RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Groningen zaak-/rolnummer: 9484376 \ VV EXPL 21-105 Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 oktober 2021 inzake [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. W. Dwars, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats gedaagde]), gedaagde, gemachtigde: mr. O.M.M. Philips. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1PROCESGANG 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de producties 1 tot en met 8 aan de zijde van [gedaagde]; de mondelinge behandeling van dinsdag 12 oktober 2021. Ter zitting is [eiser] samen met mr. M. Goossens verschenen. Van de zijde van [gedaagde] is zijn gemachtigde, mr. O.M.M. Philips, verschenen; de spreekaantekeningen aan de zijde van [gedaagde]; - na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden tot 12 oktober 2021 te 17.00 uur; - het faxbericht van [gedaagde] van 12 oktober 2021 waarin wordt verzocht om vonnis; - het faxbericht van [eiser] van 12 oktober 2021 waarin wordt beaamd dat partijen geen regeling hebben getroffen en vonnis moet worden gewezen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet (voldoende gemotiveerd) weersproken staat het volgende vast. 2.2. Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning staande en gelegen aan de [woning] in [provincie woning]. 2.3. [eiser] is niet ingeschreven op voornoemd adres. 2.4. Vanwege een huurachterstand heeft [gedaagde] [eiser] in rechte betrokken. De dagvaarding van 4 mei 2021 is openbaar betekend, waarbij publicatie in de Staatscourant heeft plaatsgevonden. 2.5. [eiser] heeft op 21 mei 2021 een bedrag van € 2.000,00 aan huur betaald en op 17 augustus 2021 een bedrag van € 1.000,00. 2.6. Bij verstekvonnis van 7 september 2021 met zaak-rolnummer 9389912 CV EXPL 21-4821 is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden. Tevens is [eiser] - kort gezegd - veroordeeld om het hiervoor genoemde pand binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 11.166,30 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser] is verder veroordeeld tot betaling van € 1.000,00 voor elke maand of gedeelte daarvan over de periode van mei 2021 tot aan de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst. Ook is [eiser] veroordeeld tot betaling van de nakosten, welke zijn begroot op € 124,00 en tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis is overgegaan tot betaling van die kosten. 2.7. [gedaagde] heeft het verstekvonnis op 24 september 2021 laten betekenen op het adres [woning] in [provincie woning]. De ontruimingsdatum is vastgesteld op donderdag 14 oktober 2021 om 10.00 uur. 3Het geschil 3.1. Op de in de inleidende dagvaarding, ter griffie binnengekomen op 11 oktober 2021, genoemde gronden heeft [eiser] gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening: - de executie van het verstekvonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling handel/kanton, locatie Groningen, in de zaak met zaak-rolnummer 9389912 CV EXPL 21-4821 te verbieden, dan wel te schorsen in afwachting van de verzetprocedure te starten tegen dit vonnis, althans voor een door de kantonrechter vast te stellen termijn, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat de executie voortduurt; - [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.2. [eiser] stelt zich - verkort weergegeven - op het standpunt dat de executie van het verstekvonnis van 7 september 2021 waarin onder andere de huurovereenkomst tussen hem en [gedaagde] is ontbonden en de ontruiming is toegewezen, moet worden verboden dan wel moet worden geschorst. De dagvaarding in de bodemprocedure is openbaar betekend. [eiser] heeft gesteld dat hij daardoor niet op de hoogte was van de door [gedaagde] gestarte gerechtelijke procedure om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te bewerkstelligen en zich daardoor dus niet heeft kunnen verweren. De dagvaarding had ook kunnen worden betekend op het adres [woning] omdat [eiser] hier weliswaar niet is ingeschreven, maar wel feitelijk woonachtig is en [gedaagde] hiervan op de hoogte is. Ook had [gedaagde] [eiser] kunnen mailen of bellen over de gerechtelijke procedure, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Het belang van [eiser] om de uitvoering van de executie te verbieden of te schorsen dient daarom al zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook heeft hij belang om in de huurwoning te blijven wonen omdat hij nergens terecht kan en dan zijn dochters (van 18 en 20 jaar) niet kan opvangen als zij op bezoek komen. [eiser] zal bovendien tegen het verstekvonnis in verzet komen. De vordering dient volgens [eiser] in de verzetprocedure te worden afgewezen omdat de huurachterstand niet klopt, gelet op de gedane betaling van in totaal een bedrag van € 7.500,00, en de huidige omstandigheden maken dat ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is dan wel dat er een terme de grâce moet worden gegeven omdat er zicht is op betaling. Ten slotte heeft [eiser] gewezen op de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming en aangevoerd dat het vanwege het overlijden van een familielid voor [eiser] onmogelijk is om binnen de gestelde termijn de woning te ontruimen, zodat hij - subsidiair - gebaat is bij een langere ontruimingstermijn. 3.3. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en voert - samengevat weergegeven - aan dat de betekening van de dagvaarding in de bodemprocedure overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zelfs als de door [eiser] gestelde hoogte van de huurachterstand klopt, hetgeen [gedaagde] betwist, er dan nog sprake is van een grote huurachterstand die ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. [gedaagde] heeft ook aangevoerd dat de persoonlijke omstandigheden in dit executiegeschil niet aan de orde behoren te komen, maar enkel in de hoofdzaak. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat zijn belangen om het vonnis ten uitvoer te leggen en het appartement te ontruimen zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij schorsing van de tenuitvoerlegging. 3.4. Voor zover van belang zullen de standpunten van partijen bij de beoordeling nader uiteen worden gezet. 4De beoordeling 4.1. Ter zake van het schorsen van de tenuitvoerlegging van een vonnis is het toepasselijke toetsingskader neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). Uit dat arrest volgt dat indien de rechter in de bodemzaak de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet heeft gemotiveerd, de voorzieningenrechter die over de schorsing van de executie moet oordelen niet gebonden is aan de desbetreffende beslissing in de bodemzaak en zelf een belangenafweging dient te maken. In dat verband geldt het volgende. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij die belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.