gegeven om ook een beroep te doen op artikel 8:29 van de Awb, waarvan zij gebruik hebben gemaakt. Omdat het gaat om een Wob-verzoek heeft de voorzieningenrechter gehandeld alsof de verzoeken om toepassing van artikel 8:29 van de Awb gerechtvaardigd zijn. Dit volgt uit artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement Bestuursrecht 2021. De derde-belanghebbende en verweerder hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de documenten die zij niet kennen vanwege de toepassing van artikel 8:29 van de Awb bij de beslissing te betrekken. Verzoekers hebben toestemming geweigerd voor zover het gaat om stukken die zij niet kennen, en in elk geval voor zover het gaat om processtuk 12 van verweerder (de niet-geanonimiseerde versie van de documenten die verweerder openbaar wil maken). De voorzieningenrechter betrekt deze door verweerder toegezonden stukken daarom niet bij zijn uitspraak. De derde-belanghebbende heeft een schriftelijke reactie gegeven. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2021 op zitting behandeld. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het Wob-verzoek ziet op de periode vanaf 1 september 2010 tot 5 oktober 2020 en is (onder meer) als volgt geformuleerd: Hierbij verzoek ik u openbaar te maken alle stukken welke betrekking hebben op claims als bedoeld in art. 13 van de Verordening 767/2009/EG (marktverordening diervoeder), met uitzondering van die stukken welke betrekking hebben op het bedrijf [X] en/of de heer [Y] te [Z]. […] Dit alles geheel geanonimiseerd. De derde-belanghebbende vraagt in het bijzonder om besluiten en de daarbij behorende controlerapporten, vooraankondigingen en correspondentie, over de bestuurlijke handhaving van de marktverordening diervoeder. 1.1. Op 19 februari 2021 heeft verweerder verzoekers laten weten dat hij het voornemen heeft om de gevraagde documenten (deels) te verstrekken, waaronder de volgende documenten die op hen betrekking hebben: een boetebeschikking van 8 september 2017 (document 37); een voornemen tot boeteoplegging van 16 augustus 2017 (document 38); een rapport van bevindingen van 26 juni 2017 (document 39); een boetebeschikking van 19 januari 2018 (document 77); een voornemen tot boeteoplegging van 27 december 2017 (document 78); een rapport van bevindingen van 13 oktober 2017 (document 79). 2. Verzoeker heeft op 5 maart 2021 een zienswijze gegeven. Op 9 maart 2021 heeft de derde-belanghebbende het Wob-verzoek nader toegelicht en aangegeven dat het op geen enkele manier de bedoeling is dat tot bedrijven of personen te herleiden gegevens openbaar worden gemaakt. Zij wil alleen inzicht krijgen in de werkwijze van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ten aanzien van de betrokken regelgeving. 2.1. Omdat de openbaarmaking van de namen van verzoekers onderdeel is van het geschil zijn die namen in deze uitspraak aangeduid als NN1 en NN2. 3. De zaak gaat over de vraag of verzoekers terecht de openbaarmaking van de bovengenoemde documenten willen tegenhouden, omdat zij reputatieschade vrezen. 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. In het bestreden besluit staat dat de door een derde gevraagde documenten binnen twee weken deels openbaar worden gemaakt, tenzij daartegen bezwaar wordt gemaakt en om een voorlopige voorziening wordt gevraagd. Alleen in dat geval zal de verweerder wachten met het openbaar maken van de documenten tot op het verzoek om een voorlopig voorziening is beslist. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven. 4.1. De voorzieningenrechter kijkt vervolgens of het bezwaarschrift van verzoekers kans van slagen heeft. Hij geeft daarbij een voorlopig oordeel over deze zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft zij het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen. 4.2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 5. Verzoekers hebben aangegeven dat de derde-belanghebbende geen belanghebbende is in dit geschil, omdat het gaat over de manier waarop verweerder de stukken heeft geanonimiseerd. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Het geschil gaat over een besluit dat aan de derde-belanghebbende is gericht. Deze is alleen al om deze reden belanghebbende bij een geschil over dit besluit. Zij mag daarom als partij deelnemen aan dit geding. 6. Verzoekers stellen zich verder op het standpunt dat er bij een Wob-verzoek sprake moet zijn van een bestuurlijke aangelegenheid. Naar hun mening is het opvragen van individuele handhavingsbesluiten en bijbehorende correspondentie geen bestuurlijke aangelegenheid. Als een derde verwikkeld is in een procedure over een handhavingskwestie, dan moet deze volgens verzoekers de middelen gebruiken waar hij in die procedure de beschikking over heeft. Een Wob-verzoek doen is in dit geval misbruik maken van de regelgeving. 6.1. De voorzieningenrechter volgt ook dit betoog niet. De derde-belanghebbende heeft gevraagd om afschriften van brieven die verweerder heeft verstuurd bij het uitvoeren van zijn taak als toezichthouder op de marktverordening diervoeders. Dit is bij uitstek een bestuurlijke aangelegenheid waarop de Wob van toepassing is, zoals volgt uit artikel 1 van de Wob. Het belang van degene die om informatie vraagt doet er niet toe, zoals ook staat in artikel 3 van de Wob. Er is een algemeen belang gediend met openbaarmaking. De enige reden waarom een verzoek om informatie geweigerd kan worden is als er sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10 en artikel 11 van de Wob. 6.2. Verzoekers hebben daarbij niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid, zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is aangenomen in de uitspraken van 19 november 2014. Om misbruik aan te kunnen nemen is onvoldoende dat het de Wob-verzoeker niet gaat om het openbaren van informatie voor iedereen. Er moeten bijkomende omstandigheden zijn, waardoor het gebruik van de bevoegdheid om informatie op te vragen evident onredelijk is. Daarvan is in dit geval niet gebleken. 7. Niet in geschil is verder dat het openbaren van informatie die herleidbaar is naar de betrokken personen en organisaties, waaronder de ondernemingen van verzoekers, tot aanzienlijk nadeel voor die personen of organisaties kan leiden, bijvoorbeeld tot reputatieschade. Verweerder heeft daarom openbaarmaking van deze gegevens achterwege gelaten en verwijst daarbij naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verzoekers zijn echter van mening dat bepaalde openbaar te maken informatie nog steeds kan leiden tot identificatie van hun ondernemingen. Het gaat daarbij volgens hen om:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.