← Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2021:5069

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-100640-20 beslissing van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats], hierna te noemen: veroordeelde. Procesverloop De officier van justitie heeft op 22 oktober 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 240,828,80, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de zaak met parketnummer 18-100640-

  1. De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 november
  2. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans – De Boer. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier als uitgangspunt dient te gelden en dat het voordeel moet worden geschat op € 240.818,80 en de betalingsverplichting op de helft daarvan, namelijk € 140.414,40,-. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft in de onderliggende strafzaak een integrale vrijspraak bepleit. De verdediging heeft daarom primair aangevoerd dat de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is afwijzing van de vordering bepleit omdat niet aannemelijk is dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Bewijsmiddelen Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen: - het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, van 23 november 2021 in de onderliggende strafzaak (verder: het vonnis); - de stukken behorend bij het onderliggende strafdossier. Beoordeling Het vonnis van 23 november 2021 De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 23 november 2021 in de zaak met parketnummer 18-100640-20 veroordeeld ter zake schuldwitwassen. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank komt tot vrijspraak van zowel feit 1 primair als subsidiair en van feit
  3. Het rapport ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op deze feiten. De strafbare feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken, kunnen niet ten grondslag liggen aan de ontneming ter wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal gelet op het voorstaande niet uitgaan van het aan het dossier toebehorende rapport ter berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel. In het onderliggende vonnis is veroordeelde schuldig bevonden aan het witwassen van een geldbedrag van € 19.165,
  4. Op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring voor feit
  5. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat feit 3 of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr. Bij de berekening van dit wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de direct (mede) op naam van veroordeelde gestorte geldbedragen. De rechtbank merkt op dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de baten minus de kosten. Het is de rechtbank niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt. Dit levert de navolgende berekening op. De saldo- en transactiegegevens van de bankrekening met het IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte] en [veroordeelde] zijn door de politie opgevraagd. Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat de volgende betalingen zijn ontvangen. 10 januari 2019: € 600,0018 januari 2019: € 1.000,0030 januari 2019: € 1.000,0015 februari 2019: € 880,0022 februari 2019: € 1.000,00 6 maart 2019: € 800,0012 april 2019: € 920,0018 april 2019: € 1.000,0010 mei 2019: € 200,00 7 juni 2019: € 980,00 3 juli 2019: € 1.000,0016 juli 2019: € 400,0030 juli 2019: € 1.000,00 4 september 2019: € 2.035,00 4 oktober 2019: € 700,00 15 oktober 2019: € 450,0018 oktober 2019: € 300,0031 oktober 2019: € 300,006 november 2019: € 300,0014 november 2019: € 350,00 3 december 2019: € 1.990,0012 december 2019: € 300,0010 januari 2020: € 700,00 6 februari 2020: € 960,00 De rechtbank stelt hiermee vast dat op een bankrekening die mede op naam van veroordeelde staat, in totaal een bedrag van € 19.165,00 is ontvangen. Uit de bewijsoverwegingen in het vonnis volgt - kort gezegd - dat veroordeelde de beschikking had over deze bankrekening. De rechtbank acht hiermee aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De vaststelling van de betalingsverplichting Ambtshalve is de rechtbank niet gebleken van redenen om de hoogte van de betalingsverplichting aan te passen of in het voordeel van veroordeelde te matigen. De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op € 19.165,
  6. Toepassing van de wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 19.165,
  7. Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 19.165,00 (zegge: negentienduizend honderdvijfenzestig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 383 dagen. Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Deze uitspraak is gegeven door mr. K. Post, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. B.F. Hammerle, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november
  8. Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van ambtsedige processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2020008687 opgemaakt door politie eenheid Noord-Nederland d.d. 19 mei
  9. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina 138 e.v. T.a.v. 10 en 18 januari 2019: pagina
  10. Pagina
  11. T.a.v. 15 en 22 februari 2019: pagina
  12. Pagina
  13. T.a.v. 12 en 18 april 2019: pagina
  14. Pagina
  15. Pagina
  16. T.a.v. 3, 16 en 30 juli 2019: pagina
  17. Pagina
  18. T.a.v. 4, 15 en 18 oktober 2019: pagina
  19. T.a.v. 31 oktober 2019; 6 en 4 november 2019: pagina
  20. T.a.v. 3 en 12 december 2019: pagina
  21. Pagina
  22. Pagina 156.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.