← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:4633

vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling privaatrecht Locatie Groningen zaaknummer / rolnummer: C/18/203634 / HA ZA 21-8 Vonnis van 15 september 2021 in de zaak van

  1. de vennootschap onder firma [A] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,
  2. [B], vennoot van eiser sub 1, wonende te [woonplaats] ,
  3. [C], vennoot van eiser sub 1, wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat: mr. H.E. Davelaar te Zwolle, tegen
  4. de vennootschap onder firma [D] , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]
  5. [E] vennoot van gedaagde sub 1, wonende te [woonplaats] ,
  6. [F] vennoot van gedaagde sub 1, wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat: mr. M. Snel-de Kroon te Zwolle. 1De procedure 1.
  7. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, de conclusie van antwoord, de akte tot overlegging van producties van eisers, de akte tot overlegging van een productie van gedaagden, de mondelinge behandeling op 15 juli 2021 en de schriftelijke aantekeningen die de griffier daarvan heeft gemaakt. 1.
  8. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.
  9. Eisers exploiteren een akkerbouwbedrijf vanuit hun boerderij te [vestigingsplaats] . Gedaagden exploiteren een akkerbouwbedrijf in Zijldijk. 2.
  10. [A] is opgericht op 1 juni
  11. Voor die datum exploiteerde [B] (eiser sub 2, hierna: [B] ) samen met zijn vader het boerenbedrijf in maatschapsverband, de maatschap [bedrijfsnaam] . De maatschap is per 1 juni 2019 geëindigd, waarbij [B] het bedrijf van zijn vader heeft overgenomen. 2.
  12. Eisers hebben aan de noordzijde van de [adres] nabij [woonplaats] een perceel landbouwgrond (kadastraal bekend ’ [perceelnummer] in gebruik voor de teelt van pootaardappelen. Aan de overkant van de weg ligt een perceel landbouwgrond van gedaagden (kadastraal bekend [perceelnummer] ). Gedaagden hadden op dit perceel consumptieaardappelen staan. Aan weerszijden van de weg ligt een sloot. 2.
  13. Op 28 juli 2018 hebben gedaagden hun perceel met consumptieaardappelen beregend met oppervlaktewater. 2.
  14. [B] heeft die dag, nadat hij bij zijn perceel was aangekomen, de politie gebeld omdat volgens hem ook een gedeelte van zijn perceel met pootaardappelen is beregend met oppervlaktewater. Politieagent K.P. Timmer is ter plaatse geweest. Op een verzoek daartoe van eisers heeft de politie kenbaar gemaakt hierover geen verklaring te verstrekken. 2.
  15. Bij aangetekende brief van 8 augustus 2018 hebben eisers gedaagden aansprakelijk gesteld voor de schade van de beregening. In de brief staat onder meer het volgende: ‘(…) Van vrijdag 27 op zaterdag 28 juli 2018 heeft u dit perceel beregend. De beregening stond echter zodanig afgesteld dat zowel de weg als een groot deel van ons perceel is beregend. Er was geen sprake van enkel verwaaien van het water. (…) De beregening vond plaats vanaf uw perceel aan de overkant van de weg, zodat wij u aansprakelijk houden voor de schade die wij hebben geleden door de beregening van ons pootgoed. De omvang van de schade is nog niet bekend. Die is afhankelijk van hoe groot het deel van het perceel zal zijn dat wordt afgekeurd. (…)’ 2.
  16. In week 35 (zijnde in de week van 27 augustus 2018 tot en met 2 september 2021) hebben eisers een strook van 100 meter breed van hun perceel met pootaardappelen laten rooien door loonbedrijf Van Zwol. 2.
  17. Gedaagden hebben naar aanleiding van de brief van eisers hun aansprakelijkheids-verzekeraar Univé ingeschakeld. Bij brief van 29 augustus 2018 heeft Univé aan gedaagden kenbaar gemaakt dat er, geheel onder voorbehoud van polisdekking en aansprakelijkheid, een expert is ingeschakeld. Eisers hebben, nadat de expert met hen contact heeft opgenomen, de door hem gevraagde gegevens aan de expert verschaft. Verder heeft [B] op 15 januari 2019 een verklaring afgelegd aan de onderzoeker van Univé. 2.
  18. Bij e-mail van 22 januari 2019 heeft Univé aan eisers kenbaar gemaakt dat de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven van gedaagden geen dekking biedt voor de schade, nu dit schade betreft in de vorm van verminderde opbrengst en er geen sprake is van zaakschade in de zin van de polis. 2.
  19. Bij brief van 13 maart 2020 heeft de advocaat van eisers gedaagden verzocht de schade te vergoeden door betaling van een bedrag van € 31.936,76 inclusief btw. Dit bedrag bestaat uit de schade van € 21.726,29 (excl. btw) aan de pootaardappelen en € 6.822,40 (excl. btw) aan kosten van loonwerk, juridische kosten en eigen kosten. 2.
  20. In antwoord op die brief heeft Univé Rechtshulp namens gedaagden bij brief van 16 juni 2020 betwist dat het perceel van eisers door gedaagden is beregend. Volgens gedaagden ontbreekt daarvan enig bewijs. Voor zover het perceel van eisers wel nat zou zijn geworden, dan betwisten gedaagden dat dit eisers genoopt zou hebben tot het treffen van de door eisers gestelde maatregelen dan wel de omvang daarvan. Verder betwisten gedaagden de omvang van de door eisers gestelde schade. 2.
  21. In opdracht van eisers heeft de heer R.H. Steenbeek, branchespecialist Agri bij Countus accountants + adviseurs, op 25 november 2020 een schaderapport opgesteld. Gedaagden zijn hier niet bij betrokken. Countus heeft de schade vastgesteld op een bedrag van € 32.352,99 (inclusief btw). Dit bedrag bestaat uit de waardebepaling van de pootaardappelen minus het ontvangen bedrag door de verkoop van deze pootaardappelen als consumptieaardappelen (€ 21.726,29), de loonwerkkosten (€ 3.068,50), de kosten van de schadeberekening van Countus (€ 1.975,00), extra sorteerkosten (€ 502,88) en extra urenbesteding door eisers (€ 3.562,50). Over de productschade, de loonwerkkosten en de sorteerkosten is 6% btw berekend. 3De vordering 3.
  22. Eisers hebben gevorderd om gedaagden hoofdelijk, zo dat als de één zal hebben betaald de ander zal zijn bevrijd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen: I. tot betaling aan eisers van een bedrag van € 32.352,99 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; II. tot betaling aan eisers van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.668,50 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; III. in de kosten van dit geding waaronder begrepen het salaris van de advocaat; IV. in de na dit vonnis ontstane nakosten conform het liquidatietarief berekend op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval gedaagden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en tot betekening daarvan wordt overgegaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening. 3.
  23. Eisers hebben gesteld dat gedaagden een onrechtmatige daad hebben gepleegd waardoor eisers schade hebben geleden. Gedaagden hebben volgens eisers hun pootaardappelen met oppervlaktewater beregend, waardoor een strook van circa 100 meter breed moest worden gerooid. Het beregenen van pootgoed met oppervlakte water is verboden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA). Het verbod is vastgelegd in artikel 3 van de Regeling bruin- en ringrot
  24. De reden voor het verbod is dat pootaardappelen besmet kunnen raken met bruinrot. De schade bestaat uit de waardevermindering van de pootaardappelen doordat de beregende pootaardappelen niet meer als zodanig verkocht konden worden, maar enkel als consumptieaardappelen. Verder bestaat de schade uit kosten van loonwerk, juridische kosten en eigen kosten. 4Het verweer 4.
  25. Gedaagden hebben betwist dat zij de pootaardappelen van eisers hebben beregend met oppervlaktewater. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij de installatie zo ingesteld hadden dat de beregening drie meter voor de sloot aan hun kant van het perceel stopte. Gedaagden zijn daardoor ruimschoots – naar schatting minstens 25 meter – uit de buurt van de pootaardappelen van eisers gebleven. Gedaagden vinden het gezien die afstand onaannemelijk dat door de matige wind de spuitnevel van het beregeningswater op de pootaardappelen van eisers terecht is gekomen. In de vroege ochtend van 28 juli 2018 bleek dat de beregening van de laatste strook voortijdig was gestopt. Gedaagden hebben toen het dieselfilter vervangen en de machine weer aangezet. [E] heeft volgens gedaagden vervolgens een half uur gewacht om te kijken of alles in orde was. Gedaagden hebben betoogd dat er gedurende die tijd geen bijzonderheden waren en de wind matig was. Volgens gedaagden hebben zij daarmee alle zorgvuldigheid in acht genomen die van hen verwacht mag worden. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij na de klacht de beregening meteen hebben uitgezet. 5De beoordeling 5.
  26. Allereerst overweegt de rechtbank dat gedaagden hun in de conclusie van antwoord gevoerde verweer dat de (vermeende) vordering niet zou zijn overgedragen door de maatschap aan de v.o.f., hebben laten vallen. Dit gedeelte van het geschil behoeft daarom geen bespreking meer. Onrechtmatige daad 5.
  27. Inhoudelijk gaat het in deze zaak om de vraag of gedaagden aansprakelijk zijn voor de schade die eisers stellen te hebben geleden doordat op 28 juli 2018 bij de beregening van het perceel met consumptieaardappelen van gedaagden oppervlaktewater terecht is gekomen op het naastgelegen perceel met pootaardappelen van eisers. Eisers hebben gesteld dat gedaagden daarmee jegens hen een onrechtmatige daad hebben gepleegd omdat pootaardappelen niet in contact mogen komen met oppervlaktewater in verband met het risico op bruinrot. 5.
  28. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient aan een vijftal vereisten voldaan te zijn, te weten: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Een onrechtmatige daad kan bestaan uit een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (art. 6:162 lid 2 BW). 5.
  29. Tussen partijen is niet in geschil dat het op grond van artikel 3 van de Regeling bruin- en ringrot 2000 verboden is om oppervlaktewater op enigerlei wijze te gebruiken voor of bij de teelt van pootaardappelen. Verder is niet in geschil dat gedaagden wisten dat eisers op hun perceel pootaardappelen teelden en dat daar geen oppervlaktewater op mocht komen. Partijen zijn echter verdeeld over het antwoord op de vraag of het door gedaagden gebruikte oppervlaktewater terecht is gekomen op het perceel van eisers en of eisers daardoor schade hebben geleden. 5.
  30. Om hun standpunt nader te onderbouwen, dat het oppervlaktewater op het perceel van eisers terecht is gekomen, hebben eisers meerdere foto’s overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is op de foto’s duidelijk te zien dat de weg tussen de percelen van partijen en de oever van de sloot aan de kant van het perceel van eisers nat is. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de foto’s genoegzaam blijkt dat de grond van het perceel van eisers nat is. Dit is te zien doordat die grond donkerder van kleur is. Gedaagden hebben dat op de mondelinge behandeling erkend. Daarbij komt dat het erg onwaarschijnlijk is dat het (verwaaide) water waardoor de weg en de oever nat zijn geworden precies aan de rand van de sloot is gestopt. De rechtbank neemt daarbij in haar oordeel mee dat op één van de foto’s van eisers duidelijk is te zien dat het water van de beregeningsinstallatie over het tegenoverliggende grasland waait dat achter het perceel van eisers ligt. Op die foto is te zien dat de waterstraal van de weg af staat, maar dat het water door de wind over de weg en het grasland waait. 5.
  31. Gedaagden hebben weliswaar gesteld dat het water niet over het perceel van eisers is gekomen, omdat er op het moment dat de beregeningsinstallatie naast het perceel van eisers was slechts matige wind was, maar de rechtbank gaat in dat verweer niet mee gezien de op de foto’s ter hoogte van het perceel van eisers zichtbare natte weg en natte oever van de sloot. Het dagoverzicht van het KNMI van het weer op die bewuste dag, dat gedaagden hebben overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit overzicht afkomstig is van het weerstation in Eelde. Dit weerstation ligt hemelsbreed ongeveer 35 kilometer bij de plaats van de percelen vandaan. Bovendien staan op dit dagoverzicht slechts gemiddelden vermeld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er op het moment van beregenen nauwelijks sprake was van wind, zoals gedaagden hebben aangevoerd. Evenmin is daaruit af te leiden vanuit welke hoek de wind op het moment van beregening kwam. Op de foto van gedaagden is te zien dat de nevel over de weg waait, die de percelen van partijen scheidt, richting de kant waar het perceel van eisers ligt. Deze foto is weliswaar genomen nadat de beregeningsinstallatie het perceel van eisers gepasseerd was, maar in combinatie met de ter hoogte van het perceel op de foto’s zichtbare natte weg en grond duidt dit erop dat op het moment dat de beregeningsinstallatie het perceel van eisers passeerde de wind eveneens in de richting van het perceel van eisers stond en hard genoeg was om de nevel tot over de weg mee te voeren. 5.
  32. Gelet op de voor gedaagden kenbare belangen van eisers dat de pootaardappelen niet in contact mogen komen met oppervlaktewater omdat daardoor een risico op bruinrot ontstaat, dienden gedaagden bij de beregening de nodige zorgvuldigheid te betrachten. Gedaagden hebben in dat kader aangevoerd dat zij zorgvuldig hebben gehandeld, omdat zij rekening hebben gehouden met de windrichting en een half uur toezicht is gehouden nadat het oliefilter is vervangen en de beregeningsinstallatie weer is aangezet. Ook aan dat verweer gaat de rechtbank voorbij. Gedaagden hebben ter zitting immers verklaard dat zij niet meer precies weten hoe lang zij hebben gewacht nadat zij het oliefilter hadden vervangen. Volgens [E] (gedaagde sub 2) heeft hij even gekeken of de motor na het vervangen van het oliefilter goed liep en is hij na ongeveer 15 minuten vertrokken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee niet kan worden geconcludeerd dat gedaagden voldoende zorg hebben betracht met het oog op de risico’s die hun gedrag voor anderen kon veroorzaken. Gedaagden hebben hun perceel beregend zonder daarbij in de gaten te blijven houden dat geen oppervlaktewater met de pootaardappelen van eisers in aanraking zou komen. Gedaagden hebben naar het oordeel van de rechtbank daarmee onzorgvuldig en onrechtmatig jegens eisers gehandeld. De rechtbank neemt in haar oordeel met dat op het moment dat de beregeningsinstallatie is aangezet er, mede volgens de verklaring van gedaagden, sprake was van (in ieder geval) matige wind. Daarbij komt dat niet valt in te zien dat het in dit geval te bezwaarlijk zou zijn geweest om het beregeningsproces in de gaten te blijven houden. Dit geldt temeer nu de beregeningsinstallatie volgens gedaagden geen volledige “track” meer hoefde af te leggen en in dat geval de machine veel sneller over het land gaat, waardoor het gedeelte van het perceel dat nog beregend moest worden na het vervangen van het oliefilter betrekkelijk snel beregend zou zijn. Volgens gedaagden is de beregeningsinstallatie immers na het vervangen van de oliefilter rond 6.30 uur aangezet. Eisers waren rond 7.30 uur bij hun perceel aanwezig. Op dat moment was de beregeningsinstallatie het perceel van eisers al voorbij. 5.
  33. De rechtbank is van oordeel dat het onrechtmatig handelen gezien het voorgaande gedaagden kan worden toegerekend, nu zij verwijtbaar hebben gehandeld. 5.
  34. Gedaagden hebben nog betoogd dat het causaal verband ontbreekt omdat het gedrag van eisers – het treffen van de als schade opgevoerde maatregelen zonder dat NVWA en/of NAK daartoe verplichtten – zodanig van invloed is op het ontstaan van de schade dat geen sprake kan zijn van toerekening aan gedaagden. Dit verweer wordt verworpen. Dat geen maatregel is opgelegd maakt het niet anders dat de pootaardappelen in aanraking zijn gekomen met oppervlaktewater hetgeen op grond van artikel 3 van de Regeling bruin- en ringrot 2000 verboden is. Verder hebben gedaagden onvoldoende betwist dat volgens de NVWA de gevolgen van een eventuele bruinrotbesmetting beperkt kunnen worden door het perceelgedeelte dat in contact is gekomen met oppervlaktewater apart te rooien, waarbij de NVWA bij het opleggen van maatregelen met deze voorzorgsmaatregel rekening zal houden. In dat geval worden alleen maatregelen opgelegd op de pootaardappelen op het perceelgedeelte dat daadwerkelijk met oppervlaktewater in contact (kan) zijn gekomen, aldus het NVWA. De rechtbank leidt hieruit af dat niet hoeft te worden afgewacht met het rooien van de betreffende pootaardappelen totdat het NVWA een maatregel heeft opgelegd. 5.
  35. Verder hebben gedaagden nog aangevoerd dat volgens hen geen bruinrot aanwezig was in het water dat voor de beregening is gebruikt. Gedaagden hebben hun stelling echter niet nader onderbouwd. Zij hebben immers slechts aangevoerd dat een werknemer bij het Waterschap dat aan hen zou hebben verklaard omdat dat door het Waterschap zou zijn getest. Aangezien verder niet is gesteld dan wel is gebleken op welke manier en waar (welke sloot) dit zou zijn geconstateerd, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij. 5.
  36. Voor zover causaal verband wordt aangenomen, hetgeen het geval is, hebben gedaagden een beroep gedaan op eigen schuld van eisers (artikel 6:100 BW). De mate waarin de aan eisers toe te rekenen omstandigheden van het zonder noodzaak rooien hebben bijgedragen aan de schade is volgens gedaagden 100%. Ook aan dit verweer van gedaagden gaat de rechtbank voorbij. Zoals hiervoor reeds is overwogen hebben eisers niet zonder noodzaak de pootaardappelen gerooid. Geoordeeld is immers dat de pootaardappelen van eisers in aanraking zijn gekomen met oppervlakte water en dat zij volgens de NVWA de schade kunnen beperken door als voorzorg deze pootaardappelen te rooien. Tussenconclusie 5.
  37. Gelet op het voorgaande staat vast dat gedaagden uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor de schade die eisers hebben geleden doordat bij de beregening van hun perceel op 28 juli 2018 oppervlaktewater terecht is gekomen op het naastgelegen perceel met pootaardappelen van eisers. De schade die eisers als gevolg daarvan hebben geleden, zullen gedaagden aan eisers dienen te vergoeden. Hoogte van de schade 5.
  38. Met verwijzing naar het schaderapport van Countus van 25 november 2020 stellen eisers schade te hebben geleden tot een (totaal)bedrag van € 32.352,
  39. De rechtbank zal de verschillende opgevoerde schadeposten één voor één behandelen. Waardebepaling 5.
  40. Eisers hebben gesteld dat zij genoodzaakt waren het deel van de pootaardappelen dat in contact is gekomen met oppervlaktewater terug te trekken als hoogwaardig pootgoed en deze, tegen een lagere opbrengst, af te zetten als consumptieaardappelen. Bij de berekening van de waarde van de gerooide pootaardappelen is gebruik gemaakt van prijslijsten van Agrico waarbij is gekeken naar het ras, de klasse en de daarbij behorende premie (premiegroep 2) en vergoeding (PB3). Daarbij is de waarde van de gerooide pootaardappelen bepaald op een totaalbedrag van € 29.548,13 (excl. btw). Voor de afzet van deze aardappelen als consumptieaardappelen hebben eisers blijkens de facturen van Agrico van 22 oktober 2018 en 14 november 2018 een bedrag ontvangen van in totaal € 7.821,84 (excl. btw). Hoewel boven de facturen staat vermeld ‘inkoopfactuur pootaardappelen’ blijkt uit de voor de prijs genoteerde afkorting ‘CO’ dat het gaat om prijzen voor consumptieaardappelen. De door eisers gestelde productschade bedraagt volgens hen dus € 21.726,29 (excl. btw). 5.
  41. De uitgangspunten die zijn gebruikt voor de waardebepaling van de pootaardappelen zijn door gedaagden in algemene zin weersproken. Gezien de in het rapport uitgebreid omschreven methode waarop de waardevaststelling van de pootaardappelen heeft plaatsgevonden – welke rassen het betreft, dat deze als S-materiaal worden afgezet en dat er sprake is van 3e-jaars vermeerdering –, acht de rechtbank dat onvoldoende. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van deze waardevaststelling. Noodzaak tot rooien van strook van 100 meter 5.
  42. Gedaagden hebben aangevoerd dat het niet noodzakelijk was om een strook van 100 meter te rooien. Gedaagden hebben betoogd dat eisers daartoe geen opdracht hebben gekregen van de NVWA. Eisers hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de nevel zo’n 50 tot 100 meter over hun perceel is gewaaid. Door tot 100 meter te rooien hebben zij volgens hen de schade zoveel mogelijk proberen te beperken. Eisers hebben onweersproken gesteld dat door een kleine druppel oppervlaktewater al het risico op bruinrot bestaat. 5.
  43. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de door eisers overgelegde stukken, mede in het licht van de verklaring van eisers dat dit 50 tot 100 meter is geweest, niet met zekerheid is te zeggen tot hoever de nevel op het perceel van eisers is terechtgekomen. De rechtbank acht het daarom redelijk om in beginsel uit te gaan van een schadevergoeding voor een strook van 50 meter aan gerooide pootaardappelen, zijnde een bedrag van (afgerond) € 10.863,
  44. Schadebeperkende maatregelen 5.
  45. Volgens gedaagden hebben eisers verder nagelaten om schadebeperkende maatregelen te nemen door gedaagden niet eerder te alarmeren en door het niet uitzetten van de beregening. 5.
  46. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eisers eerder gealarmeerd hadden kunnen worden. Eisers hebben immers onweersproken gesteld dat de beregeningsinstallatie al voorbij hun perceel was op het moment dat zij bij hun perceel waren aangekomen. De schade kon daardoor al niet meer worden beperkt. Het uitzetten van de beregeningsinstallatie kon daardoor ook geen schadebeperkende functie meer hebben. De rechtbank gaat derhalve aan dit verweer van gedaagden voorbij. 5.
  47. Het voorgaande betekent dat een schadevergoeding ten aanzien van de waardevermindering van de pootaardappelen zal worden vastgesteld op € 10.863,
  48. Werkzaamheden door Van Zwol Landbouw 5.
  49. Eisers hebben gesteld dat zij Van Zwol Landbouw opdracht hebben gegeven om met haar machines het deel van de pootaardappelen dat in contact is gekomen met het oppervlaktewater te rooien om zo door gebruik van eigen machines bruinrotbesmetting te voorkomen in het overige pootgoed. Hierdoor zijn volgens eisers extra kosten gemaakt, die anders niet nodig zouden zijn geweest. Blijkens de factuur van Van Zwol Landbouw van 31 augustus 2018 bedragen haar loonwerkkosten € 3.068,
  50. Voor het sorteren van de aardappelen heeft Van Zwol Landbouw bij factuur van 29 oktober 2018 een bedrag van € 533,05 in rekening gebracht. Gedaagden hebben betoogd dat eisers ook kosten zouden hebben moeten maken voor het rooien van de aardappelen indien deze niet in contact waren gekomen met oppervlaktewater en dat eisers hoe dan ook kosten zouden hebben gemaakt voor het sorteren van de aardappelen. 5.
  51. De rechtbank is als volgt van oordeel. Gedaagden hebben niet weersproken dat een bruinrotbesmetting kan worden overgebracht door het gebruik van machines die in aanraking zijn geweest met aardappelen die met bruinrot besmet zijn. Eisers waren daarom gerechtigd een derde in te schakelen voor het rooien van de betreffende pootaardappelen. Anders dan gedaagden hebben aangevoerd kon naar het oordeel van de rechtbank niet van eisers worden verwacht dat zij gedaagden zouden hebben gevraagd om die werkzaamheden te verrichten. Eisers hebben immers onweersproken gesteld dat gedaagden hebben aangegeven niet te willen meewerken. De rechtbank is wel met gedaagden van oordeel dat eisers hoe dan ook kosten zouden hebben moeten maken voor het rooien van de aardappelen en het sorteren daarvan. Al deze omstandigheden meegewogen en gezien hetgeen is overwogen in r.o. 5.17, zal de rechtbank de schade, op grond van artikel 6:97 BW, begroten op een bedrag van € 1.800,
  52. Uren eisers 5.
  53. Eisers hebben verder een bedrag van € 3.562,50 in rekening gebracht betreffende extra door hen bestede uren. Volgens eisers hebben zij 71,25 uur besteed aan werkzaamheden. Eisers hebben ter onderbouwing hiervan verwezen naar het rapport van Countus. Blijkens bijlage I bij dit rapport bestaan de door eisers gestelde werkzaamheden uit verschillende (telefonische) overleggen en e-mails met – onder meer – gedaagden, de keurmeester, Agrico, de advocaat van eisers, de deskundige en Univé. Verder hebben eisers kosten in rekening gebracht voor het zoeken naar een loonwerker en het voorbereiden van de informatie die aan de verschillende derden moest worden verstrekt. 5.
  54. Gedaagden hebben zowel het tarief als de omvang van de op de urenstaat vermelde uren betwist. Voor zover eisers de eigen tijd als schade opvoeren gaat dat volgens gedaagden niet op. Gedaagden hebben betwist dat de bestede tijd als vermogensschade kan worden aangemerkt. 5.
  55. De rechtbank is van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat de door eisers bestede eigen tijd heeft geleid tot inkomensverlies aan de zijde van eisers. Eisers hebben geen omstandigheden gesteld waaruit moet blijken dat er sprake is van vermogensschade. De enkele verwijzing naar het door eisers zelf opgestelde overzicht is daarvoor onvoldoende. Bovendien hebben eisers eveneens uren opgevoerd voor overleg met de eigen advocaat. Vergoeding van eigen uren die worden besteed aan de voorbereiding van de procedure worden in beginsel niet toegewezen. Eisers hebben met betrekking tot deze uren evenmin omstandigheden naar voren gebracht waarom dit in dit geval anders zou moeten zijn. Dit gedeelte van de vordering wordt daarom afgewezen. Kosten Countus 5.
  56. Met betrekking tot de kosten van de schadeberekening, opgesteld door de door eisers ingeschakelde deskundige Countus, ad € 1.975,00 overweegt de rechtbank als volgt. 5.
  57. De rechtbank acht niet onredelijk dat eisers Countus als deskundige hebben ingeschakeld en zodoende kosten hebben gemaakt om vast te kunnen stellen wat de hoogte is van hun schade. Hoewel gedaagden niet bij het opstellen van het rapport zijn betrokken, maakt dat niet dat de berekening door de deskundige onjuistheden bevat wat betreft de waardebepaling van de als consumptieaardappelen verkocht pootaardappelen. Het rapport heeft derhalve bijgedragen aan de vaststelling van de schade. De daarvoor in rekening gebrachte kosten, die de rechtbank als redelijk voorkomen, zijn aan te merken als schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW en dienen door gedaagden te worden vergoed. Dat niet alle in het rapport vermelde schadeposten zijn toegewezen, maakt dat niet anders. BTW 5.
  58. Het gevorderde bedrag aan btw van € 1.517,82 zal worden afgewezen, aangezien gedaagden onweersproken hebben aangevoerd dat eisers de btw kunnen aftrekken, waardoor deze ten onrechte als schade wordt opgevoerd. Conclusie 5.
  59. Gezien het voorgaande zullen gedaagden een bedrag van € 14.038,15 aan schadevergoeding aan eisers moeten betalen. Dit bedrag bestaat uit € 10.863,15 aan lagere opbrengst door de verkoop van de pootaardappelen als consumptieaardappelen, € 1.200,00 voor werkzaamheden verricht door Van Zwol Landbouw en € 1.975,00 voor de kosten van het rapport van Countus. De gevorderde rente over dit bedrag zal eveneens worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 5.
  60. Eisers hebben ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW vergoeding gevorderd van een bedrag van € 1.668,50 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten bestaan volgens eisers uit de door eisers gemaakte advocaatkosten. 5.
  61. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover de gevorderde advocaatkosten verband houden met de gronden zoals genoemd in artikel 6:96 lid 2 BW, geldt dat deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Ter onderbouwing van hun vordering hebben eisers drie facturen van hun advocaat overgelegd. Uit deze facturen valt niet af te leiden welke werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Op de facturen staat immers slechts vermeld “dossier 6085 – [bedrijfsnaam] ” en “honorarium”. Nu een duidelijke specificatie van de verrichte werkzaamheden niet in het geding is gebracht, kan niet worden vastgesteld welk gedeelte van de advocaatkosten ziet op werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, of de kosten noodzakelijk waren en naar hun omvang redelijk zijn. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen. Dat eisers niet het volledige bedrag van de drie facturen hebben gevorderd, maakt dat niet anders. Proceskosten 5.
  62. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op: - dagvaarding € 93,74 - griffierecht 2.076,00 - salaris advocaat 1.407,50 (2,5 punt × tarief € 563,00) Totaal € 3.577,24 5.
  63. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in het dictum is vermeld. 6De beslissing De rechtbank 6.
  64. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zo dat als de een zal hebben betaald de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, tot betaling aan eisers van een bedrag van € 14.038,15 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; 6.
  65. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zo dat als de een zal hebben betaald de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 3.577,24; 6.
  66. veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, zo dat al de een zal hebben betaald de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening; 6.
  67. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  68. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 15 september
  69. c: 598

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.